Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5843

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
10/600203-08 (ontnemingsvordering)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvonnis, grondslag 36e, derde lid, Sr.

Kasopstelling

Op de feiten die zien op de periode vóór 1 juli 2011 is artikel 36e, derde lid, Sr (oud) van toepassing.

Overschrijding redelijke termijn.

Beslissing:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 3.534.850,70 en legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat voor dat bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/600203-08 (ontnemingsvordering)

Datum uitspraak: 18 juli 2019

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,

raadsman mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juni 2019.

De behandeling van de vordering op de terechtzitting is voorafgegaan door een schriftelijke conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de opeenvolgende raadslieden van de veroordeelde (hierna: de verdediging).

VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 maart 2017 is de veroordeelde veroordeeld wegens de na te noemen strafbare feiten.

Van dat arrest is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. M.L.B. Wille, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat op een bedrag van € 5.335.373,00 en - na wijziging ter zitting - tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van

€ 5.325.373,00.

TOEPASSELIJK RECHT

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de inwerkingtreding van artikel 36e, derde lid, Sr met ingang van 1 juli 2011 een uitbreiding inhoudt van de toepasselijke regels van sanctierecht en om die reden buiten toepassing dient te blijven voor de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld en die zijn begaan vóór 1 juli 2011. Voor zover nieuw recht van toepassing wordt verklaard, bepleit de verdediging geen toepassing te geven aan de in artikel 36e, derde lid, Sr (nieuw) opgenomen bewijsvermoedens op de door de officier van justitie gehanteerde kasopstelling, althans die in tijd te beperken en te rekenen vanaf 1 juli 2011 overeenkomstig artikel 36e, vierde lid, Sr (nieuw).

Beoordeling en conclusie

De rechtbank stelt vast dat op 1 juli 2011 - dus op een moment dat ligt in de periode waarop de kasopstelling is gebaseerd - een wetswijziging heeft plaatsgevonden. Bij deze wetswijziging is (onder andere) de tekst van artikel 36e, derde lid, Sr gewijzigd. Hierbij is een aantal bewijsvermoedens geïntroduceerd en is het vereiste dat een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) moet zijn ingesteld, vervallen.

Op de feiten die zien op de periode vóór 1 juli 2011 is artikel 36e, derde lid, Sr (oud) van toepassing.

In deze zaak heeft de toepassing van het oude recht op de feiten vóór 1 juli 2011 geen gevolgen. Voor het doen van onderzoek naar de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde is op 29 mei 2009 een SFO geopend. Dat betekent dat ook aan het vereiste van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) is voldaan.

Daarnaast zijn de bewijsvermoedens zoals bepaald in artikel 36e, derde lid, Sr (nieuw) in deze ontnemingszaak niet toegepast - ook niet op de feiten gepleegd vóór 1 juli 2011 -, zodat het verzoek van de verdediging zonder belang is.

UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEREKENING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e, derde lid, Sr. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (en in geval van feiten vóór 1 juli 2011: tegen wie als verdachte van dat misdrijf een SFO is ingesteld) een ontnemingsmaatregel worden opgelegd, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

Op 2 maart 2017 is de veroordeelde door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het meermalen (medeplegen van het) binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van softdrugs en een poging daartoe, (het medeplegen van) een poging om amfetamine binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan. Voor genoemde misdrijven kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

TOEGEPASTE BEREKENINGSMETHODE

Tegen de veroordeelde is, na machtiging van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, op 29 mei 2009 een SFO genaamd ‘Fotino’ over de periode 1 januari 2005 tot 15 oktober 2011 ingesteld. Vervolgens is op 13 augustus 2014 het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) opgemaakt. Daarin is bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in de genoemde periode de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling gehanteerd. Kenmerkend voor deze methode is dat er geen direct verband hoeft te bestaan met de strafbare feiten die zijn bewezen verklaard. Bij deze methode worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Omdat er niet meer kan worden uitgegeven dan er (legaal) aan inkomsten is binnengekomen, wordt het negatieve verschil tussen de inkomsten en uitgaven aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De conclusie van dit rapport is dat uit de eenvoudige kasopstelling kan worden afgeleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.1

De veroordeelde is in de gelegenheid gesteld om, zo nodig door stukken onderbouwd, aannemelijk te maken dat en waarom de door middel van de kasopstelling vastgestelde onverklaarbare ontvangsten niet of niet geheel hun oorsprong vinden in feiten als bedoeld in artikel 36e Sr dan wel anderszins niet kunnen gelden als voordeel in de zin van die bepaling.

GRONDSLAG SCHATTING

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het rapport is een dergelijk wettig bewijsmiddel. Bovendien zijn in het rapport vermeld de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:BV9087, zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven, maar volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport, voor zover deze door de veroordeelde niet of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. Indien een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, zal de rechtbank de schatting, voor zover die niet volgt uit het rapport, motiveren onder verwijzing naar de relevante vindplaatsen in het dossier.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Gelet op de veroordeling door het Gerechtshof en gezien de resultaten van het SFO zoals neergelegd in het rapport, waaruit onder andere volgt dat de veroordeelde tussen 1 januari 2005 en 15 oktober 2011 veel meer contant heeft uitgeven dan hij op legale wijze contant heeft ontvangen, acht de rechtbank aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit zowel de feiten waarvoor hij is veroordeeld als uit andere strafbare feiten. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen. De algemene stelling van de verdediging dat er geen sprake is geweest van enig wederrechtelijk verkregen voordeel en dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen bij gebreke aan wettige bewijsmiddelen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, wordt dus verworpen.

De rechtbank heeft het rapport aan haar berekening ten grondslag gelegd en neemt de berekeningsmethode uit het rapport over, met dien verstande dat zij, mede gelet op een aantal uitgaven die voldoende gemotiveerd zijn betwist door de verdediging, op de volgende punten van het rapport zal afwijken:

a. Berekening investering verdovende middelen2

In het rapport wordt uitgegaan van een inkoopprijs van € 3.306,14 per kilo voor hennep en van een inkoopprijs van € 1.900,00 per kilo voor hash. Deze prijzen zijn ontleend aan gegevens van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise (hierna: ‘NND’).

De verdediging heeft de in het rapport gehanteerde inkoopprijzen betwist.

De rechtbank stelt vast dat de door het NND gehanteerde drugsprijzen gebaseerd zijn op coffeeshopprijzen, oftewel verkoopprijzen. Die prijzen zijn dus niet zonder meer bruikbaar in het onderhavige geval, nu het hier gaat om het bepalen van de inkoopprijs voor de groothandel. Voor het bepalen van de inkoopprijs van een kilo hennep sluit de rechtbank daarom aan bij een tapgesprek tussen de veroordeelde en [naam 1] van 30 maart 2009, waaruit kan worden afgeleid dat tussen partijen een inkoopprijs van € 1.250,00 is afgesproken voor een kilo hennep3. De rechtbank zal bij het berekenen van de investering in verdovende middelen deze prijs hanteren als de inkoopprijs van een kilo hennep.

In het dossier bevindt zich tevens een sms-bericht van de veroordeelde aan [naam 2] van 5 november 20094. Uit de inhoud van dit bericht leidt de rechtbank af dat tussen partijen een inkoopprijs van € 1.100,00 is afgesproken voor een kilo hash. De rechtbank zal bij het berekenen van de investering in verdovende middelen deze prijs hanteren als de inkoopprijs van een kilo hash.

De rechtbank komt dan tot de volgende berekening van de investeringen in verdovende middelen:

Zaak 1:

82 kilo hennep x € 1.250,00 = € 102.500,00 € 102.500,00

Zaak 2:

84,32 kilo hennep x € 1.250,00 = € 105.400,00

2,15 kilo amfetamine x € 800,00 = € 1.720,00

1,54 kilo hash x € 1.100,00 = € 1.694,00

-----------------------------------------------------------------

€ 108.814,00 € 108.814,00

Zaak 3:

71 kilo hennep x € 1.250,00 = € 88.750,00

65 kilo hennep x € 1.250,00 = € 81.250,00

19 kilo hennep x € 1.250,00 = € 23.750,00

30 kilo hash x € 1.100,00 = € 33.000,00

2 kilo hash x € 1.100,00 = € 2.200,00

19 kilo hash x € 1.100,00 = € 20.900,00

30 kilo hash x € 1.100,00 = € 33.000,00

407 kilo hash x € 1.100,00 = € 447.700,00

9 kilo hennep x € 1.250,00 = € 11.250,00

-----------------------------------------------------------------

€ 741.800,00 € 741.800,00

----------------

Totaal € 953.114,00

De rechtbank neemt een totaalbedrag aan investeringen van € 953.114,00 op aan de uitgavenkant van de kasopstelling.

Uitgaven wegens aankoop auto’s 5

In het rapport wordt uitgegaan van een bedrag van € 125.040,00 aan contante uitgaven voor de aankoop van auto’s.

De verdediging heeft dit bedrag betwist en heeft onder meer gesteld dat een deel van de aankoopprijs van die auto’s is betaald uit de (legale) contante opbrengst van de verkoop van andere auto’s.

Uit een verklaring van de getuige [naam getuige 1] volgt dat hij in 2010 of 2009 een BMW X5 in Spanje heeft gekocht via een garage genaamd [naam garage] ( [naam autobedrijf] ) en dat de vorige eigenaar van deze BMW een Nederlander genaamd [schuilnaam veroordeelde] was oftewel de veroordeelde. Zijn verklaring wordt ondersteund door een document van het autobedrijf [naam autobedrijf] . Uit dit document kan worden afgeleid dat naar aanleiding van de verkoop van de BMW X5 een bedrag van € 25.000,00 is teruggevloeid naar [naam veroordeelde] .6 Gelet hierop zal de rechtbank daarom op de uitgaven wegens de aankoop van auto’s een bedrag van € 25.000,00 in mindering brengen.

Uitgaven verbouwing [adres] Amsterdam 7

In het rapport wordt uitgegaan van een bedrag van € 177.055,70 aan contante uitgaven voor de verbouwing van dit appartement. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 maart 2017 het overdragen van een deel van dit bedrag - te weten € 153.055,70 - aangemerkt als gewoontewitwassen, omdat de veroordeelde ten tijde van het overdragen van dit geldbedrag wist dat het geld onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

De verdediging heeft het bedrag van € 177.055,70 betwist en heeft gesteld dat de veroordeelde voor deze verbouwing een contant bedrag van € 50.000,- heeft geleend van zijn zwager [naam 3] . Laatstgenoemd bedrag heeft dus een legale herkomst.

In de ontnemingsprocedure heeft de verdediging een overeenkomst van geldlening overgelegd tussen de veroordeelde en [naam 3] , waarin is neergelegd dat [naam 3] op 28 februari 2011 aan de veroordeelde een bedrag heeft geleend van € 50.000,00. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het Gerechtshof in de strafprocedure over deze overeenkomst beschikte.

Op 11 februari 2011 wordt er vanaf een bankrekening op naam van [naam 3] een bedrag van € 25.000,00 overgemaakt naar een bankrekening van [naam bedrijf] met de omschrijving “retour boeking lening”8. Op 21 februari 2011 wordt er vanaf een andere bankrekening op naam van [naam bedrijf] nogmaals een bedrag van

€ 25.000,00 overgemaakt naar die eerstgenoemde bankrekening van [naam bedrijf] . Vervolgens wordt er op 23 februari 2011 een totaalbedrag van € 50.000,00 in contanten van die rekening van [naam bedrijf] opgenomen9. Door deze contante opname, in combinatie met de overeenkomst van geldlening voor hetzelfde bedrag, oordeelt de rechtbank dat door de verdediging voldoende aannemelijk is gemaakt dat de veroordeelde € 50.000,00 in contanten heeft geleend van [naam 3] ten behoeve van de verbouwing. Dit bedrag zal daarom in mindering worden gebracht op de contante uitgaven voor de verbouwing van het desbetreffende appartement aan de [adres] .

Uitgaven wegens afpersing 10

De verdediging betwist dat de veroordeelde is afgeperst. De beschuldigden van deze vermeende afpersing zijn hiervan vrijgesproken en het bedrag, dat hiervoor in het rapport als contante uitgave van de veroordeelde is opgenomen, moet worden genegeerd.

Het feit dat de gewezen verdachten zijn vrijgesproken van afpersing, betekent echter niet dat de veroordeelde geen contante bedragen aan deze personen heeft betaald.

Gelet op het dossier is voldoende aannemelijk dat de veroordeelde bedragen van € 50.000,0011, € 200.000,0012, € 10.000,0013 en € 30.000,0014 contant aan hen heeft betaald. Dat betekent dat wordt uitgegaan van een totaalbedrag van € 290.000,00 aan uitgaven.

De officier van justitie heeft gesteld dat daarnaast nog een bedrag van € 680.000,00 door de veroordeelde aan de desbetreffende personen is betaald. De rechtbank stelt vast dat uit een telefoongesprek tussen [naam 4] en de veroordeelde van 24 september 200915 inderdaad volgt dat de veroordeelde € 680.000,00 diende te betalen. Uit het onderzoek blijkt dat de veroordeelde dit bedrag heeft betaald door tussenkomst van [naam 4] , waarbij het huis van [naam veroordeelde] in Spanje (al dan niet deels) is overgedragen aan [naam 4] . Het bedrag van € 680.000 is dus door [naam 4] aan de veroordeelde ter beschikking gesteld (als tegenprestatie voor zijn huis) en zal daarom niet worden opgenomen in de uitgavenkant van de kasopstelling.

De rechtbank verwerpt de volgende stellingen/verweren van de verdediging:

e. Beginsaldo 16

- De stelling dat de veroordeelde altijd contant geld uit de ondernemingen thuis ter beschikking had en dat dit bedrag op € 456.000,00 gesteld dient te worden.

De rechtbank is van oordeel dat als uitgangspunt voor het beginsaldo van de kasopstelling het door veroordeelde opgegeven bedrag aan de Belastingdienst heeft te gelden. In het rapport zijn de fiscale rapporten IB, en met name de specificatie van Box 3 (voordeel uit sparen en beleggen), als basis genomen voor de aanwezige contante gelden op 1 januari 2005. Het is vervolgens aan de veroordeelde om aannemelijk te maken dat hij op 1 januari 2005 - in weerwil van zijn eigen opgave - meer in kas had dan hij heeft opgegeven aan de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank is de veroordeelde daarin niet geslaagd. Op geen enkele wijze is de hoogte en de aanwezigheid van contant geld onderbouwd. Voor wat betreft het beginsaldo van de kasopstelling gaat de rechtbank daarom uit van de opgave in het rapport en stelt het bedrag vast op € 0,00.

f. Contante legale inkomsten 17

- De stelling van de verdediging dat er diverse contante uitgaven zijn gedaan uit legale bron, namelijk uit onttrekkingen van zijn ondernemingen.

In het rapport is rekening gehouden met de contante onttrekkingen uit de ondernemingen van de veroordeelde zoals blijkt uit de door de accountant opgemaakte stukken over de relevante periode. Indien de opgenomen onttrekkingen onjuist of onvolledig waren, had het op de weg van de veroordeelde gelegen om zijn stellingen met (nieuwe) stukken van de accountant te onderbouwen. Nu de veroordeelde dit heeft nagelaten, wordt uitgegaan van de conclusies in het rapport.

g. Investering verdovende middelen

- De stelling dat de investeringskosten in verdovende middelen buiten de kasopstelling dienen te worden gelaten. Daartoe is aangevoerd dat in het onderzoek op geen enkele wijze is komen vast te staan dat de veroordeelde geld in de bewezenverklaarde transporten heeft geïnvesteerd en dat het -op grond van in het strafvonnis genoemde omstandigheden- juist aannemelijker is dat die investeringen aan anderen dan de veroordeelde zouden moeten worden toegerekend. De veroordeelde moet als een ‘middleman’ worden beschouwd.

De rechtbank is onder verwijzing naar het rapport van oordeel dat de officier van justitie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verdachte zelf (in zaak 1 samen met anderen) heeft geïnvesteerd in verdovende middelen. De stelling van de verdediging dat de verdachte slechts een ‘middleman’ was en de verdovende middelen niet heeft betaald, is onvoldoende onderbouwd en daarmee onvoldoende aannemelijk geworden.

- De stelling -onder verwijzing naar de zaak Geerings van het EHRM- dat er geen aanwijzingen zijn of onderzoek is gedaan naar de veronderstelde voordelen uit drugstransporten voor de veroordeelde.

De rechtbank oordeelt dat een dergelijk onderzoek niet relevant is voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals weergegeven in het rapport, aangezien de berekening is gebaseerd op een kasopstelling. Hierbij wordt slechts rekening gehouden met alle legale contante inkomsten en contante uitgaven van de veroordeelde in een bepaalde periode (en het verschil daartussen). Er is geen sprake van een berekening per delict. Deze stelling wordt daarom verworpen en brengt geen verandering in de kasopstelling.

h. Alimentatie [naam ex-echtgenote veroordeelde] 18

- De stelling dat de in de taps genoemde bedragen dienen te worden beschouwd als grootspraak van de veroordeelde en dat die bedragen worden tegengesproken door de werkelijke gegevens.

[naam veroordeelde] is van 1990 of 1991 tot 1997 gehuwd geweest met [naam ex-echtgenote veroordeelde] . Uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen de veroordeelde en [naam 5] respectievelijk [naam ex-partner veroordeelde] komt naar voren dat [naam veroordeelde] aan zijn ex-echtgenote [naam ex-echtgenote veroordeelde] een alimentatiebedrag van ten minste

€ 600,00 per maand betaalde19. Het bedrag van € 600,00 wordt ook genoemd in een tapgesprek tussen de veroordeelde en [naam ex-echtgenote veroordeelde]20, waardoor het niet aannemelijk is dat dit bedrag dient te worden beschouwd als grootspraak van de veroordeelde. Tegenover de politie heeft [naam ex-echtgenote veroordeelde] bevestigd dat er een echtscheidingsconvenant was, waarin was opgenomen dat de veroordeelde € 1.100,00 aan hypotheek en € 600,00 aan alimentatie zou betalen en dat deze betalingen voor het merendeel contant zijn voldaan21. De inhoud van de tapgesprekken en de genoemde verklaring van [naam ex-echtgenote veroordeelde] worden onvoldoende weerlegd door de door de verdediging overgelegde vaststellingsovereenkomst, die is opgesteld in oktober 2015. Aan deze overeenkomst, die achttien jaar na de echtscheiding is opgemaakt, hecht de rechtbank gelet op het voorgaande geen waarde. Hetzelfde geldt voor de latere verklaring van [naam ex-echtgenote veroordeelde] dat zij slechts € 3.000,00 per jaar van de veroordeelde ontving. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk dat de contante uitgaven van de veroordeelde aan [naam ex-echtgenote veroordeelde] € 600,00 per maand bedroegen.

i. Uitgaven [naam ex-partner veroordeelde] 22

- De stelling dat [naam ex-partner veroordeelde] geen € 2.500,00 per maand heeft ontvangen, maar ongeveer € 1.000,00 per maand en dat een deugdelijke geobjectiveerde onderbouwing voor het in het rapport gehanteerde bedrag ontbreekt.

De schatting van de uitgaven van de veroordeelde voor [naam ex-partner veroordeelde] is ontleend aan meerdere tapgesprekken die door hem zijn gevoerd met [naam 6]23. Uit een overzicht van de bankrekening van [naam ex-partner veroordeelde] over 2009 volgt dat zij in dat jaar een bedrag van in totaal ruim € 19.000,00 contant op haar rekening heeft gestort24. Dit komt overeen met bijna

€ 1.600,00 per maand, dus veel meer dan de nadien door de veroordeelde en [naam ex-partner veroordeelde] gestelde € 1.000,00. [naam ex-partner veroordeelde] heeft bovendien bij de rechter-commissaris op 22 februari 2016 verklaard dat zij niet al het geld dat zij van de veroordeelde heeft ontvangen, op haar bankrekening heeft gestort. Uit de in het rapport weergegeven tapgesprekken in combinatie met de genoemde stortingen rond dezelfde datum in 2009 kan eveneens worden afgeleid dat een substantieel deel van de ontvangen bedragen niet door [naam ex-partner veroordeelde] op haar bankrekening werd gestort25. De rechtbank is van oordeel dat het geschatte bedrag van € 2.500,00 per maand aan contante uitgaven voor [naam ex-partner veroordeelde] daarmee voldoende aannemelijk is gemaakt.

j. Aankoop auto’s 26

- De stelling dat de auto’s (deels) contant zijn betaald met de contante opbrengsten van de verkoop van andere auto’s en dat er uiteindelijk een positieve contante opbrengst is gerealiseerd met de aan-/verkoop van auto’s van € 149.500,00.

Deze stelling is door de verdediging niet onderbouwd en daardoor onvoldoende aannemelijk gemaakt, met dien verstande dat - zoals eerder is overwogen - de rechtbank wegens de verkoop van een BMW X5 een bedrag van € 25.000,00 in mindering zal brengen op het in het rapport berekende totaalbedrag voor de aankoop van auto’s. Daarom zal een bedrag van € 100.040,00 worden opgenomen aan de uitgavenkant van de kasopstelling.

k. Kosten overbrengen boot 27

- De stelling dat de kosten voor het overbrengen van een boot naar Spanje ten bedrage van € 12.728,00 nooit door de veroordeelde zijn betaald, omdat de veroordeelde hierover niet tevreden was.

De verdediging heeft deze stelling niet onderbouwd, zodat de rechtbank uitgaat van de conclusie in het rapport dat de veroordeelde genoemd bedrag wel degelijk contant heeft betaald.

l. Appartement [naam appartement] 28

- De stelling dat het appartement is aangekocht voor ongeveer € 215.000,00. De veroordeelde zou van dit bedrag slechts € 26.000,00 contant hebben betaald en voor het resterende bedrag zou een hypotheek zijn afgesloten.

Deze stelling is door de verdediging niet nader onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de conclusies in het rapport, te weten een koopsom van € 269.800,00, zoals dat staat vermeld in de hypotheekakte van het appartement waarvan € 70.191,50 contant door de veroordeelde is voldaan.

m. Bouwproject Ibiza 29

- De stelling dat de veroordeelde slechts € 100.000,00 in de grond van [plaats] heeft geïnvesteerd, alsmede de stelling dat er sprake was van meerdere investeerders in het project [naam project] . De veroordeelde zou een bedrag van € 78.000,00 in laatstgenoemd project hebben geïnvesteerd en de betalingen zouden altijd via bankoverschrijvingen zijn gedaan.

Uit ‘de ontbinding van het koopcontract en de erkenning van schuld’ volgt dat de veroordeelde € 200.000,00 heeft aanbetaald voor de grond van [plaats]30. Dit bedrag wordt bevestigd in meerdere tapgesprekken en sms-berichten tussen de veroordeelde en [naam 7] en door de verklaring van de veroordeelde van 21 november 2011 dat hij “die twee ton niet heeft teruggekregen”31. Daarom wordt aan de latere andersluidende verklaring van [naam 7] geen waarde gehecht en gaat de rechtbank uit van een investering van € 200.000,00. Nu er geen bankoverschrijvingen zijn die hierop zien, is aannemelijk dat de veroordeelde dit bedrag contant heeft betaald. Dat de veroordeelde deze investering nooit heeft teruggekregen, heeft geen invloed op de uitgavenkant van de kasopstelling.

De verdediging heeft haar stelling dat er meerdere investeerders in het project [naam project] waren niet nader geconcretiseerd door bijvoorbeeld te onderbouwen welke personen en voor welke bedragen zij hebben geïnvesteerd. [naam 8] en [naam getuige 2] hebben hierover slechts in algemene zin verklaard. Daartegenover staat het inbeslaggenomen overzicht van gedane aanbetalingen voor een totaalbedrag van € 365.000,0032. Een deel van deze aanbetalingen wordt bevestigd door de bankrekeningoverzichten33 van de veroordeelde en door een betalingsbewijs34. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat de veroordeelde alle aanbetalingen zoals vermeld in het overzicht heeft verricht. De veroordeelde heeft een gedeelte van deze aanbetalingen - € 78.000,00 - per bank betaald. Dat bedrag dient dus in mindering te worden gebracht op het bedrag van € 365.000,00 en is niet meegenomen in de kasopstelling. Dat betekent dat ten aanzien van het project [naam project] een totaalbedrag van € 287.000,00 als contante uitgaven wordt opgenomen.

n. Maandelijkse lasten Spanje 35

- De stelling dat de veroordeelde in Spanje maandelijks € 5.500,00 aan vaste lasten betaalde, waarvan € 5.000,00 aan hypotheeklasten en € 500,00 voor gas en licht, is niet onderbouwd. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de conclusies in het rapport en een bedrag van € 484.645,00 als contante uitgaven wordt opgenomen.

o. Uitgaven voor levensonderhoud en diverse uitgaven 36

- De stelling dat de veroordeelde maandelijks € 6.500,00 gestort kreeg vanuit zijn bedrijf voor al zijn vaste lasten en dat de in het rapport geschatte uitgaven voor levensonderhoud veel te hoog zijn ingeschat en de stelling dat de uitgaven die hij deed zonder meer begrijpelijk, verklaarbaar en legaal verantwoord moeten worden geacht.

Alle legale contante inkomsten uit de coffeeshops, vermeerderd met de bankopnamen, zijn meegenomen in de kasopstelling. Door de verdediging is niet betwist dat de uitgaven voor levensonderhoud en de diverse uitgaven contant zijn gedaan. Ook de hoogte van de diverse uitgaven zijn niet door de verdediging betwist. In het rapport zijn de uitgaven van levensonderhoud geschat overeenkomstig de door het Nibud gepubliceerde cijfers in het Budgethandboek. Daarbij is uitgegaan van een eenpersoonshuishouden zijnde een minimumbedrag. De verdediging heeft niet onderbouwd waarom dit bedrag onjuist of te hoog is. De rechtbank gaat daarom uit van de in het rapport berekende uitgaven voor levensonderhoud en de overige diverse (contante) uitgaven, zodat deze onverkort kunnen worden opgenomen in de kasopstelling.

p. Legale inkomsten uit verhuur boot [naam boot] en verhuur huis en appartementen in Spanje

- De stelling dat de veroordeelde contante inkomsten had uit de verhuur van de boot, het huis en de appartementen in Spanje. Ter onderbouwing van die stelling is een verklaring overgelegd van [naam getuige 2] , gedateerd 17 oktober 201737.

De veroordeelde heeft bij de politie verklaard dat hij soms inkomsten had uit de verhuur van zijn woning. In hoger beroep is daaraan namens de veroordeelde toegevoegd dat de veroordeelde ook inkomsten had uit de verhuur van een boot, een omstandigheid die nog niet eerder was aangevoerd en die ook niet nader was geconcretiseerd. Ter onderbouwing van deze inkomsten uit verhuur is door de verdediging bij conclusie van dupliek een verklaring van de getuige [naam getuige 2] overgelegd. Deze verklaring is ruim een half jaar na het arrest van het Gerechtshof Den Haag opgesteld. De getuige stelt in deze verklaring onder meer dat hij medebeheerder was van het vastgoed. Hij noemt in deze verklaring slechts globale bedragen en noemt geen specifieke data. Bovendien wordt zijn verklaring niet met bewijsstukken onderbouwd. Tegenover deze verklaring staat de eerdere verklaring van de veroordeelde. Hij verklaart over de getuige [naam getuige 2] dat hij niets zakelijks met hem deed, maar dat [naam getuige 2] wel eens op zijn honden paste.38

Op grond van bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de stelling van de verdediging over de huuropbrengst van de boot en het onroerend goed in Spanje onvoldoende aannemelijk is geworden.

Dat betekent dat is voldaan aan de voorwaarde van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de heer [naam getuige 2] als getuige te horen.

De verdediging heeft bij zijn voorwaardelijke verzoek niet aangegeven wat deze getuige nog meer zou kunnen verklaren dan hij al heeft gedaan of welke stellingen hij bijvoorbeeld met stukken zou kunnen onderbouwen. De rechtbank oordeelt dat het voorwaardelijke verzoek daarmee onvoldoende is onderbouwd en wijst het verzoek af.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel:

Beginsaldo contant geld € 0,00

+/+ Legale contante ontvangsten € 375.928,00

+/+ Bankopnamen € 830.000,00

- / - Eindsaldo contant geld € 430.000,00

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 775.928,00

Daadwerkelijke uitgaven

-/- Bankstortingen € 607.625,00

-/- Contante uitgaven

investering in verdovende middelen € 953.114,00

alimentatie voor ex-echtgenote [naam ex-echtgenote veroordeelde] € 48.600,00

uitgaven voor ex-partner [naam ex-partner veroordeelde] € 153.500,00

aankoop van een aantal auto’s € 100.040,00

aankoop van een boot ‘ [naam boot] ’ € 386.400,00

overige uitgaven ‘ [naam boot] ’ € 97.228,00

aankoop appartement ‘ [naam appartement] ’ € 70.191,00

bouwproject Ibiza € 487.000,00

maandlasten in Spanje € 484.645,00

verbouwing [adres] € 127.055,70

levensonderhoud € 214.461,00

diverse uitgaven € 29.144,00

------------------

-/- bedrag aangeduid als betaald uit hoofde van “afpersing” € 290.000,00

-----------------

Daadwerkelijke stortingen/uitgaven € 4.049.003,70

Verschil contante uitgaven en beschikbare contante gelden: € 3.273.075,70

Vervolgprofijt verkoop [adres] Amsterdam € 261.775,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.534.850,70

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Overschrijding van de redelijke termijn

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van schending van de redelijke termijn ex artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat hiermee bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening moet worden gehouden. De officier van justitie acht het wegens de schending van de redelijke termijn redelijk dat een bedrag van € 10.000,00 in mindering wordt gebracht op het door de veroordeelde aan de staat te betalen bedrag.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. In zijn standaardarrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.12.2) heeft de Hoge Raad overwogen dat de redelijke termijn in ontnemingszaken begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid alsmede de termijn als bedoeld in art. 511b, eerste lid, Sv waarbinnen de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van het aan de Staat te betalen ontnemingsbedrag dat zou zijn vastgesteld indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op 11 november 2011, omdat op die datum de machtiging voor het instellen van het SFO aan de veroordeelde is betekend. In deze zaak zijn echter wel bijzondere omstandigheden aanwezig, nu de omvangrijke strafzaak in eerste aanleg pas in november 2013 is geëindigd. Vervolgens is het rapport op 13 augustus 2014 afgerond en is de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel binnen de gestelde termijn van twee jaar, te weten op 12 januari 2015, ingesteld. De ontnemingszaak heeft vervolgens vertraging opgelopen door meerdere verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen in binnen- en buitenland. Gelet op de aanvangsdatum en genoemde bijzondere omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn met ruim een jaar is overschreden. Dit betekent dat de rechtbank, evenals de officier van justitie, redenen aanwezig acht om het ontnemingsbedrag te verminderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarbij af te wijken van het voorstel van de officier van justitie en zal overeenkomstig dit voorstel € 10.000,00 op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen.

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen om een bedrag van € 3.524.850,70 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en (daaruit verkregen) vervolgprofijt aan de staat te betalen.

Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 3.534.850,70 (zegge: drie miljoen vijfhonderdvierendertig duizend achthonderdvijftig euro en zeventig eurocent);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 3.524.850,70 (zegge: drie miljoen vijfhonderdvierentwintig duizend achthonderdvijftig euro en zeventig eurocent).

Dit vonnis is gewezen door mr. F.W.H. van den Emster, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en F.A. Hut, rechters,

in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2019.

1 Het rapport p. 32.

2 punt 6.5.1 in het rapport, p. 10-12.

3 onderzoek Fotino, relaas proces-verbaal zaak 01, bijlage 9, p. 175-181

4 onderzoek Fotino, relaas proces-verbaal zaak 03, bijlage 1, p. 59

5 punt 6.5.4 van het rapport, p. 15-17.

6 pv van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 1] d.d. 24 juni 2016, p. 2.

7 punt 6.5.10 van het rapport, p. 27-28.

8 pv van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 1] d.d. 24 juni 2016, p. 4.

9 pv van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 1] d.d. 24 juni 2016, p. 5.

10 punt 6.5.13 van het rapport, p. 30.

11 pv van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] d.d 16 februari 2012 (onderzoek Briard), p. 19.

12 pv van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] d.d 16 februari 2012 (onderzoek Briard), p. 16-17.

13 pv van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] d.d 16 februari 2012 (onderzoek Briard), p. 20.

14 pv van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] d.d 16 februari 2012 (onderzoek Briard), p. 21.

15 onderzoek Briard (ZD 02 afpersing [naam veroordeelde] ), bijlage 15.1, tapgesprekken p. 967-970

16 punt 6.2 van het rapport, p. 6-7

17 punt 6.3 van het rapport, p. 7-8.

18 punt 6.5.2 van het rapport, p. 12-13.

19 bijlagen 09-01 (p. 85) en 09-04 (p. 88) van het rapport.

20 bijlagen 09-03 (p. 87) van het rapport.

21 bijlagen 09-10 (p. 92) van het rapport.

22 punt 6.5.3 van het rapport, p. 13-15.

23 bijlagen 11-01 (p. 98) en 11-02 (p. 99) van het rapport.

24 bijlage 25 (p. 304-319) van het rapport.

25 punt 6.5.3 van het rapport, p. 14.

26 punt 6.5.4 van het rapport, p. 15-17.

27 punt 6.5.6 van het rapport, p. 18-19.

28 punt 6.5.9 van het rapport, p. 19-21.

29 punt 6.5.8 van het rapport, p. 21-24.

30 bijlage 21 (p. 259-267) van het rapport.

31 bijlagen 22-03 (p. 271), 22-11 (p. 279) en 43 (p. 626-699) van het rapport.

32 bijlage 54 (p. 1162-1166) van het rapport.

33 punt 6.5.8 van het rapport p. 24.

34 bijlage 54 (p. 1162-1166) van het rapport.

35 punt 6.5.9 van het rapport, p. 24-27.

36 punt 6.5.11 van het rapport, p 28-29, en punt 6.5.12 van het rapport, p. 29-30.

37 bijlage bij conclusie van dupliek d.d. 31 juli 2017.

38 zaaksdossier 11, p. 298