Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5907

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
C/10/556719 / HA ZA 18-772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kwalificatie rechtsverhouding. Geen vennootschap onder firma (vof) maar overeenkomst van opdracht. Afrekening werkzaamheden. Diverse schadevorderingen in conventie en reconventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/556719 / HA ZA 18-772

Vonnis van 17 juli 2019

in de zaak van

[eiser 1] H.O.D.N. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. S. El Hadouchi te Den Haag,

tegen

1. vennootschap onder firma

RLN CARE SOLUTIONS V.O.F.,

gevestigd te Rotterdam,

2. [gedaagde 1],

wonende te Amsterdam,

3. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.G. Roethof te Arnhem.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser 1] ’ respectievelijk ‘ RLN ’ (gezamenlijk bedoeld maar in vrouwelijk enkelvoud aangeduid).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 31 juli 2018, met producties (1 tot en met 17);

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties (1 tot en met 24);

- de brief van 5 december 2018 van de griffier van de rechtbank waarin partijen worden opgeroepen voor de comparitie van partijen;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties (18 tot en met 25);

- de akte vermeerdering eis, met productie (26);

- de ten behoeve van de comparitie van partijen door RLN bij brieven van 15 en 21 januari 2019 overgelegde aanvullende producties (25 tot en met 41);

- het proces-verbaal van de op 29 januari 2019 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald, dat nader is bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.1.

[eiser 1] drijft een eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] , van waaruit diensten worden verleend op het gebied van beleid, coaching en zorg aan met name zorg- en onderwijsinstellingen.

2.2.

RLN Care Solutions (gedaagde sub 1) is een uitzendbureau op het gebied van gehandicaptenzorg en is opgericht per 1 januari 2017. Op 27 december 2016 zijn gedaagden sub 2 en 3 geregistreerd als vennoten en is RLN Care Solutions in de registers van de KvK ingeschreven.

2.3.

Tussen partijen is gesproken over deelname van [eiser 1] in RLN .

2.4.

Op 7 februari 2017 is door RLN een vennootschapsovereenkomst opgesteld (hierna: de vof-overeenkomst). Deze overeenkomst is door geen van de partijen ondertekend.

2.5.

RLN heeft een overeenkomst van opdracht opgesteld, welke overeenkomst is ondertekend door gedaagde sub 2 en sub 3 en is gedateerd op 17 juli 2017. Eerst bij brief van 20 november 2017 heeft RLN deze overeenkomst aan [eiser 1] ter ondertekening toegezonden.

In deze overeenkomst staan, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

Artikel 3. Duur van de overeenkomst

3.1

De opdracht vangt aan op 17-7-2017 en wordt aangegaan t/m 31-12-2017.

(…)

Artikel 5. Vergoeding, facturering en betaling

5.1

Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer € 40,00 per uur, reiskostenvergoeding op basis van € 0,19 per km.

5.2

Opdrachtnemer zal voor de verrichte werkzaamheden aan Opdrachtgever een factuur (doen) zenden. De factuur zal voldoen aan de wettelijke vereisten.

5.3

Opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer uiterlijk 30 dagen na ontvangst van de factuur.

(…)

2.6.

In de vergadering van 31 oktober 2017 hebben partijen gesproken over de door [eiser 1] aangekondigde beëindiging van zijn werkzaamheden voor RLN .

2.7.

Kort na deze vergadering heeft RLN de inlogcodes van het account van [eiser 1] gewijzigd, zonder [eiser 1] hierover te informeren.

2.8.

Uit de notulen van de op 12 november 2017 gehouden teamvergadering blijkt dat partijen met betrekking tot het agendapunt “afwikkeling afscheid [eiser 1] (tarief, rol)” het volgende hebben besproken:

“Uurtarief zesenveertig vinden wij teveel. Wij willen wel het uurtarief veertig euro geven. Hij krijgt zijn inleg twaalf honderd euro terug en daarna doen wij de winstverdeling door zijn drieën. Naast de winstverdeling krijgt hij zijn uitkoopbedrag tot eind januari 2018. (…) Werkzaamheden van [eiser 1] worden tot midden januari voortgezet. (…)”

2.9.

Op 22 november 2017 heeft [eiser 1] RLN een mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Op dinsdag 31 oktober ’17 heb ik jullie een naar mijn inziens redelijk voorstel gedaan om vanuit commitment op een goede manier onze samenwerking na jullie vakantie te beëindigen. Hier voorafgaand en vooral daarna zijn een aantal ernstige zaken geweest waardoor mijn vertrouwen in een eerlijke en volwaardige samenwerking hebben weggenomen. Deze zaken ga ik niet nogmaals benoemen gezien ik dit persoonlijk aan jullie heb verteld. Meerdere malen heb ik jullie verzocht om verheldering over bepaalde zaken echter blijft tot op heden de reactie uit, wat voor mij onacceptabel is.

Middels deze e-mail wil ik jullie laten weten dat onze samenwerking, aldus mijn werkzaamheden voor RLN , per 1 december 2017 stoppen. (…)

Betreft mijn ingeplande diensten, ik zal contact opnemen met de opdrachtgever en de mogelijkheid voorleggen om mijn diensten onder mijn eigen naam te werken. Mocht dit niet mogelijk zijn worden de diensten aan jullie terug gegeven, ik zal jullie hier z.s.m. over berichten. ”

2.10.

Bij e-mailberichten van diezelfde datum heeft [eiser 1] zijn relaties, waaronder

De Prinsenstichting en DNZ, als volgt over deze beëindiging geïnformeerd:

“Middels deze mail wil ik u op de hoogte stellen dat ik per 1 december ’17 geen onderdeel meer zal zijn van RLN . Dit is een gevolg van een ontwrichte samenwerking wat een eenduidige bedrijfsvoering niet toelaat. (…)

In het belang van de professionaliteit waar wij allen voorstaan streef ik ernaar dat het beëindigen van de samenwerking discreet verloopt zodat derden hier geen hinder van ondervinden. Graag wil ik u geruststellen dat buiten mijn vertrek om er geen veranderingen zullen zijn in de inzet van medewerkers vanuit RLN .

Gezien de prettige samenwerking en lopende zaken zal ik graag mijn diensten en werkzaamheden uit willen blijven voeren enkel zal dit dan onder mijn eigen naam zijn. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is zal ik dit spijtig vinden maar hoor ik dit graag van u terug. (…)”

2.11.

Op 1 december 2017 heeft [eiser 1] de vennootschap onder firma [naam bedrijf] opgericht met als activiteiten ‘het bemiddelen bij het plaatsen van professionele zorgverleners bij zorgvragers’.

2.12.

Bij brief van 15 december 2017 heeft de (voormalige) advocaat van RLN [eiser 1] gesommeerd per omgaande een bedrag van € 100.000,00 te voldoen wegens overtreding van het in artikel 20 van de vof-overeenkomst vervatte concurrentiebeding. De brief bevat voorts een aansprakelijkstelling voor gederfde winst (€ 300.000,00) en reputatieschade

(€ 500.000,00) aan de zijde van RLN als gevolg van de onrechtmatige wijze van opzegging door [eiser 1] . De brief bevat verder, voor zover thans van belang, de volgende passages:

“ (…) Op 7 februari 2017 is de wijze van samenwerken en zijn de afspraken die onderling zijn gemaakt contractueel vastgelegd in een overeenkomst. Uit de overeenkomst volgt dat u een Vennootschap onder Firma bent aangegaan. (…) U heeft persoonlijk echter steeds niet mee willen werken aan de inschrijving van u als derde vennoot in het handelsregister. Naar later bleek om verschillende, al dan niet voorgewende, redenen. U gaf onder meer aan dat dit was ter vermijding van de schijn van belangenverstrengeling, vanwege uw toenmalige baan bij stichting [naam stichting] . Bij deze baan werkte u in de laatste onder toezicht vanwege gepleegde fraude. Medio oktober 2017 kwam ook aan het licht dat u na de beëindiging van uw dienstverband een uitkering ontving welke u zou verliezen wanneer duidelijk zou worden dat u inmiddels weer werk had gevonden en een bedrijf bent opgestart. U heeft cliënten eerder medegedeeld zelf ontslag te hebben genomen wegens problemen met een zorgmanager. (…) U heeft meerdere ernstige steken laten vallen welke steeds door cliënten moesten worden hersteld. Deze handelingen kunnen worden aangemerkt als het verzaken van de zorgplicht jegens de klanten van RLN (…).”

2.13.

Op 20 december 2017 heeft RLN deze aan [eiser 1] gerichte brief in kopie aan twee van haar opdrachtgevers, De Prinsenstichting en DNZ, toegezonden. In de begeleidende mail heeft RLN het volgende gesteld:

“(…) Wij wijzen wij u er hierbij op dat wij zeer grote vraagtekens hebben over de integriteit en de zorgethiek van de heer [eiser 1] . (…)

De heer [eiser 1] heeft u al uitgebreid geïnformeerd over hoe RLN Care Solutions volgens hem functioneert. Daarmee heeft hij onze nog prille positie en onze naam als nieuwe zorgaanbieder volledig willen vernietigen. Omdat u er toch voor gekozen om met de heer [eiser 1] verder te gaan doen wij u hierbij de brief die wij aan de heer [eiser 1] hebben toegezonden in kopie toekomen. Dit in het kader van volledige transparantie en hoor en wederhoor. Maar met name om u te waarschuwen met wat voor persoon u en uw patiënten in laat”.

2.14.

Bij brief van 16 januari 2018 heeft de advocaat van [eiser 1] inhoudelijk op de brief van RLN van 15 december 2017 gereageerd. Onder meer is RLN verzocht de door haar aan de opdrachtgevers gedane lasterlijke en smadelijke uitlatingen te rectificeren en is RLN aansprakelijk gesteld voor de (materiële en immateriële) schade die [eiser 1] hierdoor heeft geleden.

2.15.

De heer [naam 1] van De Prinsenstichting heeft in antwoord op de door [eiser 1] bij e-mail van 24 mei 2018 gestelde vraag wat de reden was om de samenwerking met RLN te beëindigen en of [eiser 1] daar iets mee te maken had geantwoord:

De reden was, omdat RLN zich negatief uitte over [eiser 1] . Omgekeerd gebeurde dit totaal niet.”

2.16.

De heer [naam 2] van DNZ heeft in antwoord op de door [eiser 1] bij e-mail van

24 mei 2018 gestelde vraag of [eiser 1] op enige manier invloed heeft uitgeoefend om de samenwerking met RLN te stoppen, geantwoord:

“Er is geen enkel moment geweest dat jij hebt getracht mij negatief te beïnvloeden ten aanzien van deze samenwerking. Ik wilde om inhoudelijke redenen in ieder geval een continuering van de samenwerking met jou en RLN heeft hierop de samenwerking met ons als bedrijf beëindigd. Het contract liep vanwege opzegging aan RLN tot 1 januari. Indien zij niet hadden opgezegd waren wij gewoon met hen verder gegaan als partners.”

2.17.

Bij beschikking van 14 september 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam het verzoek van [eiser 1] tot het leggen van conservatoir beslag op onroerende zaken van RLN en onder derden voor een bedrag van € 80.000,00 toegewezen. Op 10 oktober 2018 zijn de beslagen opgeheven door een door de bank van RLN verstrekte bankgarantie.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser 1] heeft, na akte vermeerdering van eis, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de een betaald hebbende de andere zal zijn gekweten en tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot betaling van de facturen van [eiser 1] groot EUR 45.240,10 voor de aan RLN geleverde diensten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf datum verzuim;

  2. gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de een betaald hebbende de andere zal zijn gekweten en tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot betaling van de prestatiebonus van [eiser 1] groot EUR 17.000,-, althans een derde deel van de gerealiseerde winst van RLN over de periode dat [eiser 1] diensten verleende aan RLN , dan wel een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal bepalen;

  3. gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de een betaald hebbende de andere zal zijn gekweten en tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot vergoeding van de gederfde inkomsten van [eiser 1] begroot op EUR 73.694,63, dan wel een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal bepalen;

  4. gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de een betaald hebbende de andere zal zijn gekweten en tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot vergoeding van de schade van [eiser 1] als gevolg van studievertraging groot EUR 20.120,11,-, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal bepalen;

  5. te verklaren voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser 1] door zich smadelijk en lasterlijk uit te laten over [eiser 1] en zijn onderneming;

  6. gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de een betaald hebbende de andere zal zijn gekweten en tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling van een schadevergoeding van EUR 25.000,- vanwege de door [eiser 1] opgelopen (reputatie)schade, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal bepalen;

  7. te gelasten dat gedaagden worden veroordeeld tot rectificatie van de gewraakte uitlatingen door alle door of namens hen aangeschreven partijen via dezelfde communicatiekanalen als waarop de gewraakte uitlatingen zijn gedaan/verspreid, aan te schrijven op een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen wijze;

  8. gedaagden te verbieden om zich op onrechtmatige wijze, in woord of geschrift, direct of indirect in het openbaar waaronder tevens te verstaan via internet, websites of weblog op het internet of anderszins uit te laten over [eiser 1] , meer in het bijzonder om hem te beschuldigen van fraude, gebrek aan integriteit en/of zorgethiek of daarnaar verwijzende opmerkingen te maken;

  9. wat betreft de onder iv en v [ter comparitie van partijen is dit met toestemming van RLN gewijzigd in vii en viii hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal; rechtbank ] uit te spreken veroordeling te bepalen dat bij niet nakoming hiervan gedaagden hoofdelijk een dwangsom verbeuren van EUR 500,- voor iedere dag of gedeelte hiervan dat gedaagden in gebreke mochten blijven aan de veroordelingen te voldoen, met een maximum van EUR 50.000,-;

  10. gedaagden hoofdelijk, des te een betaald hebbende de andere zal zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Als grondslag voor zijn vorderingen heeft [eiser 1] – zakelijk weergegeven – het volgende gesteld.

( i) RLN is in gebreke gebleven met de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de door [eiser 1] in de periode van eind juli 2017 tot en met november 2017 voor RLN geleverde diensten voor een bedrag van in totaal € 45.240,10, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

(ii) [eiser 1] heeft recht op de door RLN toegezegde prestatiebonus, die [eiser 1] op een bedrag van € 17.000,00 heeft begroot. De minimale winst van RLN bedroeg maandelijks € 12.000,00. Dit betekent dat RLN over de periode waarin [eiser 1] voor RLN heeft gewerkt (4,25 maanden x € 12.000,00) een totaalbedrag van € 51.000,00 aan winst heeft gemaakt. Conform de gemaakte afspraken, zoals die ook blijken uit de notulen van de vergadering van 12 november 2017, heeft [eiser 1] recht op een derde deel van dit bedrag en dus op

€ 17.000,00.

(iii) Na het vertrek van [eiser 1] bij RLN heeft hij in de maanden december 2017 tot en met juli 2018 te kampen gehad met een omzetdaling van € 43.694,63. Deze daling is volledig toe te rekenen aan, en het rechtstreekse gevolg van het onrechtmatig handelen van, RLN . Ook is [eiser 1] ten gevolge van de acties van RLN een opdracht misgelopen, welke opdracht in elk geval nog tot en met april 2018 zou lopen en waarmee [eiser 1] € 30.000,00 (4 maanden x

€ 7.500,00) aan omzet had kunnen genereren. De totale schade aan misgelopen omzet bedraagt dan ook € 73.694,63.

(iv) [eiser 1] heeft door de diffamerende uitlatingen door RLN zijn studiewerkzaamheden nauwelijks kunnen verrichten, doordat hij volledig uit het lood was geslagen en de uitlatingen een grote negatieve impact op hem hebben gehad. Ter onderbouwing van het hulpverleningstraject dat hij thans nog doorloopt vanwege het onrechtmatig handelen van RLN heeft [eiser 1] als productie 25 een verklaring van de maatschappelijk hulpverlener overgelegd. Als gevolg van de studievertraging heeft [eiser 1] (inclusief kosten) een studieschuld opgebouwd van € 20.120,11, voor welke schade RLN aansprakelijk is.

( v) (vi) De naam en goede eer van [eiser 1] zijn besmeurd door de uitlatingen van RLN over frauduleus handelen en het onder toezicht zou hebben gestaan bij een voormalig werkgever. RLN weet als geen ander hoe belangrijk integriteit en eerlijkheid is in de zorgbranche. Door de gedane uitlatingen heeft RLN [eiser 1] evident en moedwillig willen zwartmaken, om te voorkomen dat enige partij in de branche nog zaken zou doen met [eiser 1] . De verwachting is dat het nog wel even zal duren voordat de reputatieschade – deels – zal herstellen. Dat geldt ook voor het (zelf)beeld van en over [eiser 1] . [eiser 1] heeft zijn immateriële schade bestaande uit de reputatieschade begroot op € 25.000,00.

(vii) (viii) (ix) Om de schade enigszins te beperken vordert [eiser 1] een gebod tot het uitbrengen van een rectificatie, dat hij nader heeft omschreven in de als productie 6 overgelegde brief 16 januari 2018 aan de (voormalige) advocaat van RLN . [eiser 1] eist voorts dat RLN zich in het vervolg zal onthouden van het doen van onrechtmatige uitlatingen jegens hem en beide vorderingen worden gedaan op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.3.

RLN heeft verweer gevoerd dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser 1] dan wel afwijzing van de vorderingen met de veroordeling van [eiser 1] in de kosten van de procedure. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

( i) De facturen ten bedrage van € 45.240,10 waarvan [eiser 1] betaling vordert, dienen conform artikel 6:127 BW verrekend te worden met de schadevergoeding die RLN in reconventie van [eiser 1] vordert.

(ii) RLN heeft [eiser 1] geen prestatiebonus toegezegd. De afspraak was dat [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [eiser 1] zichzelf voor een uurtarief van € 40,00 aan de vof zouden verhuren met een eventuele winstdeling aan het einde van het jaar, na overleg met de boekhouder. RLN had als startende onderneming nog geen zicht op haar financiën. Bovendien geldt dat niet gezegd kan worden dat een vennoot sec moet delen in de baten van de vennootschap, waar hij ook dient te delen in de schulden van de vennootschap. Ook wordt door RLN betwist dat zij een bedrag van € 51.000,00 aan winst zou hebben genoten. Iedere cijfermatige onderbouwing hiervan door [eiser 1] ontbreekt.

(iii) Er is geen sprake van causaal verband tussen de vermeende onrechtmatige uitlatingen in de brief die RLN heeft gestuurd en de vordering van € 73.694,63 aan vermeende inkomstendaling aan de zijde van [eiser 1] . Hij heeft de opdrachten bij De Prinsenstichting en DNZ immers behouden. Ook het feit dat [eiser 1] zich heeft beziggehouden met het opstarten van zijn nieuwe vennootschap onder firma [naam bedrijf] kan debet zijn geweest aan het hebben van minder inkomsten.

(iv) De studievertraging van [eiser 1] was reeds aanwezig voor de breuk tussen partijen. Het causaal verband ontbreekt derhalve.

( v) (vii) (viii) (ix) RLN betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en laster. RLN heeft het recht op vrijheid van meningsuiting en zij heeft een zo eerlijk mogelijk beeld van [eiser 1] willen schetsen. De door haar gedane uitlatingen zijn juist. Voor een rectificatie dan wel een verbod op verdere uitlatingen, op straffe van een dwangsom, is dan ook geen plaats.

(vi) Ten aanzien van de gevorderde reputatieschade stelt RLN zich op het standpunt dat [eiser 1] niet heeft aangetoond dat hij door de uitlatingen van RLN concrete opdrachten en/of inkomsten is misgelopen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

RLN heeft gevorderd:

III. te verklaren voor recht dat [verweerder] wegens schending van het concurrentiebeding aansprakelijk is voor de door RLN geleden schade, uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad;

IV. te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door RLN geleden schade voortvloeiend uit de door [verweerder] gelegde conservatoire beslagen;

V. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de door RLN geleden schade, bestaande uit:

- € 100.000,00 aan boete wegens schending van het concurrentiebeding;

- € 300.000,00 aan gederfde inkomsten in het jaar 2018;

- € 15.666,67 aan schuld aan de bank en belastingdienst (1/3 deel);

- € 25.000,00 aan immateriële schade wegens reputatieschade en psychische schade van RLN ;

- € 524,29 en een bedrag P.M. aan materiele schadevergoeding wegens schade voortvloeiend uit de gelegde conservatoire beslagen door [verweerder] ;

VI. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000,00 aan RLN , ten behoeve van noodzakelijk gemaakte kosten in verband met juridische rechtsbijstand;

VII. alles met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.

3.6.

RLN heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [verweerder] mede-vennoot is geweest in RLN en dat hij daarom gebonden is aan de (bepalingen van de) vof-overeenkomst. Weliswaar is deze overeenkomst niet door [verweerder] ondertekend maar wel in samenspraak met [verweerder] opgesteld, tijdens vergaderingen met hem besproken en bekrachtigd en heeft [verweerder] zich ook als vennoot gedragen zowel richting zijn medevennoten als de overige medewerkers en klanten van RLN . Als vennoot van RLN is [verweerder] aansprakelijk voor (een derde deel van) de schuld aan de bank en de belastingdienst van in totaal € 47.000,00, derhalve voor een bedrag van € 15.666,67.

Door vrijwel direct na zijn opzegging een eigen vof op te richten binnen dezelfde branche met dezelfde gelijksoortige werkzaamheden en doelstelling als RLN heeft [verweerder] het in artikel 20 van de vof-overeenkomst opgenomen concurrentiebeding geschonden en is hij RLN een direct opeisbare boete van € 100.000,00 verschuldigd. Door bovendien actief en welbewust de klanten en medewerkers van RLN te benaderen ten behoeve van de werving voor zijn nieuwe onderneming en door de grote klanten van RLN (De Prinsenstichting en DNZ) ook daadwerkelijk mee te nemen, heeft [verweerder] gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hierdoor heeft RLN schade geleden, die zij heeft begroot op ten minste € 300.000,00. Dit bedrag betreft de gederfde winst over de periode tot en met eind 2018 bij de verschillende opdrachtgevers alsmede de gederfde winst van de werkzaamheden die [verweerder] en de personen die hij heeft meegenomen zouden hebben ingebracht.

[verweerder] heeft zich onrechtmatig jegens RLN gedragen door de wijze waarop [verweerder] de relaties en medewerkers van RLN over zijn opzegging heeft geïnformeerd. Hierdoor hebben de door [verweerder] benaderde organisaties hun vertrouwen in RLN opgezegd en heeft RLN , naast de hiervoor genoemde materiële schade, ook immateriële schade geleden wegens reputatieschade. Deze schade wordt door RLN gesteld op € 25.000,00.

Door de diverse bankbeslagen en beslagen op de vorderingen van RLN is de bedrijfsvoering van RLN volledig stil komen te liggen en heeft RLN niet aan haar financiële verplichtingen kunnen voldoen. Naast de psychische schade die dit heeft veroorzaakt, heeft RLN kosten moeten maken om de vereiste bankgarantie te stellen. Deze kosten bedragen € 524,29. RLN stelt [verweerder] aansprakelijk voor alle schade die uit het conservatoire beslag is voortgevloeid.

RLN heeft zich door de handelwijze van [verweerder] noodgedwongen tot een advocaat moeten wenden en zij vordert in dit verband het door haar betaald (voorschot)bedrag van

€ 3.000,00.

3.7.

[verweerder] heeft verweer gevoerd dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van RLN , althans RLN deze als zijnde ongegrond en onbewezen te ontzeggen, met veroordeling van RLN in de kosten van het geding. [verweerder] heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

[verweerder] is nimmer vennoot geweest van RLN . De door de boekhouder van RLN opgestelde overeenkomst is niet door hem ondertekend en hij is hieraan dan ook niet gebonden. Het beroep van RLN op het vermeende concurrentiebeding dient dan ook te worden afgewezen, evenals de vordering tot het bijdragen van een derde deel in de schulden van RLN .

Volgens [verweerder] is er sprake geweest van een overeenkomst van opdracht en heeft hij als opdrachtnemer vanuit zijn eenmanszaak gehandeld. Dit wordt bevestigd door de door RLN ondertekende en op 17 juli 2017 gedateerde overeenkomst van opdracht. Omdat er op enig moment wrijving ontstond tussen partijen heeft [verweerder] besloten om de overeenkomst van opdracht met RLN te beëindigen. RLN was hiervan op 31 oktober 2017 op de hoogte en zij was daarmee akkoord. Van onrechtmatig handelen dan wel wanprestatie door [verweerder] , is geen sprake geweest. Zonder nadere motivering is niet in te zien waarom de oprichting van een vof in dezelfde branche als RLN een onrechtmatige daad zou opleveren. Ook heeft [verweerder] niet in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Niet valt in te zien hoe het bezigen van de term ‘ontwrichte samenwerking’ in de mail aan DNZ en De Prinsenstichting enige vorm van schade tot gevolg zou hebben. Dit wordt door RLN op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft RLN bij DNZ en De Prinsenstichting haar eigen ruiten ingegooid door zich onheus over [verweerder] uit te laten. [verweerder] betwist dat hij jegens RLN reputatieschade heeft veroorzaakt. Er is ook geen sprake van smaad en laster. Voor deze beschuldiging levert RLN geen enkel bewijs en voor de dientengevolge vermeende schade evenmin. Het feit dat [verweerder] tot beslaglegging is overgegaan levert ook geen toerekenbare tekortkoming op. RLN is met betaling van de facturen van [verweerder] immers in verzuim, op grond waarvan [verweerder] het recht heeft om nakoming te vorderen en die nakoming middels beslaglegging te verzekeren.

3.8.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

kwalificatie van de rechtsverhouding

4.1.

Gelet op de grondslagen van de vorderingen in conventie en reconventie staat

allereerst ter beoordeling hoe de contractuele relatie tussen partijen gekwalificeerd dient te

worden. Waar RLN stelt dat er tussen partijen sprake is van een samenwerkingsverband in

de vorm van een vennootschap onder firma, kwalificeert [eiser 1] de contractuele relatie als

een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW.

4.2.

Voor de kwalificatie van de rechtsverhouding is van belang wat partijen bij het aangaan van hun rechtsverhouding voor ogen stond, alsmede de wijze waarop zij daaraan feitelijk uitvoering hebben gegeven.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de door RLN opgestelde vennootschapsovereenkomst niet door [eiser 1] is ondertekend. Ingevolge artikel 152 lid 1 Rv jo artikel 22 WvK kan het bestaan van een vennootschap onder firma tussen de vennoten alleen worden bewezen door een akte. Dit dwingende bewijsvoorschrift brengt mee dat het ontbreken van een akte in de interne verhoudingen in de weg staat aan het aannemen van het bestaan van een vennootschap onder firma (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2013:4672 en ECLI:NL:PHR:2013:CA3786). Nu RLN geen akte in het geding heeft gebracht waaruit het bestaan van een overeenkomst van vennootschap onder firma blijkt, kan niet geoordeeld worden dat er tussen partijen een vennootschap onder firma tot stand is gekomen.

4.4.

De rechtsverhouding tussen partijen dient dan ook te worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, hetgeen ook volgt uit de door RLN ondertekende overeenkomst van opdracht met de datum 17 juli 2017.

4.5.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen die zijn gebaseerd op het bestaan van een vennootschap onder firma niet toewijsbaar zijn, omdat de grondslag daarvoor ontbreekt.

Dit betreft de reconventionele vorderingen van RLN met betrekking tot de wegens schending van het concurrentiebeding door RLN geleden schade en de vordering tot het meedelen van [eiser 1] in de schulden van de vennootschap onder firma. Hierop wordt in rechtsoverweging 4.36 en volgende nader ingegaan.

4.6.

Thans zullen de vorderingen in conventie beoordeeld worden.

in conventie

Vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser 1]

4.7.

Artikel 7:405 lid 1 BW bepaalt dat een opdrachtnemer die de overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, recht heeft op loon. [eiser 1] vordert in dit verband betaling van zijn onbetaald gebleven facturen over de periode juli 2017 tot en met november 2017, voor een totaalbedrag van € 45.240,10, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf datum verzuim.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser 1] de over voornoemde periode in rekening gebrachte werkzaamheden in opdracht en ten behoeve van RLN heeft verricht. RLN heeft de hoogte van de facturen van [eiser 1] ook niet betwist zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. RLN is derhalve gehouden het bedrag van € 45.240,10 aan openstaande facturen te voldoen. Zowel in artikel 5.3 van de overeenkomst van opdracht als op de facturen van [eiser 1] wordt een betalingstermijn van 30 dagen vermeld. De hoofdsom zal dan ook worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente, te berekenen vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen.

4.9.

RLN heeft een beroep gedaan op verrekening van de facturen van [eiser 1] met de schadevergoeding die RLN stelt van [eiser 1] te vorderen te hebben op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad. Of die (reconventionele) vorderingen toewijsbaar zijn en aldus het beroep op verrekening slaagt, zal hierna onder 4.36 en volgende aan de orde komen.

Prestatiebonus

4.10.

Naast de betaling van zijn facturen vordert [eiser 1] een bedrag van € 17.000,00 aan prestatiebonus. [eiser 1] beroept zich hierbij op de notulen van de op 12 november 2017 gehouden vergadering, zoals hiervoor onder 2.8 is opgenomen. Volgens [eiser 1] is hem de bonus c.q. winstdeling door RLN toegezegd ter compensatie van het lagere uurtarief dat door hem in rekening is gebracht (€ 40,00 in plaats van € 46,00). RLN betwist dat zij [eiser 1] een prestatiebonus heeft toegezegd. Zij had als startende onderneming nog helemaal geen zicht op haar financiën.

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel juist is dat uit de door [eiser 1] aangehaalde notulen van de vergadering volgt dat partijen hebben gesproken over een winstdeling, moet dit gezien worden in de context van de door RLN aangenomen vennootschapsverhouding tussen haar en [eiser 1] . Om die reden heeft zij in reconventie ook gevorderd [eiser 1] te veroordelen tot het meebetalen in de schulden van RLN . Nu hiervoor onder 4.3 is geoordeeld dat er van een vennootschapsverhouding tussen partijen geen sprake is geweest, kan van een daaruit voortvloeiende aanspraak op een winstdelingsregeling niet worden gesproken. Niet is gesteld of gebleken dat RLN [eiser 1] , ook buiten een vennootschapsverband om, een recht op deling in de winst van RLN heeft toegezegd, nog daargelaten dat [eiser 1] , in het licht van de betwisting daarvan door RLN , onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat RLN in de periode van juli 2017 tot en met november 2017 een bedrag van € 51.000,00 aan winst zou hebben genoten. Dit deel van de vordering van [eiser 1] wordt dan ook afgewezen.

Diverse schadeposten

4.12.

De rechtbank zal hierna de door [eiser 1] gevorderde materiële en immateriële schadeposten, die zijn gebaseerd op beweerdelijk onrechtmatig handelen van RLN , bespreken. De materiële schade ziet op de financiële schade van [eiser 1] en de immateriële schade ziet op de emotionele schade en reputatieschade die [eiser 1] stelt te hebben geleden.

4.13.

Als toetsingskader bij de beoordeling van de vorderingen tot vergoeding van schade geldt dat, in aansluiting op de artikelen 6:162 BW en 6:98 BW, [eiser 1] het bestaan en de omvang van de schade dient te stellen en bij betwisting daarvan dient te bewijzen, althans aannemelijk te maken. Het is in dit verband dus aan [eiser 1] om het causaal verband tussen de schade en de onrechtmatige gedraging van RLN te stellen en te bewijzen, waarbij voor vergoeding slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid RLN berust, dat zij haar, gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

Onrechtmatige uitlatingen?

4.14.

Door [eiser 1] is een verklaring voor recht gevorderd dat RLN onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zich smadelijk en lasterlijk over [eiser 1] en zijn onderneming uit te laten. Als grondslag van zijn vordering heeft [eiser 1] verwezen naar de brief van (de voormalig advocaat van) RLN van 15 december 2017, die als kopie door RLN is meegezonden met haar e-mail van 20 december 2017 aan verschillende opdrachtgevers. In de brieven zijn diverse lasterlijke en smadelijke uitspraken over [eiser 1] gedaan die hem in een kwaad daglicht hebben gesteld en niet anders dan als doel hebben gehad om hem als persoon en professional zwaar te beschadigen, aldus [eiser 1] .

4.15.

RLN heeft betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan smaad en laster. Volgens haar zijn de door haar gedane uitlatingen juist en beroept zij zich op haar vrijheid van meningsuiting.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat, hoewel RLN op grond van artikel 10 EVRM een vrijheid van meningsuiting toekomt en het haar in beginsel vrij staat om zich kritisch over [eiser 1] uit te laten, zij daarbij wel de grenzen die de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer met zich brengt in acht dient te nemen. Deze grens wordt overschreden indien de door haar gedane uitlatingen feitelijk onjuist, beledigend of onnodig grievend zijn of erop zijn gericht om [eiser 1] schade te berokkenen.

4.17.

De rechtbank stelt vast dat door RLN geen enkele feitelijke onderbouwing is gegeven van de door haar gedane beweringen. De beschuldiging van RLN dat [eiser 1] fraude zou hebben gepleegd, dat hij onder toezicht zou hebben gestaan bij een voormalig werkgever en de door RLN openlijk in twijfel getrokken integriteit en zorgethiek van [eiser 1] vinden dan ook geen steun in aanwezig objectief feitenmateriaal, waarmee deze uitlatingen van RLN jegens [eiser 1] als onrechtmatig worden geoordeeld. Het belang van [eiser 1] om van dergelijke ongefundeerde beschuldigingen gevrijwaard te blijven dient te prevaleren boven het belang van RLN om een in haar ogen “zo eerlijk mogelijk beeld van [eiser 1] te hebben willen schetsen.

4.18.

Dit leidt tot het oordeel dat de onder (v) gevorderde verklaring voor recht en het onder (viii) gevorderde verbod om dergelijke uitlatingen over [eiser 1] nog te doen zullen worden toegewezen in de zin zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

4.19.

Vervolgens dient te worden bezien of [eiser 1] schade heeft geleden en of er sprake is van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen (de onjuiste uitlatingen) en de door [eiser 1] gestelde schade.

Vermogensschade (gederfde inkomsten)

4.20.

In zijn akte vermeerdering van eis heeft [eiser 1] zijn vordering voor wat betreft zijn gederfde inkomsten c.q. misgelopen omzet berekend op een totaalbedrag van

€ 73.694,63 over de periode december 2017 tot en met juli 2018. Volgens [eiser 1] is het causaal verband tussen de diffamerende uitlatingen van RLN en zijn winstdervingen bewezen doordat [eiser 1] in 2018 substantieel minder inkomen heeft gehad dan in het jaar daarvoor en hiervoor geen andere aanwijsbare reden is dan de kwestie met RLN en de door haar gedane onrechtmatige uitlatingen.

4.21.

RLN heeft betwist dat er sprake is van causaal verband tussen de uitlatingen van RLN en de gestelde inkomensschade.

4.22.

De rechtbank overweegt dat [eiser 1] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan, indien bewezen, komt vast te staan dat het onrechtmatig handelen van RLN tot gevolg heeft gehad dat hij geen of minder opdrachten heeft kunnen verwerven. [eiser 1] heeft de door hem gevorderde schade op geen enkele manier onderbouwd met gegevens van feitelijke en financiële aard. Met de enkele verwijzing naar het door hem als productie 9 overgelegde overzicht waaruit zijn inkomsten zouden blijken, is niet aangetoond dat de lagere omzet, enkel en alleen dan wel deels, is toe te schrijven aan het onrechtmatig handelen van RLN .

4.23.

De gevorderde schade van € 73.694,63 dient dan ook wegens het ontbreken van causaal verband te worden afgewezen.

Schade als gevolg van studievertraging

4.24.

[eiser 1] heeft een bedrag van € 20.120,11 gevorderd met als grondslag dat hij als gevolg van de negatieve uitlatingen en de hetze door RLN zijn studiewerkzaamheden nauwelijks heeft kunnen verrichten. RLN is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade die hieruit is voortgevloeid.

4.25.

RLN heeft deze schadepost gemotiveerd betwist. Volgens haar had [eiser 1] al voor de breuk tussen partijen een achterstand in zijn studie.

4.26.

De rechtbank overweegt dat [eiser 1] , gelet op het verweer van RLN , geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan, indien bewezen, komt vast te staan dat het onrechtmatig handelen van RLN tot gevolg heeft gehad dat hij zijn studiewerkzaamheden niet of nauwelijks heeft kunnen verrichten en dat hij dat zonder de uitlatingen van RLN wel had gedaan, met de als gevolg daarvan ontstane schade.

4.27.

De gevorderde schade van € 20.120,11 dient dan ook wegens het ontbreken van causaal verband te worden afgewezen.

De schadevergoeding wegens aantasting van de eer en goede naam (reputatieschade)

4.28.

[eiser 1] heeft een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd op grond van reputatieschade. [eiser 1] heeft daartoe gesteld dat RLN hem willens en wetens in een kwaad daglicht heeft willen stellen met als enige doel om hem als persoon en professional zwaar te beschadigen.

4.29.

RLN heeft daartegen aangevoerd dat [eiser 1] onvoldoende heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de bedrijfsvoering van [eiser 1] door de uitlatingen van RLN risico heeft gelopen, dan wel dat hij reputatieschade heeft geleden.

4.30.

Bij de beoordeling hiervan wordt het volgende vooropgesteld. Artikel 6:106 BW geeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij in zijn eer of goede naam is geschaad. De rechter heeft bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding grote vrijheid (zie Parl. gesch. Boek 6, p. 380).

Gelet op wat hierboven is overwogen is komen vast te staan dat RLN , door de grievende beschuldigingen die zij aan het adres van [eiser 1] heeft geuit, onrechtmatig jegens [eiser 1] heeft gehandeld en dat [eiser 1] door die uitingen in zijn eer en goede naam is aangetast. Dit levert een immateriële aantasting in de persoon op die in beginsel een vergoeding van immateriële schade rechtvaardigt. Het is hiervoor niet vereist dat de bedrijfsvoering van [eiser 1] werkelijk risico heeft gelopen.

4.31.

Gelet op alle omstandigheden en gelet op het feit dat ook een verklaring voor recht dat RLN onrechtmatig heeft gehandeld zal worden gegeven en (zoals hieronder zal worden overwogen) RLN de uitingen dient te rectificeren wat reeds een vergoeding anders dan in geld oplevert, acht de rechtbank nog een geldelijke schadevergoeding van € 500,00 billijk, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Hierbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat er van moet worden uitgegaan dat RLN de brief alleen naar De Prinsenstichting en DNZ heeft verzonden omdat niet is komen vast te staan dat deze brief ook nog naar meer en/of andere opdrachtgevers is gezonden. Dat dit laatste het geval is geweest is door [eiser 1] namelijk onvoldoende onderbouwd. Dit geldt vooral omdat RLN heeft gesteld op dat moment alleen deze twee opdrachtgevers te hebben gehad en dit door [eiser 1] niet is betwist.

Rectificatie

4.32.

Artikel 6:167 lid 1 BW bepaalt dat wanneer iemand jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuist of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, de rechter hem op vordering van die ander kan veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.

4.33.

Nu hiervoor onder 4.17 is geconcludeerd dat er naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijke grond bestond voor de door RLN in haar brieven van 15 en 20 december 2017 geuite negatieve uitlatingen/beschuldigingen over [eiser 1] , dient er een rectificatie plaats te vinden.

4.34.

De rechtbank constateert dat RLN geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd tegen de in de brief van 16 januari 2018 door de advocaat van [eiser 1] geformuleerde tekst van de rectificatie en de wijze waarop de rectificatie dient te worden gedaan. De gevorderde rectificatie zal aldus worden toegewezen. De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat deze zal worden gematigd.

in reconventie

4.35.

In reconventie heeft RLN gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [verweerder] uit hoofde van wanprestatie, dan wel onrechtmatige daad, aansprakelijk is voor de door RLN geleden schade. RLN wenst in dit verband een vijftal schadeposten vergoed te zien door [verweerder] . Om te beoordelen of [verweerder] toerekenbaar tekort is geschoten of een onrechtmatige daad heeft gepleegd, zal de rechtbank hieronder de afzonderlijke schadeposten beoordelen.

schending concurrentiebeding

4.36.

RLN vordert een verklaring voor recht dat [verweerder] wegens schending van het concurrentiebeding aansprakelijk is voor de door RLN geleden schade en veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 100.000,00 aan verschuldigde boetes.

4.37.

Als uitgangspunt voor de beoordeling van deze vorderingen geldt, zoals hiervoor reeds onder 4.3 is geoordeeld, dat er tussen partijen geen sprake is van een vennootschap onder firma. [verweerder] heeft op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor RLN verricht. Niet is gebleken dat partijen een concurrentiebeding zijn overeengekomen. De vordering van RLN , voor zover deze strekt tot het verklaren voor recht dat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met het concurrentiebeding, wordt dan ook afgewezen. In het verlengde daarvan geldt dit ook voor de vordering tot betaling van € 100.000,00 aan verschuldigde boetes op grond van het overtreden van het beding.

4.38.

Het ontbreken van een tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding brengt mee dat [verweerder] ten opzichte van RLN in beginsel concurrerende activiteiten mag ontplooien, waarbij hij ook relaties van RLN mag benaderen, zolang er daarbij geen sprake is van onrechtmatige concurrentie. Voor zover RLN subsidiair heeft gesteld dat [verweerder] jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich als concurrent van RLN te vestigen en daarbij actief en welbewust klanten en medewerkers van RLN te benaderen ten behoeve van de werving voor zijn nieuwe onderneming en de grote klanten van RLN ook daadwerkelijk mee te nemen, wordt als volgt overwogen.

4.39.

Uit de jurisprudentie blijkt dat van een onrechtmatige concurrentie sprake is in het geval van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzaam debiet van de voormalig werkgever, door onder andere diens klanten af te nemen met behulp van kennis en gegevens die in de vorige dienstbetrekking zijn verkregen (vgl. HR 9 december 1955, NJ 1956/157). Er dient sprake te zijn van een optelsom van bijkomende omstandigheden, waarbij de stelplicht en bewijslast hiervan op RLN rusten. Niet is gebleken dat [verweerder] de klantenkring van RLN systematisch heeft bewerkt om hen te bewegen de relatie met RLN te verbreken. Uit de daartoe overgelegde producties blijkt dat De Prinsenstichting en DNZ juist door de handelwijze van RLN ervoor hebben gekozen om met [verweerder] verder te gaan. Het lag op de weg van RLN haar stelling op dit punt feitelijk en concreet (nader) te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan.

4.40.

De vorderingen van RLN , gebaseerd op wanprestatie of onrechtmatig handelen, zullen derhalve worden afgewezen.

Conservatoire beslagen

4.41.

RLN vordert een verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door RLN geleden schade ten gevolge van de door [verweerder] gelegde conservatoire beslagen met een veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 524,29 in verband met de kosten die zijn gemaakt om de beslagen op te heffen. RLN voert daartoe aan dat de beslagen onterecht zijn gelegd.

4.42.

Van een ten onrechte gelegd beslag is echter geen sprake. In conventie is immers geoordeeld dat RLN in verzuim is gebleven met de betaling van de door [verweerder] gezonden facturen voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden, waardoor niet gezegd kan worden dat het ten gunste van [verweerder] gelegde beslag onrechtmatig is. Deze vorderingen van RLN worden derhalve afgewezen.

Gederfde inkomsten

4.43.

RLN vordert vergoeding van de als gevolg van de onrechtmatige opzegging gederfde winst. De vordering van € 300.000,00 ziet op de omzet die RLN zou hebben gederfd over de periode tot en met eind 2018 bij de verschillende opdrachtgevers alsmede de gederfde winst van de werkzaamheden die [verweerder] en de personen die hij heeft meegenomen heeft ingebracht.

4.44.

[verweerder] heeft deze vordering betwist. Van een onrechtmatige opzegging is geen sprake, aldus [verweerder] .

4.45.

De stelling van RLN dat de opzegging door [verweerder] onrechtmatig is omdat de opzegging niet bij aangetekend schrijven of een deurwaardersexploot is geschied, treft geen doel. De opzegging van een overeenkomst van opdracht is in beginsel vormvrij.

Voor wat betreft de stelling van RLN dat [verweerder] onrechtmatig heeft opgezegd omdat hij de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden niet in acht heeft genomen, geldt allereerst dat niet is gebleken dat partijen een dergelijke termijn zijn overeengekomen. Bovendien geldt dat ingevolge artikel 7:408 BW een overeenkomst van opdracht te allen tijde kan worden opgezegd, ook als er sprake is van een overeenkomst waaraan een bepaalde duur is verbonden. Opzegging is zowel voor de opdrachtnemer als voor de opdrachtgever mogelijk wegens gewichtige redenen (artikel 7:408 lid 2 BW). Als gewichtige redenen worden beschouwd veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst van opdracht billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Daarvan is onder meer sprake als de opdrachtnemer op goede grond het vertrouwen in de opdrachtgever heeft verloren.

4.46.

De vraag die derhalve ter beoordeling voorligt, is of [verweerder] een gewichtige reden had de overeenkomst van opdracht met RLN op te zeggen. [verweerder] heeft daartoe – onbetwist – gesteld dat er gaandeweg de opdracht strubbelingen en wrijvingen tussen partijen waren ontstaan en dat zijn positie werd ondermijnd door het buiten zijn medeweten om veranderen van de inlogcodes vrijwel direct nadat hij RLN eind oktober 2017 van zijn voorgenomen beëindiging in kennis had gesteld. Dit heeft de onderlinge verstandhouding zeer op scherp gezet en billijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] RLN per brief van 22 november 2017 het einde van de samenwerking en de opzegging van de overeenkomst per 1 december 2017 heeft aangekondigd.

4.47.

Nu de door [verweerder] gevoelde vertrouwensbreuk tussen partijen als redelijke grond voor opzegging heeft te gelden, ontbreekt een grond voor schadevergoeding, zodat de vordering van RLN tot voldoening van € 300.000,00 niet toewijsbaar is, nog daargelaten dat dit bedrag op geen enkele wijze (cijfermatig) is onderbouwd.

De schadevergoeding wegens reputatieschade

4.48.

RLN heeft een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd op grond van reputatieschade en psychische schade. RLN heeft daartoe gesteld dat [verweerder] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de klanten en relaties van RLN een brief te sturen, zonder dit met RLN af te stemmen. RLN heeft hierdoor schade geleden omdat de door [verweerder] benaderde organisaties vanwege zijn berichtgeving hebben aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in RLN . Hierdoor is RLN ook niet meer aan andere relaties van onder andere De Prinsenstichting voorgesteld, terwijl het volgens RLN in lijn der verwachting lag dat zij nog voor de duur van minimaal een jaar diensten kon leveren voor de aan De Prinsenstichting gelieerde organisaties.

4.49.

[verweerder] heeft daartegen aangevoerd dat het niet meer dan logisch is dat hij De Prinsenstichting en DNZ over de beëindiging van zijn werkzaamheden voor RLN heeft geïnformeerd omdat hij voor deze partijen werkzaamheden verrichtte. [verweerder] heeft zich totaal niet negatief uitgelaten over RLN en kan haar dus ook geen reputatieschade hebben veroorzaakt.

4.50.

Nog daargelaten dat RLN in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre haar reputatie (daadwerkelijk) is geschaad, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat [verweerder] in zijn brief van 22 november 2017 mededelingen heeft gedaan die in strijd waren met de feiten. De term ‘ontwrichte samenwerking’ is niet zodanig ernstig dat [verweerder] door het gebruik daarvan, in samenhang bezien met het doel dat hiermee was gediend, onrechtmatig jegens RLN heeft gehandeld. Dit geldt temeer nu uit de onder 2.15 en 2.16 genoemde e-mailberichten ondubbelzinnig blijkt dat de beëindiging van de samenwerking met De Prinsenstichting en DNZ aan de eigen houding van RLN valt te wijten. Gelet hierop en op het ontbreken van een onderbouwing van de schade door RLN wordt dit deel van haar vordering afgewezen.

4.51.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de vorderingen in reconventie zal afwijzen. Dit betekent ook dat het beroep van RLN op verrekening met haar schade niet slaagt en RLN hierna dan ook veroordeeld wordt tot betaling van de facturen aan [verweerder] voor een bedrag van € 45.240,10.

proceskosten

4.52.

Bij deze uitkomst van de procedure zal RLN , zowel in conventie als in reconventie, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op:

- explootkosten € 98,01

- griffierecht 1.565,00

- salaris advocaat 3.322,00 (3 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.985,01

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt RLN hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 45.240,10 (vijfenveertig duizendtweehonderdveertig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW telkens vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop RLN de factuur heeft ontvangen, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

verklaart voor recht dat RLN onrechtmatig jegens [eiser 1] heeft gehandeld door zich smadelijk en lasterlijk uit te laten over [eiser 1] en zijn onderneming;

5.3.

veroordeelt RLN hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 500,00 aan immateriële schadevergoeding;

5.4.

beveelt RLN om binnen een week na dit vonnis de door haar gedane lasterlijke en smadelijke uitlatingen te rectificeren door aan De Prinsenstichting en DNZ via dezelfde communicatiekanalen als waarop zij zijn geïnformeerd de volgende tekst te zenden:

“RECTIFICATIE

In onze e-mail van 20 december 2017 en de bijgesloten brief van mr. J. Breeveld d.d. 15 december 2017 hebben wij ten aanzien van de heer [eiser 1] en zijn onderneming [naam onderneming] in diskrediet gebracht door diverse strafbare en onrechtmatige uitlatingen onzerzijds. Wij bieden hiervoor onze excuses aan.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2]

Team RLN Care Solutions ”

5.5.

verbiedt RLN om zich op onrechtmatige wijze, in woord of geschrift, direct of indirect in het openbaar waaronder tevens te verstaan via internet, websites of weblog op het internet of anderszins uit te laten over [eiser 1] , in de zin van hem te beschuldigen van fraude, gebrek aan integriteit en/of zorgethiek of daarnaar verwijzende opmerkingen te maken;

5.6.

bepaalt dat RLN bij het niet, niet volledig en/of niet geheel tijdig nakomen van de hiervoor onder 5.4. en 5.5. genoemde bevelen een direct opeisbare dwangsom aan [eiser 1] verschuldigd is van € 500,00 voor iedere dag – een gedeelte van de dag daaronder begrepen – dat die overtreding voortduurt, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 25.000,00;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.8.

wijst de vorderingen af;

in conventie en in reconventie

5.9.

veroordeelt RLN hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] tot op heden begroot op € 4.985,01;

5.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.1

2012/544

1 type: coll: