Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6171

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
15-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1322
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AW. Korting bezoldiging wegens arbeidsongeschiktheid. Geen sprake van een met een beroepsincident gelijk te stellen beroepsziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/1322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer,

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder,

gemachtigde: mr. B.A. Raydt.

Procesverloop

Bij de salarisspecificatie over de maand september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bezoldiging van eiseres op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens langdurige arbeidsongeschiktheid gekort met 30%.

Bij besluit van 24 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde vergezeld door [naam vertegenwoordiger] .

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om vast te stellen of [naam] ( [naam] ) alle door eiseres overgelegde medische stukken bij zijn beoordeling heeft betrokken.

[naam] heeft de rechtbank bij brief van 11 februari 2019 bericht.

Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek op 15 mei 2019 heeft gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres is sinds 1 maart 2002 in dienst bij de Belastingdienst, laatstelijk als Groepsfunctionaris E bij B/MKB Midden BD42.

1.2

In de periode van 3 februari 2015 tot en met 17 januari 2016 is eiseres niet in staat geweest haar werkzaamheden te verrichten wegens ziekte. Eiseres heeft gedurende deze periode haar volledige bezoldiging ontvangen. Op 6 september 2016 is eiseres wederom volledig ongeschikt geraakt voor het verrichten van haar eigen werkzaamheden.

1.3

Op 15 augustus 2018 heeft eiseres in het kader van dit beroep medische stukken overgelegd. Eiseres heeft de rechtbank daarbij verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij beslissing van 19 september 2018 heeft de rechtbank het verzoek van eiseres toegewezen en bepaald dat de gemachtigde van verweerder geen inzage krijgt in de overgelegde medische gegevens. Bij brief van 5 oktober 2018 heeft verweerder de rechtbank bericht dat [naam] , bedrijfsarts, namens de gemachtigde van verweerder voornoemde stukken zal beoordelen.

1.4

Bij brief van 8 januari 2019 heeft verweerder een (aanvullend) verweerschrift overgelegd met als bijlage een rapport van [naam] , waarin laatstgenoemde reageert op de door eiseres overgelegde medische gegevens.

1.5

Met het primaire besluit heeft verweerder met ingang van 6 september 2017 een korting van 30% op de bezoldiging toegepast wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

2. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door werk of werkomstandigheden met een objectief bezien buitensporig karakter. De arbeidsongeschiktheid van eiseres kan daarmee niet gelijk gesteld worden aan een beroepsincident. De eerste ziektedag van eiseres was 6 september 2016 en verweerder heeft met ingang van 6 september 2017 dan ook terecht een korting van 30% toegepast op haar bezoldiging.

3. Op grond van artikel 37, eerste lid, van het ARAR heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging. Op grond van het vierde lid van dit artikel heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

Artikel 35 van het ARAR bepaalt dat onder beroepsincident wordt verstaan een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken. Daarnaast bepaalt dit artikel dat onder beroepsziekte wordt verstaan een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

Op grond van artikel 38a, eerste lid van het ARAR, wordt de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van in het werk gelegen bijzondere factoren die haar arbeidsongeschiktheid hebben veroorzaakt. De arbeidsongeschiktheid moet om die reden als beroepsziekte worden aangemerkt en deze beroepsziekte dient gelijkgesteld te worden met een beroepsincident. Er kan daarom geen sprake zijn van korting op de bezoldiging na 52 weken ziekte. Eiseres wijst in dit kader (kortgezegd) op de algehele bejegening door verschillende leidinggevenden vanaf 2008 tot heden en het door deze leidinggevenden niet nakomen van re-integratieafspraken. De rechtbank begrijpt het beroep van eiseres zo dat zij aanvoert dat uit de wijze waarop verweerder met haar als zieke ambtenaar is omgegaan een grote mate van onzorgvuldigheid blijkt. Deze onzorgvuldigheid maakt dat gesproken moet worden van in het werk gelegen bijzondere omstandigheden en daarmee van een beroepsziekte, gelijk te stellen met een beroepsincident.

5.1

Voordat artikel 38a van het ARAR toepassing kan vinden, zal de vraag beantwoord moeten worden of in dit geval sprake is van een beroepsziekte. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraken van 23 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2383) en van 24 mei 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1911), geldt voor de toepassing van regelingen als deze allereerst dat de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de arbeidsongeschiktheid in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Pas nadat is vastgesteld dat de aard van het werk dan wel de omstandigheden waaronder dat moest worden verricht - objectief beschouwd - als buitensporig moeten worden aangemerkt, komt de vraag aan de orde of er tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwijsbaar is. In het buitensporigheidsvereiste en de daarbij toe te passen objectivering ligt besloten dat geen rekening moet worden gehouden met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden.

5.2

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres sinds langere tijd verschillende gezondheidsklachten ervaart. Het bestaan van de arbeidsongeschiktheid van eiseres wordt in zoverre door verweerder niet betwist. De vraag of de op 6 september 2016 aangevangen arbeidsongeschiktheid het gevolg is van de door eiseres gestelde omstandigheden, kan echter pas beantwoord worden nadat eiseres het bestaan van die omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hierin niet is geslaagd. Zij overweegt daartoe dat eiseres in de processtukken verschillende situaties beschrijft waarin wisselende leidinggevenden haar beperkingen niet serieus nemen. Eiseres beschrijft dat zij zich niet gehoord voelt, dat er ondanks haar beperkingen (te) hoge eisen aan haar functioneren werden gesteld en dat met haar gemaakte afspraken over haar re-integratie verschillende keren (bewust) niet werden nagekomen. Daarnaast beschrijft eiseres hoe zij in de bejegening door met name [naam vertegenwoordiger] onbegrip en tegenwerking, en daardoor onnodige stress, heeft ervaren. Eiseres heeft in aanvulling op haar weergave van het gebeurde echter geen bewijsstukken overgelegd op grond waarvan de door haar beschreven omstandigheden kunnen worden geobjectiveerd. Voormalig bedrijfsarts [naam arts] heeft de gemachtigde van eiseres per e-mail van 16 januari 2019 desgevraagd laten weten dat de verhoudingen tussen eiseres en haar leidinggevende in de periode dat hij bedrijfsarts was ‘minder’ waren, maar onthoudt zich van verder commentaar. De rechtbank neemt aan dat eiseres en haar leidinggevenden uiteenlopende opvattingen hebben gehad over de wijze waarop de re-integratie plaats zou vinden. Dat hieruit spanningen tussen partijen zijn ontstaan, is aannemelijk. Het verschillen van mening over het verloop van een re-integratietraject is zonder nadere bewijsvoering echter niet voldoende om aannemelijk te achten dat sprake is van in de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren met een buitensporig karakter.

5.3

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op 6 september 2016 aangevangen arbeidsongeschiktheid aangemerkt kan worden als een met een beroepsincident gelijk te stellen beroepsziekte. Verweerder heeft de bezoldiging van eiseres met ingang van 6 september 2017 dan ook terecht met 30% gekort.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.C. Correa, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 31 juli 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.