Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5912

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
C/10/537779 / HA ZA 17-1014
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft het Hoogheemraadschap onrechtmatig gehandeld door het oppervlaktewaterpeil niet op het in het peilbesluit opgenomen niveau te handhaven? Het lagere peil heeft gevolgen voor grondwaterpeil en volgens eiser is zijn woning daardoor verzakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/537779 / HA ZA 17-1014

Vonnis van 3 juli 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. R.C.H. Schrömbges te Lent,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E. Smits te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Hoogheemraadschap genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 oktober 2017;

  • -

    de akte overleggen producties van [eiser] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis (in de vorm van een brief) van 10 januari 2018 waarbij een comparitie is bepaald;

  • -

    de brief van 24 januari 2018 van de rechtbank waarin een zittingsagenda is opgenomen;

  • -

    de bij brief van 9 april 2018 door [eiser] overgelegde producties;

  • -

    de akte overleggen producties van het Hoogheemraadschap;

  • -

    het proces-verbaal van de op 24 april 2018 gehouden comparitie, alsmede de bij die gelegenheid overlegde pleitaantekeningen van [eiser] en het Hoogheemraadschap en de brief met een reactie op het proces-verbaal van het Hoogheemraadschap;

  • -

    de akte na comparitie van [eiser] , met producties;

  • -

    de antwoordakte na comparitie tevens akte overleggen productie van het Hoogheemraadschap;

  • -

    de antwoordakte van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 1991 eigenaar van het perceel aan de [adres] te [plaats] en de woonboerderij die sinds ongeveer 1889 op dat perceel staat. [eiser] heeft voor het perceel en het gehele complex aan gebouwen in 1991 een bedrag van € 156.781,00 (NLG 345.500,00) betaald.

2.2.

Het perceel is gelegen in de Nessepolder, waar de bodem voor het grootste deel uit een dik veenpakket bestaat. De hoogte van het waterpeil in de Nessepolder wordt gereguleerd door middel van een stuw bij het Schout Bontenbalpad (hierna: de stuw). De stuw ligt in het zuidwesten van de polder. De woonboerderij bevindt zich in de noordoosthoek van de polder, op een afstand van hemelsbreed tussen 300 meter en 500 meter van de stuw. Op tekeningen is vermeld dat de fundering van de woonboerderij zich op 4,00 m onder NAP bevindt. Tussen de woonboerderij en de stuw ligt een stelsel van sloten en dammen met duikers, via de sloten is de afstand 600 à 700 meter.

2.3.

Het oppervlaktewaterpeil in de Nessepolder is bij peilbesluit van 7 december 1943 vastgesteld op 4,05 m onder NAP. Dit waterpeil is in het peilbesluit van 13 december 1981 gehandhaafd. Daarna is bij peilbesluit van 23 april 2008 het waterpeil vastgesteld op 4,35 m onder NAP. Dit betrof een formalisering van het feitelijke oppervlaktewaterpeil.

2.4.

Na een door (een rechtsvoorganger van) het Hoogheemraadschap op 21 maart 1995 verleende keurvergunning zijn in de buurt van de stuw omstreeks 1997 werkzaamheden verricht voor het aanleggen van twee warmwatertransportleidingen en een CO2-leiding onder de weg en de vaart met de stuw.

2.5.

Na een door (een rechtsvoorganger van) het Hoogheemraadschap op 9 november 1999 verleende keurvergunning aan Groenservice Zuid-Holland (hierna: GZH) zijn in de Nessepolder werkzaamheden verricht voor onder meer het aanleggen van duikers, het vervangen van duikers door grotere duikers en het dempen en graven van watergangen. Op de bij de vergunningsaanvraag behorende tekeningen is een oppervlaktewaterpeil van 4,25 m onder NAP vermeld.

2.6.

Bij brief van 13 december 1999 heeft [eiser] aan het Hoogheemraadschap meegedeeld dat als gevolg van de werkzaamheden van GZH het waterpeil in de sloten rondom de woonboerderij ongeveer 20 cm lager is dan voor aanvang van de werkzaamheden en dat hij zich daarover zorgen maakt omdat de woonboerderij niet onderheid is en er mogelijk maatregelen nodig zijn om het water op peil te houden. Hij verzoekt het Hoogheemraadschap hem per omgaande te melden wat het juiste peil is.

2.7.

Bij brief van 23 maart 2000 heeft het Hoogheemraadschap meegedeeld dat het waterpeil van het oppervlaktewater in de Nessepolder is vastgesteld op 4,05 m onder NAP en van de hoofdwatergang langs de [adres] op 3,90 m onder NAP. Ook is meegedeeld dat op 3 februari 2000 door medewerkers van het Hoogheemraadschap is geconstateerd dat als gevolg van de werkzaamheden geen daling van de waterstand is opgetreden. Voorts is het volgende meegedeeld:

"Inherent aan de grondslag van veenweidegebieden treedt in de loop van de tijd een natuurlijke maaivelddaling op. Het waterpeil is in de periode sinds 1981 als gevolg hiervan gelijkmatig bijgesteld tot een gemiddelde hoogte van NAP -4,25 meter voor de hele polder.

Bij de afvoer van neerslag uit een gebied ondervindt het water weerstand in de sloten en duikers. Deze weerstand zorgt ervoor dat er een verhang (hoogte verschil over een afstand) ontstaat. Hierdoor kunnen verschillen in waterstanden binnen een peilgebied ontstaan.

[…]

In dit specifieke geval is geen direct aanwijsbaar verband geconstateerd tussen de stijging en/of daling van het grondwater als gevolg van de door u gesuggereerde wisselingen in de hoogte van het oppervlaktewater. De ontwatering van percelen is de verantwoordelijkheid van de individuele eigenaar."

2.8.

Bij brief van 1 oktober 2007 heeft [eiser] bij het Hoogheemraadschap een aantal problemen onder de aandacht gebracht waaronder het lagere waterpeil en de volgens hem desastreuze uitwerking die dat op de te restaureren woonboerderij heeft. Hij heeft daarbij meegedeeld dat is gesteld dat het afwijkende waterpeil een fout in de keur betrof, maar dat over vergoeding van schade niet is gesproken. Hij heeft de brief afgesloten met een verzoek om een persoonlijk gesprek.

2.9.

Bij brief van 10 oktober 2007 heeft het Hoogheemraadschap meegedeeld dat de klacht van [eiser] van 1 oktober 2007 is ontvangen en dat deze in behandeling wordt genomen.

2.10.

Bij brief van 24 maart 2009 heeft het Hoogheemraadschap naar aanleiding van een gesprek met [eiser] op 1 juli 2008, meegedeeld dat het de brief van [eiser] van 31 augustus 2008 als schadeclaim in behandeling zal nemen en dat [eiser] dient aan te geven waaruit de schade bestaat en aan te tonen wanneer en waardoor de schade is ontstaan, waartoe hij een rapport van een deskundige dient te laten opstellen.

2.11.

Bij brief van 12 mei 2010 heeft ir. F. Goppel, architect, meegedeeld dat in 2006 door medewerkers van zijn bureau in opdracht van [eiser] een bouwkundige opname van de woonboerderij is verricht ten behoeve van aanstaand herstel. Vermeld is dat bij die opname is geconstateerd dat plaatselijk zeer ernstige scheurvorming is opgetreden en onder het kopje "conclusie en kosten van herstel" dat in 2005 duidelijk is geworden dat een nieuwe fundering onvermijdelijk is (hierna: de brief van Goppel).

2.12.

Bij brief van 14 juni 2010 heeft Fugro Ingenieursbureau B.V. de resultaten van haar in opdracht van [eiser] verrichte onderzoek naar scheurvorming in de gevel van de woonboerderij aan [eiser] toegezonden (hierna: de brief van Fugro). In de brief is onder meer vermeld dat zeer ernstige scheurvorming is geconstateerd op de hoek van de voor- en linkerzijgevel en op andere geveldelen redelijk recente scheuren zijn waargenomen. Ook is geconstateerd dat de gevels in het verleden op diverse plaatsen zijn gerepareerd. De zeer ernstige scheurvorming is naar de mening van Fugro opgetreden tussen 1999 en 2010 en het gevolg van een verlaging van het waterpeil in de aangrenzende sloot en daarmee een verlaging van de grondwaterstand. Fugro heeft voorts onderzoek gedaan naar de grondwaterstand onder de woonboerderij.

2.13.

Bij brief van 31 januari 2011 heeft de (toenmalige) advocaat van [eiser] meegedeeld dat hij de schadeclaim in verband met schade aan de onroerende zaken van [eiser] in behandeling heeft, welke schadevergoedingsplicht wordt gebaseerd op onrechtmatig handelen van het Hoogheemraadschap (niet op nadeelcompensatie).

2.14.

Bij brief van 29 juli 2011 heeft [naam 1] , schadebehandelaar bij Centraal Beheer Achmea (de toenmalige advocaat van) [eiser] bericht over de resultaten van een in verband met de claim van het Hoogheemraadschap op zijn aansprakelijkheidsverzekering door [naam 2] van Achmea Schade Service verricht onderzoek naar de gestelde schade aan de woonboerderij. In het tussenrapport (hierna: het rapport van Achmea) in onder meer het volgende vermeld:

"6.3. Eigen bevindingen

[…]

Tussenconclusie: […] Dus ter plaatse van de kelder is de voorgevel niet verzakt sinds 1991. De aanwezige verzakking is oud.

[…]

Tussenconclusie: […] Dus aanwezige verzakking ter plaatse van de zijgevel (rechtsvoor), van 82 mm over 5 meter is voor het grootste deel eerder ontstaan dan 1991.

[…]

Tussenconclusie: verschil ontstaan sinds 1991 moet kleiner zijn dan 15 mm. Het grootste deel van zettingsverschillen en (gerepareerde) scheuren is ouder dan 1991.

[…]

De huidige aanlegdiepte is inclusief de opgetreden verzakkingen. Uit de metingen kan worden afgeleid dat de oorspronkelijke aanlegdiepte van de buitengevels circa -4,05 m min N.A.P. is geweest. De constructieve binnenmuren zijn circa 50 mm minder diep gefundeerd, dus circa -4,01 m min N.A.P. Dit betekent dat het oorspronkelijke peil, dat teruggaat tot 1946 eigenlijk al te laag was (-4,05 m min N.A.P.).

Het maaiveld rond de woning ligt op circa -3,60 m min N.A.P. Gemiddeld is de aanlegdiepte van de fundering circa 0,45 à 0,5 m ten opzichte van het maaiveld. Dat is naar huidige opvattingen voor degelijk bouwen onvoldoende diep, want niet vorstvrij."

2.15.

Op 2 mei 2013 hebben ing. C.A. de Visser, ing. P.T. den Hertog en ing. L.W. van Pelt van Bureau Helsdingen, een onderzoeks- en adviesbureau voor monumenten en bouwhistorie, in opdracht van [eiser] een "Expertiserapport Verzakkingsschade boerderij ' [naam object] ' [adres] te [plaats] " (de woonboerderij) opgesteld (hierna: het rapport Helsdingen).

2.16.

Bij brief van 30 juli 2013 heeft het Hoogheemraadschap aan [eiser] meegedeeld dat het de schade ter zake de woonboerderij niet vergoedt.

2.17.

Bij brief van 19 december 2013 heeft de (toenmalige) advocaat van [eiser] meegedeeld dat hij een gerechtelijke procedure zal starten.

2.18.

Op 15 maart 2018 heeft ing. D.W. van der Graaf van Hanselman Groep in opdracht van het Hoogheemraadschap een rapport van bevindingen uitgebracht betreffende een onderzoek naar verzakkingschade aan de woonboerderij (hierna: het rapport Hanselman).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert om het Hoogheemraadschap bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen:

1. ten titel van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad, tot betaling binnen veertien dagen nadat vonnis is gewezen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag groot € 342.048,116, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van de proceskosten en eventuele nakosten (voor het geval niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, betaling plaatsvindt), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Het Hoogheemraadschap voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag nadat vonnis is gewezen tot aan de dag der algehele voldoening.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] legt aan zijn vordering tot vergoeding van de schade aan de woonboerderij ten grondslag dat het Hoogheemraadschap onrechtmatig heeft gehandeld door 1) omstreeks 1997 werkzaamheden te laten uitvoeren in de buurt van de stuw waardoor deze is verzakt, als gevolg waarvan het polderpeil na 1997 plotseling is verlaagd, 2) in 1999 dammen te laten verwijderen of van grote duikers te laten voorzien waardoor het water sindsdien zonder enige weerstand naar de stuw kon stromen en het tot dan toe aanwezige verval is verdwenen, en 3) vervolgens het oppervlaktewaterpeil in de periode daarna niet op het in het peilbesluit vermelde niveau te handhaven. Hierdoor is het oppervlaktewaterpeil in de sloot naast, en het grondwaterpeil onder de woonboerderij structureel veranderd. [eiser] verlangt dat het Hoogheemraadschap de schade vergoedt die door dit alles aan de woonboerderij is ontstaan, onder meer bestaande uit een gebroken fundering.

4.2.

In deze procedure is, gelet op de vordering en de onderbouwing daarvan, alleen aan de orde of de schade aan de woonboerderij is veroorzaakt door het gestelde en onder 4.1 kort weergegeven onrechtmatig handelen van het Hoogheemraadschap. Derhalve komen andere mogelijke oorzaken slechts aan de orde in het kader van de bespreking van het verweer van het Hoogheemraadschap dienaangaande.

Het meest verstrekkende verweer van het Hoogheemraadschap houdt in dat de vordering is verjaard.

verjaring

4.3.

Het Hoogheemraadschap heeft aangevoerd dat de vordering ten aanzien van de onder 4.1 sub 1) en 2) vermelde schadeoorzaken is verjaard, terwijl de vordering die gegrond is op de sub 3) vermelde schadeoorzaak is verjaard voor zover het gestelde niet- handhaven zou hebben plaatsgevonden vóór 2002. Volgens het Hoogheemraadschap is de verjaring in elk geval aangevangen op 13 december 1999 toen [eiser] een brief aan het Hoogheemraadschap heeft gezonden waarin hij meedeelde dat de woonboerderij niet onderheid is en er mogelijk maatregelen nodig waren om het water op peil te houden (zie onder 2.6) terwijl [eiser] zich pas op 1 oktober 2007 tot het Hoogheemraadschap heeft gewend met een verzoek om schadevergoeding.

[eiser] heeft bestreden dat de vorderingen verjaard zijn.

4.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde - behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon - daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Het betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden (zie: HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552).

4.5.

Anders dan het Hoogheemraadschap meent, is uit de brief van 13 december 1999 niet op te maken dat [eiser] toen daadwerkelijk bekend was met schade aan de woonboerderij die zou zijn veroorzaakt door het lagere (oppervlakte- en grond-)waterpeil als gevolg van de werkzaamheden in 1997 en/of 1999. Zoals [eiser] heeft aangevoerd, heeft hij enkel aangegeven dat hij zich zorgen maakt over het volgens hem verlaagde waterpeil en dat er mogelijk maatregelen nodig zijn om het water op peil te houden; hij brengt dit in verband met het gegeven dat de woonboerderij niet onderheid is. Omtrent daadwerkelijke schade heeft [eiser] niets gesteld. Het gaat hoogstens om bezorgdheid over dreigende schade.

Daarmee zijn de omstandigheden van dit geval onvergelijkbaar met de omstandigheden in de uitspraak waarnaar het Hoogheemraadschap heeft verwezen, te weten Hoge Raad 11 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC1238), waarin de eigenaar van de woning reeds had gewezen op schade. Nu het enkele vermoeden van dreigende schade onvoldoende is om de verjaring te doen aanvangen, wordt het hiervoor weergegeven standpunt van het Hoogheemraadschap niet gevolgd.

4.6.

Het Hoogheemraadschap heeft subsidiair aangevoerd dat de verjaring is aangevangen nadat de schade kenbaar was, hetgeen volgens hem al vóór 1999 en in ieder geval vanaf 1999 het geval was. Het Hoogheemraadschap heeft in dat verband gewezen op het onderzoek van Fugro (zie onder 2.12).

In de brief waarin Fugro verslag doet van haar onderzoek is vermeld dat tussen 1999 en 2010 zeer ernstige scheurvorming is opgetreden. Aan deze jaartallen kan echter geen doorslaggevende betekenis worden toegekend omdat deze niet voortkomen uit eigen onderzoek van Fugro. Mede gelet op de in het rapport Helsdingen opgenomen foto van de woonboerderij - waarbij is vermeld dat deze in 2002 is gemaakt - waarop niet of nauwelijks scheurvorming is te zien, is de rechtbank van oordeel dat onduidelijk blijft of de scheurvorming die zou zijn veroorzaakt door het lagere waterpeil als gevolg van de werkzaamheden in 1997 en/of 1999, reeds in 1999 zichtbaar was. Dat in de brief van Goppel is vermeld dat in 2005 duidelijk werd dat een nieuwe fundering onvermijdelijk is geworden, maakt dit niet anders; daarmee is nog niet duidelijk dat de schade eerder dan in 2005 bekend was.

Nu volgens [eiser] eerst in 2005 sprake was van daadwerkelijke bekendheid met de schade omdat deze zich toen openbaarde - en de bestrijding daarvan door het Hoogheemraadschap niet slaagt - gaat de rechtbank ervan uit dat de verjaringstermijn is aangevangen in 2005.

4.7.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij de verjaring heeft gestuit bij brief van 1 oktober 2007, waarin hij het volgens hem lagere waterpeil aan de orde heeft gesteld. Het Hoogheemraadschap heeft deze brief als klacht in behandeling genomen. [eiser] heeft voorts naar voren gebracht dat het Hoogheemraadschap bij brief van 24 maart 2009 heeft meegedeeld dat zij de brief van [eiser] van 31 augustus 2008 als schadeclaim in behandeling heeft genomen.

Volgens het Hoogheemraadschap is de verjaring niet gestuit door dit alles omdat [eiser] zich niet ondubbelzinnig zijn aanspraak op schadevergoeding heeft voorbehouden.

Nu het Hoogheemraadschap uiterlijk op 24 maart 2009 de klachten van [eiser] heeft aangemerkt als een schadeclaim gaat dit argument niet op. Kennelijk was de inhoud van de - niet overgelegde - brief van [eiser] van 31 augustus 2008 in samenhang met een in die periode gevoerd gesprek, voldoende duidelijk voor het Hoogheemraadschap om deze op te vatten als een schadeclaim. Dat deze wellicht als nadeelcompensatie, een op het bestuursrecht gebaseerde claim, en niet als civielrechtelijke schadeclaim is aangemerkt doet daarbij niet ter zake. In beide gevallen betreft het schade.

Nu de (toenmalige) advocaat van [eiser] bij brief van 31 januari 2011 en 19 december 2013 heeft meegedeeld dat [eiser] voornemens was een civielrechtelijke procedure te starten en deze brieven de verjaring dus hebben gestuit, was de verjaring niet voltooid toen de dagvaarding op 17 oktober 2017 is uitgebracht.

De in artikel 3:310 lid 1 BW ook genoemde termijn van twintig jaar waarna de vordering in ieder geval verjaart, is gelet op de datum van dagvaarding evenmin verstreken.

Nu de rechtsvordering van [eiser] niet is verjaard, wordt deze hierna inhoudelijk besproken.

onrechtmatig handelen

4.8.

Volgens [eiser] is het aan het Hoogheemraadschap te wijten dat aan de woonboerderij verzakkingen zijn opgetreden. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat het Hoogheemraadschap de stuw - nadat deze door de in 1997 aangelegde leidingen was verzakt - niet heeft gerepareerd en/of onderhouden waardoor het peil van het oppervlaktewater niet meer goed gereguleerd kon worden en plotseling structureel is gezakt naar 4,25 m onder NAP, hetgeen lager is dan in het toen geldende peilbesluit was vermeld. Dit werd nog versterkt doordat in 1999 - na daartoe door het Hoogheemraadschap verleende vergunning - dammen zijn verwijderd en/of dammen met een kleine duiker zijn vervangen door dammen met een grote duiker. Hierdoor is de waterhuishouding in de polder veranderd omdat het water zonder enige belemmering naar de stuw kon stromen; van enig verval was geen sprake meer. Als gevolg van het feitelijk lagere oppervlaktewaterpeil is het daarmee samenhangende grondwaterpeil in de polder eveneens verlaagd waardoor de fundering van de woonboerderij niet langer in het grondwater stond en de veenbodem onder de fundering is ingeklonken, deze fundering is gebroken en scheurvorming in de gevels is ontstaan. Door het peilbesluit niet te handhaven heeft het Hoogheemraadschap in de visie van [eiser] in strijd gehandeld met zijn zorgplicht, althans met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] verwezen naar de in het rapport Helsdingen weergegeven bevindingen, die volgens hem worden bevestigd in de brieven van Goppel en Fugro. [eiser] heeft ook verwezen naar het rapport van Achmea.

4.9.

Het Hoogheemraadschap heeft bestreden dat het in strijd met zijn zorgplicht, althans onrechtmatig heeft gehandeld. Op het Hoogheemraadschap rust een inspanningsverplichting ten aanzien van het oppervlaktewaterpeil en in de visie van het Hoogheemraadschap heeft [eiser] onvoldoende duidelijk gemaakt dat aan die verplichting niet is voldaan. Volgens het Hoogheemraadschap is niet vast komen te staan dat het waterpeil als gevolg van verzakking van de stuw in 1997 structureel is gezakt en dat dit effect versterkt is doordat na werkzaamheden aan de dammen in 1999 niet langer sprake was van enig verval van het water. Het Hoogheemraadschap is voorts van mening dat de verantwoordelijkheid voor het grondwaterpeil in de periode tot eind 2009 berustte bij de Provincie zodat het Hoogheemraadschap op dat gebied geen zorgplicht had. Verder heeft het Hoogheemraadschap betwist dat de schade aan de woonboerderij is veroorzaakt door plotselinge verlaging van het oppervlakte- of grondwaterpeil; andere, voor rekening en risico van [eiser] zelf komende, oorzaken hebben de schade (in elk geval grotendeels) veroorzaakt.

4.10.

Hierna wordt eerst onderzocht of het Hoogheemraadschap ten aanzien van het oppervlaktewater in strijd heeft gehandeld met de volgens [eiser] bestaande zorgplicht, althans in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarbij geldt dat [eiser] zich beroept op de rechtgevolgen van het door hem gestelde verwijtbare handelen van het Hoogheemraadschap. Daarom draagt hij - indien dit wordt betwist zoals het Hoogheemraadschap heeft gedaan - de bewijslast van de feiten of rechten die hij aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Het is derhalve aan hem om de onder 4.1 sub 1), 2) en 3) genoemde verwijten aan het Hoogheemraadschap voldoende te onderbouwen. Voorts dient hij te onderbouwen dat door het onrechtmatig handelen dan wel nalaten van het Hoogheemraadschap schade is ontstaan.

4.11.

In artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding is bepaald dat de kwantiteitsbeheerder - hier het Hoogheemraadschap - er zorg voor draagt dat de in het peilbesluit aangegeven waterstanden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Het peilbesluit ziet op het oppervlaktewaterpeil. Deze wet is op 21 december 2009 vervallen, maar gelet op het gegeven dat [eiser] heeft aangevoerd dat het Hoogheemraadschap in de periode van 1997 tot 1999 onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan schade is ontstaan in de periode van 2005 tot 2008, werd het handelen van het Hoogheemraadschap in de relevante periode genormeerd door voornoemde wet. Het voorgaande leidt ertoe dat op het Hoogheemraadschap in die periode een zorgplicht rustte om zich in te spannen voor het handhaven van het in het peilbesluit opgenomen oppervlaktewaterpeil. Deze verplichting hield echter, gelet op bedoelde wet, geen resultaatsverplichting in. Tegen het aannemen van een resultaatsverplichting pleit ook dat het peil van het oppervlaktewater fluctueert onder invloed van door het Hoogheemraadschap niet te beheersen factoren, bijvoorbeeld de hoeveelheid regen.

Ten aanzien van het grondwaterpeil rustte er op het Hoogheemraadschap geen specifieke wettelijke verplichting, doch slechts de algemene zorgvuldigheidsverplichting die voortvloeit uit art. 6:162 BW.

Voorts geldt dat weliswaar moet worden aangenomen dat het peil van het oppervlaktewater van invloed is op het grondwaterpeil, maar dat hier sprake is van een bijzondere situatie. Er is aan weerszijden van het perceel van [eiser] en de daarop gelegen woonboerderij open water, terwijl het oppervlaktewaterpeil aan beide zijden niet gelijk is. Hoe deze waterpeilen de grondwaterstand beïnvloeden en beïnvloed hebben is niet duidelijk. Daarop wordt later teruggekomen.

4.12.

In het rapport Helsdingen - waarnaar [eiser] heeft verwezen - is onder meer het volgende vermeld. Het polderpeil is tussen 1943 en 1981 niet gewijzigd, waardoor er in 37 jaar tijd geen daling van het waterpeil is opgetreden en de bodemdaling in die periode zeer gering is geweest. Ook wordt aangenomen dat het feitelijke polderpeil tot 1997 ongewijzigd op 4,05 m onder NAP lag. Het waterpeil in de sloot naast de woonboerderij was hoger dan bij de stuw (hoger dan 3,98 m onder NAP) vanwege diverse kleinere dammen en duikers. Hierdoor was er tot 1997 geen gevaar voor inklinking van de veengrond.

Vervolgens is vermeld dat de stuw scheef gezakt is als gevolg van de aanleg van de stadsverwarmingsleiding in 1997. Hierdoor is het polderpeil blijvend lager geworden dan het formele peil. Op enig moment tussen 1997 en 1999 is door [eiser] een peil gemeten van 4,25 m onder NAP. Door de aanleg in 1999 van nieuwe dammen met grote duikers is het waterpeil in de sloot naast de woonboerderij niet langer hoger dan bij de stuw. Nadat de damwanden die bij het aanleggen van de dammen en duikers waren geplaatst, zijn verwijderd is het waterpeil plotseling met ongeveer 25 cm gezakt. Medewerkers van Bureau Helsdingen hebben op 19 december 2011 de scheefstand van de stuw opgemeten.

4.13.

Het Hoogheemraadschap heeft ter concretisering van zijn verweer a) aangevoerd dat de stuw naar aanleiding van klachten van [eiser] is geïnspecteerd en b) een verklaring overgelegd van [naam 3] , Bedrijfsvoerder Watersystemen in onder meer de Nessepolder (hierna: [naam 3] ). [naam 3] heeft verklaard dat hij sinds 1989 werkzaam is bij het Hoogheemraadschap, dat er in die periode nooit grootschalige werkzaamheden aan de stuw noodzakelijk zijn geweest en dat hem niet is gebleken dat de stuw niet naar behoren functioneerde of lekte.

[eiser] heeft daarover aangevoerd dat uit de brief van het Hoogheemraadschap van 23 maart 2000 (zie onder 2.7) volgt dat de inspectie alleen ter plaatse van zijn perceel is uitgevoerd, wat volgens hem onvoldoende is voor een adequate reactie op zijn klachten in 1999.

4.13.1.

Nu het Hoogheemraadschap in genoemde brief ook heeft meegedeeld dat is geconstateerd dat er geen daling van de waterstand is opgetreden, valt zonder toelichting - die niet is gegeven - niet goed in te zien welk belang [eiser] erbij had dat het waterpeil niet alleen in de nabij gelegen sloot maar ook bij de stuw werd geïnspecteerd. Wat daar ook van zij, de eventuele gebrekkige reactie op de klacht in de vorm van tekortschietend onderzoek houdt met het ontstaan van de schade als zodanig geen verband.

4.13.2.

[eiser] heeft voorts betoogd dat uit de brief van het Hoogheemraadschap van 23 maart 2000 volgt dat het waterpeil is verlaagd. In de brief is echter ook te lezen dat dit het gevolg is van natuurlijke maaivelddaling sinds 1981, kennelijk omdat de polder anders zou vernatten. Dat zulks volstrekt onaannemelijk is, is - anders dan [eiser] meent - niet af te leiden uit het rapport Helsdingen; de op dit onderwerp betrekking hebbende onderdelen van het rapport lijken alleen gebaseerd te zijn op mededelingen van [eiser] , zonder dat sprake is van eigen onderzoek.

4.13.3.

[eiser] heeft verder niet gereageerd op de door het Hoogheemraadschap overgelegde verklaring van [naam 3] . Dit had wel op zijn weg gelegen, nu er in beginsel van moet worden uitgegaan dat een medewerker die langdurig het beheer van de watersystemen in de Nessepolder tot taak had, op de hoogte zou zijn geweest van een niet goed werkende stuw. [eiser] had daarom dienen aan te geven dat en waarom aan de verklaring van [naam 3] geen waarde gehecht kan worden. Hiervoor is te meer aanleiding omdat in het rapport Helsdingen niet is vermeld dat en hoe geverifieerd is dat het waterpeil 1997 en/of 1999 plotseling is verlaagd.

4.13.4.

De enkele omstandigheid dat - naar onbestreden is - de stuw in enige mate is verzakt, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat daardoor een plotselinge daling van het waterpeil van 4,05 naar 4,25 m onder NAP is veroorzaakt. De resultaten van een onderzoek naar scheefstand van de stuw dat heeft plaatsgevonden in 2011 kunnen wegens het tijdsverloop niet dienen als onderbouwing voor scheefstand in 1997 en/of 1999. In het rapport Helsdingen is immers met instemming opgenomen dat in het rapport van Achmea staat dat er in de hele relevante periode - dus ook na 2008 - (sterke) plaatselijke zettingsverschijnselen zijn opgetreden.

De door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat er planten in de aansluiting tussen de korte en lange zijde van de stuw groeien, kan evenmin dienen als voldoende onderbouwing. De aanwezigheid van planten duidt weliswaar mogelijk op een naad, maar als die naad een constructief element is dat inherent is aan de bouw van de stuw, is het bestaan daarvan niet relevant. Daarom vormt deze stelling zonder toelichting - die niet is gegeven - onvoldoende aanwijzing voor het bestaan van lekkage.

4.14.

Het Hoogheemraadschap heeft voorts bestreden dat bij de vergunningverlening aan GZH is uitgegaan van een lager waterpeil dan in het peilbesluit van 1981 is opgenomen. Het heeft daarover aangevoerd dat in de (door hem overgelegde) keurvergunning is vermeld dat het waterpeil in het gebied 3,90 m onder NAP is, maar op de tekeningen die bij de vergunningaanvraag horen een waterpeil van 4,25 m onder NAP is genoemd, hetgeen reden is geweest om het bijzondere voorschrift op te nemen dat GZH na afronding van de werkzaamheden revisietekeningen diende toe te zenden met onder meer het juiste waterpeil. In het rapport Hanselman is nog vermeld dat het op de tekening genoemde waterpeil niet betekent dat er sprake is van een plotselinge peilverlaging.

[eiser] is hierop niet ingegaan; hij heeft ter comparitie slechts herhaald dat Achmea heeft aangegeven dat op de tekeningen 4,25 m onder NAP is vermeld. Mede gelet op de toevoeging in het rapport van Achmea dat het geen tekeningen van het Hoogheemraadschap betreft, had het op de weg van [eiser] gelegen om aan te geven dat en waarom het verweer van het Hoogheemraadschap niet afdoet aan zijn stelling dat door het verlenen van de vergunning in feite toestemming is gegeven voor een peilverlaging. Uit de tekeningen die bij de vergunningaanvraag horen, kan gelet op het voorgaande niet worden afgeleid dat het Hoogheemraadschap bij de stuw plotseling een waterpeil van 4,25 m onder NAP hanteerde.

Dat het waterpeil - zoals [eiser] heeft gesteld - in 1999 volgens mededeling van een medewerker van GZH tijdens de werkzaamheden 20 tot 25 cm lager was dan voorheen, brengt nog niet mee dat sprake is van een structurele verlaging. Fluctuaties in de waterstand zijn - zoals in het rapport Hanselman is vermeld en algemeen bekend mag worden verondersteld - normaal en te verwachten.

4.15.

Het Hoogheemraadschap heeft eveneens betwist dat uit de in het rapport Helsdingen opgenomen foto's zou volgen dat sprake is van een plotselinge, structurele peilverlaging. Volgens het Hoogheemraadschap kunnen de foto's ook duiden op tijdelijke droogte of een tijdelijke, toegestane peilafwijking vanwege werkzaamheden. Dit wordt bevestigd in het rapport Hanselman waar is meegedeeld dat die foto's slechts beschouwd kunnen worden als een momentopname.

[eiser] heeft in dat licht onvoldoende duidelijk gemaakt dat sprake is van een structurele verlaging van het oppervlaktewaterpeil. De foto op pagina 20 van het rapport waarbij vermeld is dat deze in 1999 is gemaakt heeft als bijschrift dat de plotselinge peilverlaging herkenbaar is aan de donkere rand op de houten paal en het natte mos op de golfplaten. Dat gemeld wordt dat het mos nat is, kan er zonder toelichting - die niet is gegeven - niet toe leiden dat aangenomen moet worden dat sprake is van een structurele verlaging van het waterpeil. Uit de brief van het Hoogheemraadschap van 23 maart 2000 volgt eerder dat sinds 1981 (niet sinds 1997 of 1999) een natuurlijke maaivelddaling is opgetreden waaraan het waterpeil gelijkmatig (niet plotseling) is aangepast. Dat het Hoogheemraadschap in het geval van natuurlijke maaivelddaling overgaat tot geleidelijke aanpassing van het waterpeil is zonder bijkomende omstandigheden niet als onrechtmatig aan te merken.

4.16.

Gelet op het voorgaande heeft [eiser] , mede gelet op het verweer, aldus onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van specifiek handelen of nalaten dat jegens [eiser] onrechtmatig is te achten.

4.17.

Dat neemt niet weg dat op zichzelf vast staat dat het oppervlaktewaterpeil op enig moment is verlaagd. [eiser] heeft gesteld dat het Hoogheemraadschap aansprakelijk is voor de door hem geleden schade omdat het rekening had moeten houden met de gevolgen van de verlaging van het oppervlaktewaterpeil voor het grondwaterpeil. Volgens hem is er in het buitengebied - zoals de Nessepolder - sprake van een directe relatie tussen het oppervlaktewaterpeil en het grondwaterpeil, te meer omdat de afstand tussen de woonboerderij en de sloot (minder dan) vijf meter is. Daarom heeft de peilverlaging van het oppervlaktewater in de Nessepolder volgens [eiser] direct gevolgen voor het grondwaterpeil bij de woonboerderij.

4.18.

De rechtbank overweegt dat moet worden beoordeeld in hoeverre het Hoogheemraadschap een situatie in het leven heeft geroepen die voor [eiser] tot grote schade kon leiden en of dit voor [eiser] te voorzien was. De vraag is dan of het Hoogheemraadschap rekening diende te houden met die mogelijkheid van schade en met het oog daarop maatregelen had moeten nemen. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waaronder de kennis en positie van het Hoogheemraadschap als professionele partij, de bezwaarlijkheid van te nemen maatregelen en de vraag in hoeverre de schade aan de woonboerderij is veroorzaakt door een, als gevolg van de verlaging van het oppervlaktepeil, lager grondwaterpeil. Indien geoordeeld wordt dat het Hoogheemraadschap maatregelen had moeten nemen, heeft het in beginsel onrechtmatig gehandeld door het nemen van die maatregelen na te laten.

4.19.

Allereerst wordt ingegaan op de schade. Daarbij speelt een rol of 1) het lagere grondwaterpeil een direct gevolg is van het lagere oppervlaktewaterpeil en 2) of de schade aan de woonboerderij is ontstaan als gevolg van het lagere grondwaterpeil.

4.19.1.

In de brief van Fugro - waarnaar [eiser] heeft verwezen - is vermeld dat Fugro onderzoek heeft gedaan naar de grondwaterstand onder de woonboerderij en dat zij op deze beperkte oppervlakte een verschil van 20 cm heeft geconstateerd en dat het grondwaterpeil 6 tot 26 cm afweek van het waterpeil in de vlakbij gelegen sloot. [eiser] heeft niet aangevoerd dat of waarom aan de resultaten van dit onderzoek geen waarde kan worden gehecht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door [eiser] gestelde onbelemmerde doorstroming van het water naar de stuw reeds sinds 1999 zou hebben bestaan.

Voorts wordt in aanmerking genomen dat - zoals het Hoogheemraadschap naar voren heeft gebracht - het grondwaterpeil bij de woonboerderij ook wordt beïnvloed door het waterpeil in de [naam rivier] , dat toen vastgesteld was op 3,90 m onder NAP. In dat verband heeft het Hoogheemraadschap aangevoerd dat [eiser] in een andere procedure bij deze rechtbank heeft betoogd dat sprake is van vernatting van zijn perceel omdat het waterpeil in de [naam rivier] in de periode tussen 1986 en 1994 met 60 cm is verhoogd en dat door vergroting van de inlaatcapaciteit naar de [naam rivier] een overstroming dreigt. De houten woning waarover het in de andere procedure ging en de woonboerderij bevinden zich onbetwist op korte afstand van elkaar op hetzelfde perceel. Volgens het Hoogheemraadschap kan niet worden volgehouden dat aan de ene zijde van het perceel sprake zou zijn van vernatting en aan de andere zijde van inklinking door droogstand.

Het had op de weg van [eiser] gelegen hierop in te gaan, te meer omdat in het voorafgaand aan de comparitie door het Hoogheemraadschap overgelegde rapport Hanselman is vermeld - en [eiser] bekend is - dat de [naam rivier] op ongeveer 15 meter vanaf de voorgevel van de woonboerderij stroomt. Zonder uitleg valt niet in te zien dat of waarom het oppervlaktewaterpeil aan de ene kant wel, maar dat aan de andere kant, in de [naam rivier] , geen invloed heeft op het grondwaterpeil en door [eiser] en de door hem ingeschakelde deskundigen buiten beschouwing is en mocht worden gelaten.

4.19.2.

Dat de schade aan de woonboerderij veroorzaakt is door de daling van het grondwaterpeil is evenmin voldoende duidelijk geworden. In dat verband wordt overwogen dat in het rapport van Achmea is vermeld dat reeds voor 1991 verzakkingen zijn opgetreden en dat de oorspronkelijke aanlegdiepte van de buitengevels ongeveer 4,05 m onder NAP is geweest en van de constructieve binnenmuren ongeveer 4,01 m onder NAP, reden om te concluderen dat het oorspronkelijke peil van 1946 eigenlijk al te laag was. Als het waterpeil in 1946 al te laag was, kan een vijftig jaar latere verlaging van het waterpeil zonder daarop gerichte behoorlijke toelichting niet worden aangemerkt als schadeoorzaak.

De toelichting in het rapport Helsdingen volstaat daartoe niet; daar is vermeld dat het waterpeil in de sloot vóór 1997 hoger dan 3,98 m onder NAP was, het hoogste punt van de aanlegdiepte van de fundering in 2011 ongeveer 4,10 m onder NAP was en oorspronkelijk ongeveer 4,00 m onder NAP. Ook als wordt uitgegaan van de informatie in het rapport Helsdingen, was vóór 1997 reeds sprake van een zeer kwetsbare situatie waarbij de marges erg klein waren, terwijl het waterpeil steeds een streefpeil is.

Verder wordt in het rapport van Achmea opgemerkt dat de aanlegdiepte van 0,45 tot 0,5 m onder het maaiveld naar huidige maatstaven onvoldoende is omdat de fundering niet vorstvrij is. [eiser] heeft daarover aangevoerd dat de woonboerderij naar de maatstaven aan het einde van de 19e eeuw voldoende degelijk gebouwd is, maar dat neemt niet weg dat die maatstaven inmiddels veranderd zijn waarbij het voor risico van de eigenaar komt als een bouwwerk daaraan niet voldoet dan wel moet worden aangepast (behoudens bijzondere omstandigheden, waaromtrent hier niets is gesteld of gebleken).

4.19.3.

Het Hoogheemraadschap heeft daarnaast onder verwijzing naar het rapport Hanselman nog aangevoerd dat er andere schadeoorzaken zijn, waarbij is gewezen op de onderhoudsstaat van de woonboerderij, waaronder - zoals te zien is op foto's in het rapport van Achmea - het ontbreken van een goot. In het rapport Hanselman is vermeld dat het gevel- en funderingsmetselwerk hierdoor gedurende een langere periode vochtig is geweest, met als gevolg dat voegmortel onthecht is en de kans op vorstschade toeneemt.

Hierop is door [eiser] niet gereageerd anders dan door het ter comparitie uiten van de wens om het rapport Hanselman voor te leggen aan zijn deskundige, Bureau Helsdingen. Ook zonder de bijstand van een deskundige moet het echter mogelijk zijn geweest een begin van een reactie te geven; het rapport Hanselman is immers tijdig voorafgaand aan de comparitie aan [eiser] toegezonden en [eiser] moet er daarvóór reeds van op de hoogte zijn geweest dat de goot ontbrak en, gelet op zijn renovatieplannen, ook van de negatieve gevolgen daarvan op de staat van de muren.

De brief van Goppel - waarnaar [eiser] eveneens heeft verwezen - bevat een restauratieplan met begroting. Daarin is niets vermeld dat hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld anders maakt.

4.20.

[eiser] heeft, gelet op al het voorgaande, zijn standpunt dat het grondwaterpeil als direct gevolg van een verlaging van het oppervlaktewaterpeil is gedaald en daardoor schade aan zijn woonboerderij is ontstaan, tegenover de betwisting van het Hoogheemraadschap onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat de overige in 4.18 genoemde, in aanmerking te nemen omstandigheden geen bespreking behoeven.

4.21.

Al het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden aangenomen dat het Hoogheemraadschap onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade aan de woonboerderij. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Daarom behoeven de overige verweren van het Hoogheemraadschap, onder meer betrekking hebbend op de bestuursrechtelijke wegen die openstonden tegen het handelen van het Hoogheemraadschap en de zorgplicht van [eiser] , geen bespreking.

4.22.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Hoogheemraadschap worden begroot op:

- griffierecht € 3.894,00

- salaris advocaat 6.005,00 (2,5 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 9.899,00

4.23.

Ook de gevorderde nakosten zullen worden toegewezen, waarbij de rechtbank uitgaat van de sinds mei 2018 geldende tarieven.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het Hoogheemraadschap tot op heden begroot op € 9.899,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag nadat dit vonnis is gewezen tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2019.

[2066/106]