Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6037

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
10/711005-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Salamander. Groep jongens mishandelt slachtoffer na afspraak voor een-op-eengevecht. Civiele vordering: niet redelijk om door slachtoffer ontvangen donaties van burgers (als voordeel uit strafbare feit) te verrekenen met door feit veroorzaakt nadeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/711005-19

Datum uitspraak: 16 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2004 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 15 juli 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de algemene voorwaarde dat de verdachte geen strafbare feiten pleegt;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit de leerstraf Tools4U Regulier voor de duur van 20 uur, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 18 januari 2019 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, op

de openbare weg, Salamanderveen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] , welk geweld bestond uit het

- slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen tegen het hoofd en/of de

rug en/of de buik en/of een heup en/of een zij en/of de nek en/of een

schouder en/of de armen en/of de benen van die

[naam slachtoffer] en

- gooien van een fiets op die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

Een groep jongeren heeft zich schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging tegen een veertienjarige jongen. Tot deze groep behoorde de veertienjarige verdachte. Het latere slachtoffer had een afspraak om te vechten met een vriend van de verdachte. Toen dit een-op-eengevecht was afgelopen, is de groep geweld gaan gebruiken tegen het slachtoffer. Er is daarbij ernstig geweld toegepast, waaronder het schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft ook tweemaal - kort - zijn bewustzijn verloren.

Het met meerderen een persoon zo aftuigen, is een laffe actie. De verdachte mag van geluk spreken dat het slachtoffer er nog genadig van af is gekomen. Op een paar blauwe plekken en een opgezwollen oor na, heeft het slachtoffer geen ander (lichamelijk) letsel opgelopen. Gelet op het gebruikte geweld had het veel ernstiger kunnen aflopen.

Dergelijk geweld, door een groep gepleegd, kan voor een slachtoffer een angstige en zelfs traumatische ervaring zijn. Een slachtoffer van dit geweld kan nog lang de negatieve gevolgen daarvan ervaren. Ook voor omstanders en andere personen die ervan kennis nemen, kan dit een nare en schokkende ervaring zijn. In dit geval hebben ook andere personen van het geweld kennis genomen, nu velen de van het geweld gemaakte filmpjes hebben gezien die via de sociale media zijn verspreid en ook door de traditionele media zijn uitgezonden. Deze filmpjes hebben tot vele reacties geleid waaruit blijkt dat de samenleving geschokt is.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

1 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 maart 2019. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Er is sprake van een veilige opvoedsituatie met betrokken ouders en oma, die voldoende toezicht op de verdachte houden. Er is geen sprake van schoolverzuim en de verdachte toont motivatie voor school. Toch ziet de Raad ook enkele risicofactoren bij de verdachte die samenhangen met een verhoogde kans op delictgedrag. De verdachte mist een positieve gestructureerde vrijetijdsbesteding en de indruk is dat de verdachte enige moeite ervaart met zijn emotie-regulatie waardoor boosheid bij hem kan ontstaan. Ondanks dat de Raad het recidive-risico als laag beoordeeld, acht de Raad het van belang dat er meer zicht komt op de oorzaken van de boosheid van de verdachte en wat hem hierbij kan helpen. Om bovengenoemde redenen adviseert de Raad de leerstraf TACt (35 uur) en een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De gedragsinterventie TACt richt zich op zowel oplossingsvaardigheden, emotie-regulatie als boosheidcontrole. Door zowel een leerstraf als een werkstraf ervaart de verdachte dat dergelijk gedrag onacceptabel is en gevolgen met zich brengt. De Raad heeft ook overwogen om de begeleiding van de jeugdreclassering voort te zetten, maar is van mening dat de ouders voldoende in staat zijn om de verdachte te ondersteunen om herhaling van delictgedrag te voorkomen.

Uit het evaluatieverslag van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering), gedateerd 11 juli 2019, volgt het advies om aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf en de leerstraf Tools4U op te leggen.

Ter zitting heeft de jeugdreclasseerder [naam jeugdreclasseerder] naar voren gebracht dat het goed gaat met de verdachte. Er zijn geen problemen thuis of op school en de verdachte gaat over naar het volgende schooljaar. Ook heeft de verdachte zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. De jeugdreclassering blijft bij het gegeven advies om aan de verdachte de leerstraf Tools4U Regulier op te leggen, nu de verdachte volgens de jeugdreclasseerder geen agressieprobleem heeft.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie, gezien het feit dat het leven van de verdachte stabiel is en die stabiliteit door een jeugddetentie zal worden doorkruist met alle risico’s die daarmee samen hangen. In plaats daarvan wordt een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een leerstraf opgelegd en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie. Deze voorwaardelijke straf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan de Raad ziet de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor de conclusie dat de verdachte een agressieprobleem heeft. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding, mede op basis van het advies van de jeugdreclasseerder, om aan de verdachte een agressieregulatie-training op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de straffen zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , voor wie

mr. M.P. de Klerk als gemachtigde optreedt, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 969,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het gevraagde schadebedrag toe te wijzen en dit bedrag onder de veroordeelden te verdelen. De verdachte is vanwege de mate van het door hem gebruikte geweld een kwart van het totaalbedrag toe te rekenen, zijnde € 242,25. Ook dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat de schade al in veelvoud is vergoed door de bedragen die (de ouders) van de benadeelde partij naar aanleiding van doneeracties hebben ontvangen.

8.3.

Beoordeling

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat uitkeringen die derden uit vrijgevigheid in verband met de schadetoebrenging hebben gedaan in beginsel niet voor verrekening in aanmerking komen in het kader van artikel 6:100 van het Burgerlijk Wetboek. Aannemelijk is dat de donaties uit ideële motieven zijn gedaan en onverplichte giften betreffen van betrokken burgers om de benadeelde partij en zijn gezin te steunen in een moeilijke periode. In een dergelijk geval acht de rechtbank het niet redelijk rekening te houden met deze donaties bij het vaststellen van de door de daders toegebrachte immateriële schade.

Vast staat dat de benadeelde partij voorafgaand aan het bewezen verklaarde strafbare feit al bekend was met gedragsproblemen en psychische problematiek. De benadeelde partij dient zoveel mogelijk in de toestand te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien het strafbare feit niet zouden hebben plaats gehad. Daarnaast kunnen de gevolgen voor de benadeelde partij door de media-aandacht niet als een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde worden aangemerkt. Deze gevolgen dienen niet bij de vaststelling van de schade te worden meegenomen. De door de benadeelde partij geleden schade zal op basis van de op dit moment gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op in totaal € 750,-.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij in beginsel samen voor het geheel aansprakelijk. De rechtbank zal de verdachte echter veroordelen tot betaling aan de benadeelde partij van zijn, verdachtes, aandeel. De rechtbank houdt daarbij de verdeling onder de veroordeelden aan, zoals gevorderd door de officier van justitie aan. Dit betekent dat de verdachte een kwart van het totaalbedrag moet voldoen, zijnde € 187,50.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan een uitgebreide nadere behandeling vereist. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 januari 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 187,50, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) weken,

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 32 (tweeëndertig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 16 dagen;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 20 (twintig) uur, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject Tools4U Regulier van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 187,50 (zegge: honderdzevenentachtig euro en vijftig eurocent), bestaande uit € 187,50 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 187,50 (hoofdsom, zegge: honderdzevenentachtig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Benaissa, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A. Verweij en A.A.J. de Nijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.R. van Staveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 januari 2019 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,, op

of aan de openbare weg, Salamanderveen, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] , welk

geweld bestond uit het

- slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen tegen het hoofd en/of de

rug en/of de buik en/of een heup en/of een zij en/of de nek en/of een

schouder en/of de armen en/of de benen, althans het lichaam, van die

[naam slachtoffer] en/of

- gooien van een fiets op die [naam slachtoffer] .