Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6140

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
ROT 18/4444
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening en verjaring van terugvordering bijstand. In geschil is de door de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1372, onbeantwoorde vraag of, ondanks verjaring, artikel 6:131, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) verweerder het recht geeft om tot verrekening over te gaan. Terugvordering dateert van vóór inwerkingtreding van de vierde tranche Awb, zodat op grond van artikel 6:131, eerste lid, van het BW de terugvordering, ondanks verjaring, verrekend mag worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/4444

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31juli 2019 in de zaak tussen

[Naam] , te [Plaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.J. Hüsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Tang.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser om kwijtschelding van zijn openstaande vorderingen afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Bij de sluiting van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst in afwachting van een mogelijk richtinggevende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Partijen hebben nadere reacties ingediend.

Op 29 april 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over verrekening en verjaring.

Verweerder heeft vervolgens nog een reactie ingediend, waarna de rechtbank het onderzoek gesloten heeft.

Overwegingen

1. Bij twee besluiten van 21 augustus 2002 is er bijstand van eiser teruggevorderd tot bedragen van € 25.293,85 en € 113,45. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers verzoek om kwijtschelding afgewezen.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de vordering op hem is verjaard dan wel dat het recht op invordering is verjaard. In het tijdvak na 2003 zijn er gedurende meer dan 5 jaar geen voor eiser kenbare incassoactiviteiten verricht en heeft hij geen brieven ontvangen die de verjaring hebben gestuit.

3. In geschil is uitsluitend nog de – door de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1372, onbeantwoorde – vraag of, ondanks verjaring, artikel 6:131, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) verweerder het recht geeft om tot verrekening over te gaan. Eiser heeft in dit verband gewezen op de totstandkomingsgeschiedenis van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Bij de vierde tranche is artikel 4:104 in de Awb opgenomen, waarin het volgende is bepaald:

“(…)

2. Na voltooiing van de verjaring kan het bestuursorgaan zijn bevoegdheden tot aanmaning en verrekening en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen.”

5. Het voor deze zaak relevante overgangsrecht is vastgelegd in artikel III, eerste lid, van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht), waarin het volgende is vermeld:

“Op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.”

Uit deze bepaling volgt dat, nu de verplichting tot betaling van een geldsom vóór de inwerkingtreding van de vierde tranche (per 1 juli 2009) is ontstaan, de vierde tranche – en dus artikel 4:104 van de Awb – in dit geval niet van toepassing is en artikel 6:131, eerste lid, van het BW wel. In artikel 6:131, eerste lid, van het BW is bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. Verweerders bevoegdheid om te verrekenen is daarom in dit geval niet vervallen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 31 juli 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.