Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6167

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
10/661195-17 / TUL VV: 09/827692-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs voor wederrechtelijke vrijheidsberoving volgt uit telefoongesprekken, whatsapp-gesprekken, relaas van een getuige en de omstandigheid dat familie van het slachtoffer de hulp van politie heeft ingeroepen.

Verdachte geeft geen ontzenuwende verklaring voor redengevende feiten en omstandigheden waaruit zijn betrokkenheid bij het feit volgt. Oplegging van 12 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/661195-17

Parketnummer vordering TUL VV: 09/827692-16

Datum uitspraak: 30 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw I.A. Groenendijk, advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 juli 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 (wederrechtelijke vrijheidsberoving), 2 primair (diefstal) en 3 (bezit van 6,18 gram cocaïne) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 09/827692-16.

4 Bewijswaardering

4.1.

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

In de nacht van 12 op 13 juli 2017 is in de centrale hal van een flatgebouw aan de [adres delict] in Rotterdam sprake geweest van een geweldsincident, waarbij [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ), de verdachte en twee onbekend gebleven mannen betrokken zijn geweest. De twee onbekend gebleven mannen waren daarbij in het bezit van vuurwapens en hebben een met tape omwikkeld pakketje meegenomen.

In de vroege ochtend van 13 juli 2017 heeft [naam slachtoffer] zijn familieleden en vriendin meermalen telefonisch en via WhatsApp op indringende wijze gevraagd hem geld te geven. [naam slachtoffer] heeft laten weten dat hij werd vastgehouden en vóór 20:00 uur € 10.000,- moest betalen. Na zijn vrijlating zou hij nog € 19.000,- moeten betalen. [naam slachtoffer] zou bestolen zijn van ‘iets’ en daar verantwoordelijk voor worden gehouden.

Op 13 juli 2017 om 03:20 uur is € 800,- gepind van de bankrekening van [naam slachtoffer] . Omstreeks 06:00 uur heeft de vriendin van [naam slachtoffer] , de getuige [naam getuige] (hierna: [naam getuige] ), in Rotterdam een ontmoeting gehad met twee mannen in een beige Renault Mégane, voorzien van kenteken [kentekennummer 1] . Tijdens die ontmoeting heeft zij gezien dat achterin deze Renault Mégane [naam slachtoffer] zat, volgens [naam getuige] met verwondingen in het gezicht en een wanhopige blik in de ogen. [naam getuige] heeft één van de twee mannen, een ongeveer 26-jarige Kaapverdiaanse man met rastaharen en daarover een soort pantykous, € 4.600,- euro overhandigd, afkomstig van de verkoop van de auto van [naam slachtoffer] . De bestuurder van de Renault Mégane betrof een man die door [naam getuige] werd herkend als een kennis van [naam slachtoffer] , een ongeveer 26-jarige man van Marokkaans afkomst, genaamd [voornaam verdachte] . De beige Renault Mégane voorzien van kenteken [kentekennummer 1] stond op naam van
[naam vriendin] , de vriendin van de verdachte.

Op 13 juli 2017 om 23:12 uur werden de inzittenden van een zwarte Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kentekennummer 2] , te weten de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] , aangehouden. In de Volkswagen Golf werden telefoons, in gebruik bij [naam slachtoffer] , aangetroffen. In het tasje van de medeverdachte [naam medeverdachte] werd een bankpas op naam van [naam slachtoffer] aangetroffen. [naam slachtoffer] zelf zat niet in auto. Bij de insluitingsfouillering van de verdachte werden een plastic zakje met een blokje wit poeder en een geldbedrag van € 6.029,95 in onder meer de coupures 21 x € 100 en 59 x € 50 en 44 x € 20 aangetroffen.

4.2

Feit 1: Wederrechtelijke vrijheidsberoving

4.2.1

Standpunt verdediging

[naam slachtoffer] heeft geen aangifte gedaan en wilde geen verklaring afleggen, zodat onduidelijk blijft wat er nu precies is gebeurd, wat de rol van de verdachte is geweest en of er wel of geen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Op basis van de inhoud van de WhatsApp-gesprekken kan, zonder dat [naam slachtoffer] daarover is bevraagd, niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde worden gekomen. Dit moet leiden tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

4.2.2

Beoordeling
Uit de WhatsApp-gesprekken van 13 juli 2017 tussen [naam slachtoffer] , zijn broer [naam broer] en zijn zus [naam zus] , blijkt dat [naam slachtoffer] in grote financiële problemen verkeerde en dat hij in dat verband vreesde voor zijn veiligheid, of zelfs zijn leven. Uit de Whatsapp-gesprekken volgt dat sprake is van een situatie waarin [naam slachtoffer] werd vastgehouden en dat hij pas na betaling van een som geld mocht gaan.

De inhoud van bedoelde WhatsApp-gesprekken vindt onder meer steun in de verklaring van [naam getuige] . Zij heeft op 13 juli 2017 omstreeks 06:00 uur een ontmoeting gehad met de - in haar woorden - twee ontvoerders, waarbij aan één van hen geld is overhandigd en zij heeft daarbij gezien dat [naam slachtoffer] op dat moment gewond achterin de auto zat en wanhopig keek. Niet gebleken is dat [naam slachtoffer] zich op dat moment vrij heeft gevoeld uit te stappen, om met zijn vriendin, [naam getuige] , mee te gaan. Ook heeft [naam getuige] telefonisch contact gehad met één van de ‘ontvoerders’ en in dat gesprek wordt van de andere zijde bevestigd dat ‘ze hem hebben’ en wordt dreigend gezegd ‘wil je zien waartoe we in staat zijn’. Deze uitlatingen bevestigen naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake was van een daadwerkelijke dreiging richting [naam slachtoffer] en voorts dat hij op dat moment niet vrij was om te gaan en staan waar hij wilde. Tot slot is de situatie rondom [naam slachtoffer] door zijn familieleden kennelijk als zodanig bedreigend ervaren, dat zij ter beëindiging van de situatie diezelfde nacht nog € 4.600,- beschikbaar hebben gesteld en uiteindelijk de politie hebben ingeschakeld.

Ondanks dat [naam slachtoffer] geen aangifte heeft willen doen en geen verklaring heeft willen afleggen bij de politie, acht de rechtbank op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [naam slachtoffer] op 13 juli 2017 tegen zijn wil van zijn vrijheid beroofd is geweest en gehouden. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

4.3

Feit 1: Betrokkenheid verdachte

4.3.1.

Standpunt verdediging

Voor zover de rechtbank er van uit gaat dat de verdachte bij het incident aan de [adres delict] en de overdracht van € 4.600,- aanwezig is geweest, betekent dit nog niet dat hij als medepleger van het ten laste gelegde kan worden gezien. De verdachte bevond zich in dezelfde positie als [naam slachtoffer] , wat onder meer blijkt uit het feit dat hij zelf ook in het gezicht gewond is geraakt. Het geldbedrag van ruim € 6.000,- dat bij de verdachte is aangetroffen, is een ander bedrag dan het bedrag waarover [naam getuige] heeft verklaard. Bovendien heeft de verdachte voor de herkomst van dat geld een verklaring gegeven, te weten dat dit verband houdt met de verkoop van de Renault Mégane aan zijn zus. Dit moet leiden tot vrijspraak van het ten laste gelegde.

4.3.2

Beoordeling

Hiervoor is reeds vastgesteld dat [naam slachtoffer] op 13 juli 2017 tegen zijn wil van zijn vrijheid beroofd is geweest. Tijdens de overdracht van het bedrag van €4.600,- euro was [naam slachtoffer] in het bijzijn van twee mannen. [naam getuige] heeft één van de mannen - de bestuurder van de auto - herkend als de haar bekende [voornaam verdachte] , een kennis van [naam slachtoffer] . De voornaam van de verdachte is [voornaam verdachte] . De auto waarin de mannen reden, een Renault Mégane, stond op naam van de vriendin van de verdachte en was in gebruik bij de verdachte en zijn vriendin. Gelet op al deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte één van de twee mannen is geweest met wie [naam getuige] op 13 juli 2017 omstreeks 06:00 uur de ontmoeting heeft gehad. Bij het incident eerder die nacht in de [adres delict] , de vermoedelijke oorzaak van de financiële problemen van [naam slachtoffer] , was de verdachte - zo heeft hij zelf erkend - ook aanwezig.

De betrokkenheid van de verdachte bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving is daarmee gegeven.

Van de zijde van [naam slachtoffer] is € 800,- (van zijn bankrekening) en € 4.600,- , in totaal € 5.400,-, aan de daders verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dit geldbedrag in bezit heeft gehad. Bij zijn insluitingsfouillering is immers € 6.029,92 aangetroffen, waarover de verdachte zelf heeft verklaard dat ongeveer € 500,- van hemzelf is, zodat ongeveer € 5.500,- resteert. De hoogte van dat bedrag komt nagenoeg overeen met de € 5.400,-, die namens [naam slachtoffer] is betaald. Niet alleen de hoogte van het in beslag genomen bedrag, maar ook de coupures, te weten onder meer 59 briefjes van € 50 en 44 briefjes van € 20, terwijl [naam getuige] heeft verklaard dat het door haar overhandigde bedrag vooral uit briefjes van € 50 en € 20 bestond, komen in sterke mate overeen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte het op 13 juli 2017 omstreeks 06:00 uur geïncasseerde en het eerder die nacht gepinde geldbedrag bij zich had, op het moment dat hij met de medeverdachte werd aangehouden. De verklaring dat het bij hem aangetroffen geldbedrag van zijn zus afkomstig is, die zojuist de Renault Mégane van hem (althans zijn vriendin) zou hebben gekocht, wordt als niet aannemelijk gepasseerd. De overschrijving van de tenaamstelling van het voertuig heeft immers pas op 31 augustus 2017, dus zes weken na het feit, plaatsgehad. Bovendien is onduidelijk om welke reden zijn zus hem in contanten en in dergelijke ongebruikelijke coupures zou hebben betaald. Ook zijn in het voertuig waarin de verdachte en de medeverdachte zaten, telefoons die in gebruik waren bij [naam slachtoffer] en (in de tas van de medeverdachte) een bankpas op naam van [naam slachtoffer] aangetroffen.

Alle hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, vragen om een verklaring van de verdachte voor wat betreft zijn eigen rol of aandeel in het geheel. Bij de politie, noch op zitting heeft de verdachte die verklaring willen geven. Zijn raadsvrouw stelt zich weliswaar op het standpunt dat de verdachte zich in dezelfde positie als [naam slachtoffer] heeft bevonden, maar de verdachte heeft dit verder geen handen en voeten willen geven en het dossier bevat geen gegevens die deze stelling ondersteunen. De verdachte heeft derhalve aangaande de voornoemde voor hem bezwarende en voor het bewijs redengevende omstandigheden geen redelijke verklaring gegeven, welke die redengevendheid ontzenuwt. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een substantiële bijdrage aan het ten laste gelegde heeft geleverd, zodat hij als medepleger moet worden aangemerkt. Daarbij overweegt de rechtbank dat is gebleken dat [naam slachtoffer] zich op het moment van de overdracht van het geld op 17 juli 2017 om 06:00 uur niet vrij voelde om weg te gaan, zodat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte reeds met zijn aanwezigheid in de auto op dat moment een belangrijke bijdrage aan het ten laste gelegde feit heeft geleverd.

4.3.3

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.4

Feit 2

4.4.1

Standpunt officier van justitie

Tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving hebben de verdachte en zijn medeverdachte op onrechtmatige wijze de beschikking gehad over goederen van [naam slachtoffer] , waaronder zijn telefoons en bankpas. Gelet hierop kan het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden.

4.4.2

Beoordeling

In de door de medeverdachte gehuurde zwarte Volkswagen Golf zijn telefoons van [naam slachtoffer] en in het tasje van de medeverdachte [naam medeverdachte] is een bankpas op naam van [naam slachtoffer] aangetroffen. Een bewijsmiddel waaruit blijkt dat de verdachte zich deze goederen - al dan niet in vereniging - wederrechtelijk heeft toegeëigend, ontbreekt echter. Gelet hierop kan de ten laste gelegde diefstal, noch de ten laste gelegde verduistering, bewezen worden verklaard.

Het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.5

Feit 3

4.5.1

Standpunt raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de vraag opgeworpen of de onder de verdachte inbeslaggenomen hoeveelheid wit poeder overeenkomt met het materiaal waarvan in het NFI-rapport van 27 september 2017 is vastgesteld dat het cocaïne bevat. De raadsvrouw refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.

4.5.2

Beoordeling

Met de raadsvrouw stelt de rechtbank vast dat het goednummer zoals vermeld in de kennisgeving van inbeslagname van 16 juli 2017 (te weten [goednummer] )

en het goednummer zoals vermeld in het proces-verbaal van verdovende middelen van
9 september 2017 ( [nummer proces-verbaal] ) en waaraan het SIN-nummer [SIN-nummer] is gekoppeld, van elkaar verschillen.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toegelicht dat deze verschillende goednummers het gevolg zijn van overdracht van het zaaksdossier van de Eenheid Alphen aan den Rijn-Gouda naar de Eenheid Rotterdam, zoals ook kan blijken uit de koptekst van de betreffende processen-verbaal.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat op basis van hetgeen zich hieromtrent in het dossier bevindt, twijfel bestaat of sprake is van één en hetzelfde goed.


Het onder 3 ten laste gelegde is daarmee niet wettig en overtuigend bewezen, zodat ook ten aanzien van dit feit vrijspraak dient te volgen

4.6

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 13 juli 2017 te Gouda en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet

- die [naam slachtoffer] (tegen diens wil) in een personenauto laten plaatsnemen en (vervolgens) met die personenauto weggereden, en

- ( daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Je schuld is 29.000 euro" en "je wordt vrijgelaten als je 10.000 euro betaalt" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,

en dusdoende die [naam slachtoffer] gedurende enige tijd hebben belet te gaan waarheen die [naam slachtoffer] wilde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

1
Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn mededader hebben [naam slachtoffer] tegen zijn wil van zijn vrijheid beroofd. Wederrechtelijke vrijheidsberoving is een zeer ernstig feit. Uit het contact dat [naam slachtoffer] tijdens de vrijheidsberoving met zijn vriendin en familieleden had, volgt dat hij erg angstig is geweest en zelfs voor zijn leven heeft gevreesd. Ook de familieleden en partner van [naam slachtoffer] hebben in grote angst verkeerd.

Bij het bepalen van de strafsoort en strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, te weten een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten en dat hij in een proeftijd liep.

Uit het op 12 september 2018 opgemaakte rapport van Reclassering Nederland volgt dat de verdachte geen openheid van zaken lijkt te geven, zodat de noodzaak van reclasseringstoezicht niet duidelijk is geworden. Positief is dat de verdachte meewerkt aan een lopende meldplicht, een (alcohol/geweld)training heeft volbracht en dat hij momenteel beschikt over zelfstandige woonruimte, een baan en een stabiel inkomen. Ook positief is het goede contact dat verdachte heeft met zijn familie en zijn vriendin. Bij de huidige gesloten houding van de verdachte lijkt oplegging van een nieuw reclasseringstoezicht niet van toegevoegde waarde. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, nu de reclassering niet tot oplegging van bijzondere voorwaarden heeft geadviseerd. Evenmin zijn andere omstandigheden aan het licht gekomen die daartoe aanleiding geven, temeer nu eerdere voorwaardelijke straffen er niet toe hebben geleid dat de verdachte niet opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Beoordeling

Onder de verdachte is € 6.029,95 in beslag genomen.

Ten aanzien van een gedeelte van het inbeslaggenomen bedrag, te weten € 5.400,-, zal een last worden gegeven tot teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [naam slachtoffer] . Dit bedrag is gelijk aan de door de familie van [naam slachtoffer] aan de verdachten betaalde geldsom van € 4.600,-, plus het van de rekening van [naam slachtoffer] gepinde bedrag van € 800,-.

Het resterende gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten € 629,95, behoort aan de verdachte toe. Ten aanzien van dit deel zal derhalve een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 16 januari 2017 van de politierechter in de rechtbank Den Haag is de verdachte ter zake van poging zware mishandeling en mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 26 juni 2017.

9.2.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf. Het verzoek van de raadsvrouw de proeftijd te verlengen wordt gepasseerd, nu de verdachte moet worden geacht in voldoende mate een herkansing te hebben gehad, maar zich desalniettemin wederom aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van € 629,95:

- gelast de teruggave aan de rechthebbende [naam slachtoffer] van € 5.400,-;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 16 januari 2017 van de politierechter in de rechtbank Den Haag aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van twee maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en F. Wegman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2019.

De griffier en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 juli 2017 te Gouda en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en één of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [naam slachtoffer] (tegen diens wil) in een personenauto laten plaatsnemen en/of (vervolgens) is/zijn met die personenauto weggereden, en/of

- meermalen, althans eenmaal een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp gericht en/of getoond aan die [naam slachtoffer] , althans voorhanden gehad, en/of

- ( daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Je schuld is 29.000 euro" en/of "je wordt vrijgelaten als je 10.000 euro betaalt" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [naam slachtoffer] (met kracht) tegen het lichaam geslagen/gestompt,

en dusdoende die [naam slachtoffer] gedurende enige tijd heeft/hebben belet te gaan waarheen die [naam slachtoffer] wilde;

2.

hij op of omstreeks 13 juli 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en/of (een) mobiele telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij op of omstreeks 13 juli 2017 te Rotterdam tezeunen en in vereniging met een

of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een bankpas en/of (een) mobiele telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij op of omstreeks 13 juli 2017 te Gouda, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.