Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:622

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
ROT 18/471
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AIO-aanvulling terecht ingetrokken. Geen strijd met het discriminatieverbod. In buitenland verkregen bewijs toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/471

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, en [eiseres], eiseres, te [woonplaats] , tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. G.E. Eind.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eisers op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 5 februari 2010 ingetrokken.

Bij besluit van 14 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn toenmalige gemachtigde mr. P. Stahl-de Bruin.

Op 1 juni 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eisers verzocht om nadere stukken te overleggen.

Bij brief van 5 juni 2018 hebben eisers een brief van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 20 maart 2018 overgelegd, waarin in een andere zaak van de gemachtigde van eisers vragen zijn gesteld door de Raad.

Bij brief van 27 juni 2018 heeft verweerder gereageerd.

Bij brief van 26 juli 2018 hebben eisers gereageerd op de brief van verweerder van
27 juni 2018 en nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 18 oktober 2018 heeft de rechtbank eisers verzocht te reageren op de uitspraken van de Raad van 1 oktober 2018, waarin is geoordeeld over in het buitenland verkregen bewijs.

Bij brief van 25 oktober 2018 hebben eisers gereageerd.

Bij brief van 3 januari 2019 heeft verweerder gereageerd op de brief van 26 juli 2018.

Op 15 januari 2019 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontving van verweerder vanaf 1 januari 2007 een AIO-aanvulling naar de norm voor een alleenstaande, in aanvulling op zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 4 februari 2010 zijn eisers met elkaar gehuwd, waarna zij van verweerder een AIO-aanvulling naar de norm voor gehuwden ontvingen. Op 9 juni 2016 heeft verweerder opdracht gegeven voor een buitendienstonderzoek naar het vermogen van eisers. Op 1 november 2016 is gerapporteerd door het Bureau Attaché Sociale Zaken te Ankara, Turkije (Bureau Attaché). Uit de rapportage blijkt dat de buitendienstmedewerker van Bureau Attaché op 26 oktober 2016 een bezoek heeft afgelegd bij de Afdeling Onroerende Zaakbelasting (OZB) van de gemeente [gemeente] . Een medewerker van de Afdeling OZB heeft verklaard dat een woning staat geregistreerd op naam van eisers en dat zij deze woning ieder voor de helft bezitten. De woning bevindt zich op het adres [adres] in [gemeente] . Uit informatie van de Afdeling OZB is gebleken dat de kadastrale nummering van het perceel waarop de woning staat [nummer] is en dat de datum van aankoop 5 februari 2010 is. Uit informatie van de Afdeling Stadsplanning van de gemeente [gemeente] blijkt dat op het perceel [nummer] een huis staat aan een straat genaamd [straatnaam] met twee huisnummers, [huisnummers] . Op ieder huisnummer bevinden zich zes appartementen. Ter plaatse heeft de buitendienstmedewerker niet kunnen vaststellen welk appartement van eisers is. Een lokale makelaar heeft verklaard dat de waarde van de appartementen varieert van € 19.345,- tot € 26.786,-. Bij de rapportage zijn onder meer uittreksels van door eisers gedane aangiften van onroerendezaakbelasting bij de gemeente [gemeente] gevoegd. Bij besluit van 3 februari 2017 heeft verweerder de AIO-aanvulling van eisers vanaf 1 februari 2017 geblokkeerd. Daarbij heeft verweerder eisers verzocht om door middel van een taxatierapport aan te tonen wat de waarde van hun woning is. Bij besluit van 31 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 3 februari 2017 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Bij afzonderlijke brief van 11 oktober 2017 heeft verweerder aangekondigd dat hij de door eisers te veel ontvangen AIO-aanvulling ten bedrage van € 56.866,03 van hen zal terugvorderen. Bij uitspraak van 3 januari 2018 (zaaknummer: ROT 17/2746) heeft deze rechtbank het door eisers tegen het besluit van 31 maart 2017 betreffende de blokkering ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers sinds 5 februari 2010 samen een woning bezitten en dat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden omdat zij dit niet hebben doorgegeven. Verweerder stelt dat uit de kadastrale nummering van het perceel niet duidelijk is geworden welke woning van eisers is, zodat hij hen heeft gevraagd aan te tonen welk appartement zij bezitten. Omdat eisers hier niet op hebben gereageerd, is verweerder niet op de hoogte van de waarde van de woning. Volgens verweerder kan daarom vanaf 5 februari 2010 het recht op AIO-aanvulling van eisers niet worden vastgesteld en is het recht op een AIO-aanvulling per deze datum terecht ingetrokken. Verweerder stelt daarbij dat de onderzoeksgegevens zijn verkregen zonder het door eisers doorgegeven TC Kimlik-nummer van eiseres te gebruiken en dat uit navraag bij de Sociaal Attaché is gebleken dat uitsluitend openbaar toegankelijke registers zijn benaderd.

3. Eisers voeren aan dat verweerder in het kader van een steekproef onderzoek heeft verricht en dat daarbij een ongeoorloofd onderscheid is gemaakt naar afkomst, door het onderzoek te beperken tot AIO-gerechtigden van Turkse afkomst. Een dergelijk onderscheid is enkel gerechtvaardigd als daar zwaarwegende redenen aan ten grondslag liggen. Volgens eisers is daarvan echter geen sprake. Eisers stellen dat verweerder in strijd met het discriminatieverbod heeft gehandeld en dat de bevindingen van het in Turkije verrichtte onderzoek daarom niet als bewijs aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. Indien dit bewijs in rechte zou worden toegelaten, zou dat volgens eisers neerkomen op een schending van het beginsel van ‘fair trial’, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eisers voeren voorts aan dat er hiaten kleven aan het onderzoek van verweerder, aangezien er geen informatie is verkregen uit een officieel eigendomsregister of het kadaster, waaruit zou blijken dat er een onroerende zaak op hun naam staat. In reactie op de uitspraken van de Raad van 1 oktober 2018 voeren eisers onder meer aan dat het Turkse recht wel degelijk van belang is, aangezien het bewijs wel zou zijn uitgesloten als zou worden geoordeeld dat het naar Turks recht onrechtmatig is verkregen. Eisers wijzen daarbij op het zogenoemde ‘indruiscriterium’. Voorts voeren zij aan dat informatie is vergaard via niet openbare websites en met behulp van de naam van hun vader. Vanuit het oogpunt van privacy is het volgens eisers niet uit te leggen waarom de persoonlijke gegevens van een derde worden gebruikt.

4.1.

Op grond van artikel 53a van de Pw in samenhang met artikel 47a, tweede lid, van de Pw, is verweerder bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Daarbij mag echter niet in strijd gehandeld worden met het discriminatieverbod zoals onder meer opgenomen in artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM.

4.2.

Met de uitvoering van de bijstandswetgeving zijn aanzienlijke publieke middelen gemoeid. Om misbruik te voorkomen is rechtmatigheidsonderzoek aangewezen. Daarbij is het van belang dat het bijstandsverlenend orgaan dit rechtmatigheidsonderzoek zo efficiënt en effectief mogelijk moet kunnen doen. In een uitspraak van 6 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5009) heeft de Raad geoordeeld dat een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland een legitiem doel dient. Verweerder is in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de in artikel 53a opgenomen onderzoeksbevoegdheid een selectie uit het totale bestand van AIO-gerechtigden te maken, tenzij hierbij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen AIO-gerechtigden.

4.3.

De beroepsgrond van eisers dat sprake is van een dergelijk ongerechtvaardigd verschil in behandeling, omdat verweerder alleen AIO‑gerechtigden die in het buitenland zijn geboren zou benaderen en niet de in Nederland geboren AIO-gerechtigden, slaagt niet. Uit de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2912) volgt dat een onderscheid naar nationale of maatschappelijke afkomst als een ‘verdacht’ onderscheid wordt aangemerkt en daarom moet worden gerechtvaardigd door ‘very weighty reasons’. Hierbij is van belang dat het hier aan de orde zijnde onderscheid in het kader van het onderzoek naar de rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving wordt gemaakt en niet in het kader van een aanspraak op een materieel recht. Nu het recht op bijstand in beginsel niet wordt aangetast zolang er aan de voorwaarden voor bijstandsverlening wordt voldaan, en gezien de aard van het gemaakte onderscheid, wordt een minder strikte ‘very weighty reasons-toets’ gehanteerd dan wanneer sprake zou zijn van een aantasting van een materieel recht. De rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving vormt een zeer zwaarwegende reden voor het gemaakte onderscheid. Verder staat het toegepaste middel in een redelijke verhouding tot dat doel, gelet op de hoge kosten van controle en handhaving en de grote verschillen die bestaan tussen controlemogelijkheden in Nederland en daarbuiten. Van strijd met het discriminatieverbod zoals onder meer opgenomen in artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM is dan ook geen sprake.

5.1.

Bij de vraag of bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, bij besluitvorming of de toetsing daarvan in een bestuursrechtelijke procedure rechtmatig mag worden gebruikt, is slechts van belang of dat bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen. Niet bepalend is of het bewijs naar het recht van de plaats waar het is vergaard, waarop het betrekking heeft of van waaruit het afkomstig is, rechtmatig is verkregen (zie de uitspraken van de Raad van 1 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2911, ECLI:NL:CRVB:2018:2912 en ECLI:NL:CRVB:2018:2914).

5.2.

Geen regel van Nederlands recht, daaronder begrepen verdragenrecht, schrijft voor dat bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, naar Turks recht rechtmatig moet zijn verkregen. Op grond van het Nederlandse recht dient wel, indien daartoe gronden worden opgeworpen, de toets te worden aangelegd of bijvoorbeeld het gebruik van dat bewijs in strijd komt met regels van een eerlijk proces zoals beschermd door artikel 6 van het EVRM of privéleven, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM of anderszins indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht.

5.3.

Er is hier op verzoek van een medewerker van Bureau Attaché door derden informatie gegeven. Niet valt in te zien hoe eisers daardoor een eerlijk proces wordt ontnomen, nu zij de mogelijkheid hebben dit bewijs met tegenbewijs te bestrijden. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat gebruik van bewijs, dat op verzoek van en aan personen, werkzaam bij of voor verweerder, is verkregen zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat de afgifte van dat bewijs naar Turks recht onrechtmatig zou zijn, wat daarvan ook zij, is daartoe onvoldoende.

5.4.

Voor zover in de beroepsgronden van eisers besloten ligt dat (organen van) de Nederlandse staat in strijd handel(t)(en) met regels van het volkenrecht door zonder toestemming van de Turkse autoriteiten of in strijd met het Turks recht onderzoek te doen naar inkomen en vermogen van eisers, kan dat eisers niet baten, omdat die regels van volkenrecht niet de belangen van eisers beogen te beschermen, maar die van de Turkse staat.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen onderzoek in het kadaster heeft plaatsgevonden. Wel heeft onderzoek plaatsgevonden op de website van de Turkse belastingdienst en ter plaatse bij de Afdeling OZB van de gemeente [gemeente] . De door de buitendienstmedewerker verkregen informatie over de onroerende zaak van eisers, is blijkens de zich in het dossier bevindende verklaring van de Sociaal Attaché verkregen door middel van openbaar toegankelijke registers - zonder gebruik te maken van een gebruikersnaam en wachtwoord - en het stellen van vragen bij de Afdeling OZB van de gemeente [gemeente] . Eisers hebben de onjuistheid van deze verklaring van de Sociaal Attaché niet aannemelijk gemaakt. De door eisers overgelegde afschriften van diverse websites, waarvoor een wachtwoord vereist zou zijn, zijn hiervoor onvoldoende, omdat niet aannemelijk is geworden dat deze de door Bureau Attaché geraadpleegde websites betreffen.

6.2.

Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraken van de Raad van 1 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2912 en ECLI:NL:CRVB:2018:2914) en 18 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2975) is de rechtbank van oordeel dat met het raadplegen van gegevens in openbare registers en openbare webpagina’s en het vergaren van informatie van de Afdeling OZB een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van eisers wordt gemaakt. Het onderzoek is slechts gedaan in openbare bronnen en in de openbare ruimte en was uitsluitend gericht op het al dan niet beschikken over onroerende zaken en de eventuele waarde daarvan. Evenmin kan worden geoordeeld dat op enig moment een minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking stond om de rechtmatigheid van de aan eisers verleende bijstand te onderzoeken, omdat eisers het bezit van het vermogen zelf niet hebben opgegeven aan verweerder. Aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. De inbreuk op het respect voor het privéleven van eisers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM was dan ook gerechtvaardigd. De beroepsgrond dat het onderzoek onrechtmatig is, slaagt niet. Anders dan eisers stellen, mogen de onderzoeksresultaten van de rapportage van 1 november 2016 van Bureau Attaché bij de beoordeling worden betrokken.

7. De beroepsgrond van eisers dat door het verstrekken van het TC Kimliknummer en de naam van hun vader door verweerder aan Bureau Attaché en/of de Afdeling OZB, sprake is van een niet-toegelaten verwerking van persoonsgegevens in de zin van de - ten tijde in geding geldende - Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), slaagt niet. Hiervoor wordt verwezen naar overweging 4.14 van de uitspraak van de Raad van 18 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2975), waarbij de rechtbank in het midden laat of verweerder deze gegevens daadwerkelijk heeft verstrekt. Voor zover eisers stellen dat door het verstrekken van de naam van hun vader het recht op privacy van hun vader is geschonden, strekt dit niet tot bescherming van hun belangen, zodat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht zich verzet tegen vernietiging van het bestreden besluit op deze grond.

8. Met het onderzoek van Bureau Attaché heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eisers vanaf 5 februari 2010 een woning bezitten in Turkije. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Raad van 1 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1283) en 1 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2913), waaruit volgt dat indien een onroerende zaak in een OZB-register op naam van een betrokkene staat genoteerd, de vooronderstelling is gerechtvaardigd dat deze zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Eisers zijn daarin niet geslaagd. Het gaat hier om gegevens waarvan het eisers redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed zijn op hun recht op een AIO-aanvulling. Daarbij wijst de rechtbank erop dat verweerder eisers meerdere malen heeft verzocht om aan te geven of zij vermogen hebben en/of een woning bezitten. Eisers hebben evenwel op 24 maart 2010, 12 maart 2011, 25 april 2012 en 31 maart 2015 verklaard dat zij niet over vermogen beschikken. Door geen melding te maken van het eigendom van de woning in Turkije hebben eisers de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de Pw geschonden. Het is daarom aan hen om aannemelijk te maken dat, in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de te beoordelen periode recht op volledige of aanvullende bijstand bestond en dus om objectieve en verifieerbare informatie te verstrekken over de eigendomssituatie en waarde van hun woning. Eisers hebben echter geen gegevens overgelegd over de waarde van hun woning.

9. Nu onduidelijk is gebleven wat de waarde van de woning van eisers was en is, kan het vermogen van eisers niet worden vastgesteld en kan het recht op bijstand ten tijde hier van belang door ontbrekende inlichtingen niet worden vastgesteld. Verweerder was dan ook gelet op artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden de AIO-aanvulling van eisers in te trekken.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eisers ter zitting van 15 januari 2019 is verzocht, het onderzoek te heropenen en aan te houden in afwachting van een door hen (door middel van het doen van aangifte) te starten (straf)rechtelijke zaak in Turkije. Dat, zoals eisers ter zitting hebben gesteld, uit de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2913) volgt dat met een (strafrechtelijk) oordeel van de Turkse rechter zou kunnen worden voldaan aan het zogenoemde ‘zozeer-indruist’-criterium, leidt de rechtbank niet af uit deze door eisers genoemde uitspraak van de Raad. In de uitspraken van 1 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2911, ECLI:NL:CRVB:2018:2912 en ECLI:NL:CRVB:2018:2914) heeft de Raad juist overwogen dat de enkele omstandigheid dat de afgifte van bewijs naar Turks recht onrechtmatig zou zijn, wat daarvan zij, onvoldoende is voor het oordeel dat gebruik van bewijs zozeer indruist tegen wat van een redelijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Hierbij komt dat het onzeker is hoelang de door eisers te starten juridische procedure in Turkije zal gaan duren, zodat ook om deze reden niet tot heropening en aanhouding zal worden besloten.

11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. J. de Gans en mr. A.C. Rop, leden, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 februari 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.