Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5993

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
10/750245-18 TUL VV: 10/102747-15 en 10/741154-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietpartij in woning met dodelijk slachtoffer. De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een ripdeal en dat de verdachte en zijn medeverdachte zich als medepleger schuldig hebben gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag. Hij wordt veroordeeld tot 12 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750245-18

Parketnummers vordering TUL VV: 10/102747-15 en 10/741154-16

Datum uitspraak: 19 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 juli 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaken met parketnummers 10/102747-15 en 10/741154-16.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – betoogd dat geen sprake is geweest van enig opzet op de dood van het slachtoffer [naam slachtoffer] (hierna [naam slachtoffer] ), omdat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen bij de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte] ).

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van het volgende. In de ochtend van 15 juni 2018 hebben de verdachte en [naam medeverdachte] chatcontact over het sluiten van een drugsdeal met “iemand die uit Roermond komt” en die 800 gram cocaïne zou willen kopen voor € 24.000,-. Door de verdachte is voor de afhandeling van die deal de woning aan het [adres delict] (hierna: de woning) geregeld. Die persoon uit Roermond is [naam slachtoffer] . Aan de hand van instructies van de verdachte heeft [naam slachtoffer] rond 16:30 uur zijn auto geparkeerd in de buurt van het [adres delict] . Hij heeft vervolgens een ontmoeting met de verdachte, met wie hij is teruggelopen naar zijn auto en daar een sporttas uit heeft gepakt. Daarna zijn ze samen naar de woning gelopen. [naam medeverdachte] was daar toen al aanwezig.

In de woning zijn omstreeks 16:50 uur drie schoten gelost, waarvan er twee [naam slachtoffer] , die dood in het portiek van de woning is aangetroffen, hebben geraakt. Er zijn bij hem twee kogeltrajecten geïdentificeerd: 1 doorschot van linker hals naar rechterflank en 1 inschot van linker hals-/schouderstreek naar de rechterbuik. Hierdoor is [naam slachtoffer] overleden aan orgaanfunctiestoornissen.

Bij het verlaten van de woning heeft de verdachte nog “Tire, tire!” geroepen, ofwel "Schiet hem, schiet hem!" in het Papiaments. Verder is door de verdachte de sporttas, die [naam slachtoffer] eerder uit zijn auto had gepakt, meegenomen. Hij en [naam medeverdachte] zijn vervolgens in een zwarte Opel Corsa met het kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) gestapt en naar de woning van de moeder van de verdachte aan het [adres 1] in Rotterdam gereden. Ongeveer een uur later zijn beiden aanwezig op de [adres 2] , waar hun vriendinnen wonen. Daar heeft de verdachte zich omgekleed en geschoren, waarna hij weer is vertrokken met de auto.

Rond 21:30 uur is de verdachte in de auto aangehouden. Hij had toen een bedrag van

€ 2.250,- bij zich. In de auto is ook nog ruim € 3.500,- gevonden. [naam medeverdachte] is ruim een week later aangehouden bij zijn halfzus in Krimpen aan den IJssel.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de verdachte en [naam medeverdachte] de bedoeling hadden om [naam slachtoffer] van zijn geld te beroven. Met andere worden: is er sprake geweest van een ripdeal? Daartoe wordt het volgende overwogen.

In het hiervoor genoemde chatcontact met [naam medeverdachte] heeft de verdachte volgens de tolk Papiamento gesproken over een huis dat geregeld moet worden om “mensen op te lichten (optillen)”. Het in het spraakbericht gebruikte woord is ‘lanta’. Dit woord kent verschillende betekenissen. Volgens de verdediging heeft de verdachte het bedoeld in de betekenis van ‘wakker maken’. Het is de rechtbank ondanks de toelichting echter niet duidelijk geworden hoe die betekenis binnen de context van het spraakbericht moet worden begrepen. Daarom gaat zij uit van de juistheid van de betekenis die de tolk eraan heeft gegeven, namelijk die van “oplichten/rippen”.

Verder blijkt nergens uit dat de verdachte en [naam medeverdachte] daadwerkelijk een partij van 800 gram cocaïne hebben geregeld om hun kant van de deal na te komen. In de spraakberichten van 15 juni 2018 wordt wel gesproken over het regelen van een huis, maar niets over de cocaïne. Dat zij, zoals verklaard, op het balkon bij de woningen van hun vriendinnen met elkaar hebben afgesproken dat [naam medeverdachte] de cocaïne zou regelen, wordt niet aannemelijk geacht gezien de korte termijn waarop de deal moest plaatsvinden, namelijk nog dezelfde dag, en omdat de overige afspraken wel via de telefoon zijn gemaakt.

Uit het dossier kan evenmin worden opgemaakt dat [naam medeverdachte] , zoals hij heeft verklaard, de cocaïne uit de woning heeft meegenomen en heeft teruggebracht naar de leverancier. Door hem is op zitting verteld dat hij na de vlucht uit de woning het pakket met de cocaïne in de linkerzak van zijn hoodie heeft gestopt en dat hij daar zijn hand op hield toen hij en de verdachte op weg waren naar de auto. De beschikbare camerabeelden bieden echter geen steun aan deze verklaring. Op die beelden is namelijk te zien dat [naam medeverdachte] zijn linkerarm los langs zijn lichaam beweegt. Verder is niet te zien dat hij iets in zijn linkerzak heeft. Hierbij komt dat aan de hand van de nodige technische gegevens kan worden vastgesteld dat de verdachte en [naam medeverdachte] na afloop van de schietpartij in een rechte lijn met de auto naar het [adres 1] zijn gereden. Er zijn dus geen aanknopingspunten voor hun verklaring dat zij eerst het wapen en de drugs hebben weggebracht.

Vaststaat verder dat de verdachte de sporttas van [naam slachtoffer] heeft meegenomen. Hij deed dit naar eigen zeggen in paniek omdat hij bang was dat er een vuurwapen in de tas zat en [naam slachtoffer] achter hem aan zou komen. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk. Nog daargelaten dat moeilijk voorstelbaar is dat de verdachte in de door hem beschreven situatie eraan heeft gedacht om die tas mee te nemen, zijn in het dossier geen aanwijzingen te vinden voor de ernstige paniek waarin hij en [naam medeverdachte] beweerden te verkeren. Zo heeft een getuige aangegeven dat hij ze buiten nog heeft zien praten en dat zij rustig wegliepen. Ook uit de camerabeelden kan die paniek niet zonder meer worden afgeleid.

De rechtbank gaat er vanuit dat de tas om een andere reden is meegenomen, namelijk omdat daarin geld zou zitten. Daarvoor is het volgende redengevend. Alles wijst erop dat [naam slachtoffer] voor een drugsdeal naar Rotterdam is gekomen. Niet lang daarvoor had hij tegen contante betaling zijn auto verkocht. Bovendien is bij de verdachte enkele uren na de schietpartij een groot bedrag aan contant geld aangetroffen zonder dat hij hiervoor een aannemelijke verklaring heeft. De verklaring van de verdachte dat dit geld afkomstig was van zijn familie is dat niet, omdat dit geld al in november 2017 contant is opgenomen volgens de afschriften.

De hiervoor op de bewijsmiddelen gebaseerde en besproken feiten en omstandigheden brengen, in onderling verband en samenhang bezien, de rechtbank tot de vaststelling dat de verdachte en [naam medeverdachte] van begin af aan het plan hadden om [naam slachtoffer] van zijn geld te beroven, een ‘ripdeal’ dus, en dat hierbij sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen hen beiden.

De volgende vraag is of zij nu ook (voorwaardelijke) opzet hebben gehad op de dood van [naam slachtoffer] . Geoordeeld wordt dat het meenemen van een vuurwapen naar een voorgenomen ripdeal en daarmee vervolgens ook te schieten op zijn minst het voorwaardelijk opzet op de dood van [naam slachtoffer] oplevert. Opvallend is bovendien dat uit de vastgestelde kogeltrajecten in het lichaam van [naam slachtoffer] kan worden afgeleid dat gericht op hem is geschoten en dat dus niet zozeer sprake was van een waarschuwing of blinde paniek. Dat, zoals verklaard, de verdachte niet wist dat [naam medeverdachte] een vuurwapen had, is niet aannemelijk en kan verder ook in het midden blijven. Gelet namelijk op de gedragingen van de verdachte en [naam medeverdachte] voor, tijdens en na het plaatsvinden van de ripdeal, de daarbij gevolgde werkwijze, één en ander in onderling verband bezien, hebben zij met betrekking tot het feit zodanig hecht en intensief samengewerkt dat niet van belang is wie van hen welke rol bij of rond het plegen van het feit heeft vervuld, zodat zij afzonderlijk als medepleger van het feit en daarom als dader dienen te worden aangemerkt.

Uit het voorgaande volgt al dat de door de verdachte en [naam medeverdachte] afgelegde verklaringen niet worden gevolgd. Hierbij kan niet onopgemerkt blijven dat deze verklaringen in het bijzonder kritisch bekeken moesten worden omdat zij na meer dan elf maanden zwijgen kort voor de zitting ( [naam medeverdachte] ) en tijdens de zitting (de verdachte) zijn afgelegd, toen het dossier compleet was.

Conclusie

De rechtbank acht kortom de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag bewezen.

4.3

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Hij,

op 15 juni 2018 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander,

een persoon genaamd [naam slachtoffer] , van het leven heeft beroofd,

immers hebben

verdachte en/of zijn mededader opzettelijk, meermalen

met een vuurwapen meerdere kogels op/door de hals

van die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van

enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld in

vereniging, een

sporttas van het merk Nike, en welke doodslag

werd gepleegd met het oogmerk het bezit van

het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het wederrechtelijk verkregene aan zichzelf of anderen te verzekeren.

Strafbaarheid

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer. Dit is gebaseerd op de verklaringen van de verdachte en [naam medeverdachte] over de gebeurtenissen in de woning. Door de rechtbank is hiervoor al overwogen dat deze verklaringen niet worden gevolgd en dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om [naam slachtoffer] van zijn geld te beroven waarbij een vuurwapen is meegenomen. Dus wat de situatie in de woning ook is geweest de verdachte en [naam medeverdachte] hebben zelf de confrontatie gezocht. Gelet hierop faalt het beroep op noodweer. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Voor zover de verdediging ook een beroep heeft gedaan op noodweerexces, wordt dat alleen al verworpen omdat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een noodweersituatie. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2

Feiten waarop de straf zijn gebaseerd

De verdachte heeft samen met [naam medeverdachte] het vooropgezette plan gehad om het latere slachtoffer, [naam slachtoffer] , van geld te beroven waarmee hij drugs wilde kopen, ofwel om een ‘ripdeal’ te plegen. Het slachtoffer is op klaarlichte dag naar een woning gelokt met het idee daar cocaïne te gaan kopen. In die woning is daarbij van zeer dichtbij op het slachtoffer geschoten, waardoor hij is komen te overlijden. De verdachten zijn vervolgens met de tas van het slachtoffer ervandoor gegaan. Dit is een heel ernstig feit. De dood van het slachtoffer laat diepe sporen na in het leven van de nabestaanden en andere mensen in de omgeving van het slachtoffer. De gevolgen zijn op de zitting duidelijk naar voren gebracht door de vriendin van het slachtoffer. In haar verklaring heeft zij beschreven hoe de verdachten onherstelbaar leed hebben toegebracht aan haar en haar zeer jonge kinderen en dat zij verder zullen moeten zonder hun vriend en vader. Naast dit voorstelbare leed, versterkt een dergelijk geweldsmisdrijf in zijn algemeenheid de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Dit alles wordt de verdachte zeer zwaar aangerekend.

7.3

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

11september 2018. Hierin ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om in

strafverhogend dan wel strafverlagende zin rekening te houden.

7.4

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Verder is enigszins rekening gehouden met de omstandigheid dat het gaat om een misdrijf binnen het criminele milieu, waarbij het slachtoffer zich ook schuldig wilde maken aan strafbare feiten. Mede om die reden valt de straf lager uit dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen GSM (Samsung G386f, [nummer] ) verbeurd te verklaren en de inbeslaggenomen geldbedragen

terug te geven aan de rechthebbende.

8.2

Beoordeling

De in beslag genomen GSM zal worden verbeurd verklaard. Het bewezen feit is met behulp van dit voorwerp voorbereid.

Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.714,66 aan materiële schade (€ 762,66 reiskosten en € 952,- kosten met betrekking tot de uitvaart).

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaald is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] kortom een schadevergoeding betalen van € 1.714,66, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.687,50 aan materiële schade wegens gederfd levensonderhoud.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaald is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] kortom een schadevergoeding betalen van € 4.687,50, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Benadeelde partij [naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.950,- aan materiële schade wegens gederfd levensonderhoud.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaald is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] kortom een schadevergoeding betalen van € 3.950,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Benadeelde partij [naam benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van

€ 20.000,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij doet een beroep op de Wet Affectieschade. Met de komst van deze wet kunnen naasten en nabestaanden van slachtoffers van een ongeval of geweldsmisdrijf aanspraak maken op een forfaitaire vergoeding. Echter, het tenlastegelegde feit is voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2019 gepleegd en die wet is alleen van toepassing op feiten op of na die datum gepleegd. Dit heeft tot gevolg dat de benadeelde partij geen beroep kan doen op deze wet. De benadeelde partij zal in de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Benadeelde partij [naam benadeelde 5]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij doet een beroep op de Wet Affectieschade. Met de komst van deze wet kunnen naasten en nabestaanden van slachtoffers van een ongeval of geweldsmisdrijf aanspraak maken op een forfaitaire vergoeding. Echter, het tenlastegelegde feit is voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2019 gepleegd en die wet is alleen van toepassing op feiten op of na die datum gepleegd. Dit heeft tot gevolg dat de benadeelde partij geen beroep kan doen op deze wet. De benadeelde partij zal in de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Benadeelde partij [naam benadeelde 6]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het onder subsidiair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij doet een beroep op de Wet Affectieschade. Met de komst van deze wet kunnen naasten en nabestaanden van slachtoffers van een ongeval of geweldsmisdrijf aanspraak maken op een forfaitaire vergoeding. Echter, het tenlastegelegde feit is voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2019 gepleegd en die wet is alleen van toepassing op feiten op of na die datum gepleegd. Dit heeft tot gevolg dat de benadeelde partij geen beroep kan doen op deze wet. De benadeelde partij zal in de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Benadeelde partij [naam benadeelde 7]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.182,01 aan materiële schade (kosten uitvaart niet vergoed door uitvaartverzekering) en een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van immateriële schade doet de benadeelde partij een beroep op de Wet Affectieschade. Met de komst van deze wet kunnen naasten en nabestaanden van slachtoffers van een ongeval of geweldsmisdrijf aanspraak maken op een forfaitaire vergoeding. Echter, het tenlastegelegde feit is voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2019 gepleegd en die wet is alleen van toepassing op feiten op of na die datum gepleegd. Dit heeft tot gevolg dat de benadeelde partij geen beroep kan doen op deze wet. De benadeelde partij zal in de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (voor een gedeelte) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 7] kortom een schadevergoeding betalen van € 2.182,01, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vorderingen tenuitvoerlegging

10.1

Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 18 augustus 2015 van de politierechter van deze rechtbank met parketnummer 10/102747-15 is de verdachte ter zake van mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, en bedreiging met zware mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan een gedeelte groot 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 2 september 2015.

Bij vonnis van 22 maart 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank met parketnummer 10/741154-16 is de verdachte ter zake van openlijk geweld in vereniging en het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie met betrekking tot een vuurwapen van categorie III veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 6 april 2018.

10.2

Beoordeling

Parketnummer 10/102747-15

Bij vonnis van 22 maart 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf al toegewezen. Daarom zal de officier van justitie niet ontvankelijk worden verklaard.

Parketnummer 10/741154-16

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partijen [naam benadeelde 4] , [naam benadeelde 5] en [naam benadeelde 6] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen [naam benadeelde 4] , [naam benadeelde 5] en [naam benadeelde 6] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 1.714,66 (zegge: zeventienhonderdveertien euro en zesenzestig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 1.714,66 (hoofdsom, zegge: zeventienhonderdveertien euro en zesenzestig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 1.714,66 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 27 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2], te betalen een bedrag van € 4.687,50 (zegge: vierduizendzeshonderd zevenentachtig euro en vijftig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 4.687,50 (hoofdsom, zegge: vierduizendzeshonderdzevenentachtig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 4.687,50 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 56 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 3.950,- (zegge: drieduizendnegenhonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 3.950,- (hoofdsom, zegge: drieduizendnegenhonderd en vijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 3.950,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 49 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7], te betalen een bedrag van € 2.182,01 (zegge: tweeduizendhonderdentweeëntachtig euro en één eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 7] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 7] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 7] te betalen € 2.182,01 (hoofdsom, zegge: tweeduizendhonderdentweeëntachtig euro en één eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.182,01 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 31 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7], waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 maanden, van de bij vonnis van 22 maart 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf : de Samsung G386f, [nummer] )

- gelast de teruggave aan verdachte van de geldbedragen onder 1 t/m 5 in totaal € 5.770,-.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en B. Krijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. van den Bosch, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij,

op of omstreeks 15 juni 2018 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer]

, van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met een vuurwapen

(meerdere) kogel(s) op/door de hals althans het lichaam van die [naam slachtoffer]

geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

Hij,

op of omstreeks 15 juni 2018 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een persoon genaamd [naam slachtoffer] , van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk, (meermalen)

met een vuurwapen (meerdere) kogel(s) op/door de hals, althans het lichaam

van die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten (poging tot) diefstal (met geweld) in

vereniging, van een hoeveelheid geld en/of verdovende middelen en/of een

sporttas van het merk Nike, in elk geval van enig goed, en welke doodslag

werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van

het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

Hij,

op of omstreeks 15 juni 2018 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] , van het leven heeft

beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk, (meermalen) met een vuurwapen (meerdere) kogel(s) op/door de v.

hals, althans het lichaam van die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan

voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

Hij,

op of omstreeks 15 juni 2018 te Rotterdam, althans in Nederland, ,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid geld en/of verdovende middelen en/of een sporttas van hot merk

Nike, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer] ,

in elk geval aan anderen of een ander dan aan hem, verdachte en/of zijn

mededader (s)

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer (s) aan voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene

te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk

(meermalen} met een vuurwapen (meerdere) kogel(s) op/door de hals, althans

het lichaam van die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer]

is overleden.