Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5773

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
7820843 VV EXPL 19-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; ontruiming van een ligplaats in water waar twee schepen liggen; zowel huurder ligplaats als eigenaar schepen veroordeeld te ontruimen; schepen liggen (deels) buiten ligplaats maar veroordeling de gehele kolk te ontruimen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2020/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7820843 VV EXPL 19-269

uitspraak: 17 juli 2019

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. N.C. van Eck te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

handelende onder de naam [handelsnaam] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

gemachtigde: mr. A.M. Roepel te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “de Gemeente”, “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- het exploot van dagvaarding op 18 juni 2019, met producties;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties, die is ingediend in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer 7717258

- fotoverslag inlaat Leuvehaven - Leuvekolk;

- twee A4-vellen met kleurenfoto’s;

- de pleitnota’s van beide partijen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op woensdag 3 juli 2019. Namens de Gemeente zijn verschenen de heer [naam 1] (projectmanagement bureau) [naam 2] (accountmedewerker vastgoed), [naam 3] (projectleider ingenieursbureau), M. Blagojevic (jurist) bijgestaan door de gemachtigde mr. N. van Eck. Namens [gedaagde 2] is verschenen [naam 4] (middellijk bestuurder) bijgestaan door de gemachtigde mr. A.M. Roepel. [gedaagde 1] is niet zelf verschenen maar heeft zich tijdens de mondelinge behandeling laten vertegenwoordigen door de gemachtigde mr. A.M. Roepel. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

De Gemeente is eigenaar van de Leuvekolk gelegen aan de [adres] te [postcode] Rotterdam.

2.2

De Gemeente wil de Leuvekolk in samenwerking met het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard, Rijkswaterstaat en het Havenbedrijf Rotterdam opnieuw inrichten. Het is de bedoeling om in 2020 in de Leuvekolk een ligweide, een vistrap en een vlonder/aanmeervoorziening voor kanovaarders te realiseren. Het plan maakt onderdeel uit van het Programma Rivieroevers.

2.3

Er komt in de Leuvekolk een systeem waarmee zoet water vanuit de Nieuwe Maas de Leuvekolk zal instromen waardoor planten, dieren en vissen beter gedijen. De bedoeling is dat hiermee de waterkwaliteit voor de gehele Binnenstedelijke Rotte wordt verbeterd. Daarnaast moet het systeem gaan zorgen voor migratie van verschillende vissoorten.

2.4

In de Leuvekolk liggen twee binnenvaartschepen. De schepen deden tot 2013 dienst als galerie annex café-restaurant. Sinds 2015 is [gedaagde 1] eigenaar van de schepen.

2.5

Tussen de Gemeente, [gedaagde 1] en de voormalig huurder is op 28 juli 2015 een overeenkomst tot indeplaatsstelling gesloten waarbij [gedaagde 1] in de plaats is getreden van de vorige huurder bij de huurovereenkomst voor het perceel grond plaatselijk bekend: Leuvekolk WA te Rotterdam, kadastraal bekend: gem. Rotterdam, sectie [sectie] , nr [nummer] (ged.), groot: 380 m2 (hierna “het gehuurde”). Thans is het perceel grond/water kadastraal bekend als: [kadaster/perceelnummer] (ged.).

2.6

Het gehuurde is volgens artikel 5 van de huurovereenkomst bestemd te worden gebruikt voor het exploiteren van een galerie annex café-restaurant.

2.7

Op 30 oktober 2017 zijn de schepen getaxeerd in verband met een mogelijke verkoop aan de Gemeente. De getaxeerde waarde bedroeg € 20.000,- per schip. De Gemeente en [gedaagde 1] hebben geen overeenstemming bereikt.

2.8

In april 2018 zijn de schepen gezonken. De schepen zijn leeggepompt waarna ze weer zijn gaan drijven, maar de schepen zijn sindsdien niet meer in gebruik.

2.9

Bij brief van 29 mei 2018 heeft de Gemeente de huurovereenkomst met [gedaagde 1] per 1 september 2018 opgezegd. In de brief is [gedaagde 1] verzocht het gehuurde te ontruimen en ter beschikking te stellen van de Gemeente.

2.10

Bij brief van 7 augustus 2019 heeft de Gemeente, op verzoek van [gedaagde 1] , de opzeggings- en ontruimingstermijn verlengd met drie maanden tot 1 december 2018.

2.11

Bij e-mail van 6 september 2018 heeft [gedaagde 1] aan de Gemeente het volgende geschreven:

“(…) Ik heb u verzuimd eerder te bevestigen dat beide schepen op 1 december verwijderd zouden zijn, excuus daarvoor, dat is mijn fout.

Zoals u heeft vernomen van dhr. [naam 4] heeft hij beide boten gekocht. Er is met dhr. [naam 4] , in het (ver)koopcontract, afgesproken dat hij beide boten uit de Leuvekolk gaat weghalen. (…)”

2.12

Bij brief van 11 september 2018 heeft de Gemeente aan [gedaagde 1] laten weten dat [gedaagde 1] verantwoordelijk blijft voor oplevering van het gehuurde op 1 december 2018.

2.13

Op 30 november 2018 heeft [gedaagde 1] aan de Gemeente geschreven, voor zover hier van belang:

“We hebben elkaar zojuist telefonisch gesproken. De gemeente heeft de huur van het perceel aan de Leuvekolk per 01 december opgezegd. Zoals ik u zojuist telefonisch heb verteld is het voor mij helaas niet mogelijk om het perceel leeg op te leveren, daar de schepen die daar liggen niet (meer) mijn eigendom zijn.

Het eigendom is gekocht door “ [gedaagde 2] ”, waarbij ik mijnheer [naam 4] als contactpersoon heb, hij staat in de cc.

Ik kan u derhalve geen sleutels etc. overhandigen”

2.14

Er is tussen partijen bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig onder zaaknummer 7717258 CV EXPL 19-18560. Op de rol van 25 juni 2019 is een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie genomen.

3 Het geschil

3.1

De Gemeente heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,:

a. a) [gedaagde 1] te veroordelen om het gehuurde - de onroerende zaak, plaatselijk bekend Leuvekolk te Rotterdam, gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) Rotterdam, kadastraal bekend [kadaster/perceelnummer] (ged.) - uiterlijk op 1 augustus 2019 met alle zich daarin of daarop bevindende personen en zaken, voor zover die niet het eigendom van de Gemeente zijn, te verlaten en te ontruimen, en vervolgens ontruimd en verlaten te houden, onder meer doch niet uitsluitend door de schepen te verwijderen en verwijderd te houden, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van de Gemeente te stellen, met machtiging aan de Gemeente om die ontruiming zelf voor rekening van [gedaagde 1] te doen bewerkstelligen indien deze met de ontruiming in gebreke blijft;

b) [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan de Gemeente voor iedere dag, of deel

daarvan, dat hij in gebreke blijft aan het onder a) gevorderde te voldoen, van een

dwangsom van € 2.500,-- per dag, met een maximum van € 200.000,--;

c) [gedaagde 2] te veroordelen om de onroerende zaak, plaatselijk bekend Leuvekolk te Rotterdam, gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) Rotterdam, kadastraal bekend [kadaster/perceelnummer] , uiterlijk op 1 augustus 2019, met alle zich daarin of daarop bevindende personen en zaken, voor zover die niet het eigendom van de Gemeente zijn, te verlaten en te ontruimen, en vervolgens ontruimd en verlaten te houden, onder meer doch niet uitsluitend door de schepen te verwijderen en verwijderd te houden, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van de Gemeente te stellen, met machtiging aan de Gemeente om die ontruiming zelf voor rekening van [gedaagde 2] te doen bewerkstelligen indien deze met de ontruiming in gebreke blijft;

d) [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan de Gemeente voor iedere dag, of deel daarvan, dat zij in gebreke blijft aan het onder c) gevorderde te voldoen, van een dwangsom van

€ 2.500,- per dag, met een maximum van € 200.000,-;

e) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.

3.2

De Gemeente heeft aan de vordering het volgende, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd. Ten aanzien van [gedaagde 1] stelt de Gemeente zich op het standpunt dat hij de verplichtingen uit de huurovereenkomst niet naar behoren nakomt. De huurovereenkomst is opgezegd. Dit houdt in dat hij het gehuurde overeenkomstig artikel 13.1 van de huurovereenkomst uiterlijk 1 december 2018 geheel ontruimd en schoongemaakt diende op te leveren aan de Gemeente. [gedaagde 1] heeft dit nagelaten. Op of in het gehuurde bevinden zich nog altijd (deels) de schepen die [gedaagde 1] vlak voor het einde van de huur heeft verkocht aan [gedaagde 2] . De verkoop van de schepen ontslaat hem echter niet van de verplichting voor verwijdering van de schepen zorg te dragen.

Ten aanzien van [gedaagde 2] stelt de Gemeente het volgende. [gedaagde 2] is eigenaar geworden van de schepen. Omdat de huurovereenkomst met [gedaagde 1] is geëindigd liggen de schepen zonder recht of titel in de Leuvekolk. [gedaagde 2] dient de schepen daarom te verwijderen. [gedaagde 2] heeft geen gehoor gegeven aan verzoek van de Gemeente om dat te doen. De gemachtigde van [gedaagde 2] heeft juist laten weten dat de schepen niet vrijwillig zullen worden verwijderd.

Omdat de Gemeente plannen heeft voor ontwikkeling van het gebied moeten de schepen weg. In februari 2020 wil de Gemeente beginnen met de uitvoering van de vispassage en daarna de herinrichting van de kade. De verwijdering van de schepen, indien de Gemeente dat zelf moet bewerkstelligen, zal ongeveer zes maanden in beslag nemen. De Gemeente heeft dan ook spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming.

3.3

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de vordering van de Gemeente betwist. Op de afzonderlijke verweren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt hierna onder de beoordeling en voor zover relevant ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

In dit kort geding dient, mede op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van de Gemeente in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.2

[gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat het gehuurde bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 BW en dat hij daarom huurbescherming geniet, in die zin dat de huurovereenkomst niet zonder meer door de Gemeente kon worden opgezegd. De opzegging is daarom niet rechtsgeldig, aldus [gedaagde 1] .

4.3

Onder bedrijfsruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is. In de huurovereenkomst is het gehuurde omschreven als “het perceel grond”. Tussen partijen staat voldoende vast dat het feitelijk gaat om een perceel grond dat ziet op bodem/grond in de Leuvekolk en het water erboven, dat als ligplaats voor schepen wordt gebruikt. Dat het gehuurde als “290-bedrijfsruimte” moet worden aangemerkt komt volgens [gedaagde 1] doordat in de huurovereenkomst is opgenomen dat de bestemming van het gehuurde “galerie annex restaurant” is en verder dat het gehuurde ook ziet op een deel van de kade. De kade dient volgens [gedaagde 1] te worden aangemerkt als een onroerende gebouwde zaak. Subsidiair is [gedaagde 1] van mening dat het regime van artikel 7:290 e.v. BW van toepassing is omdat er sprake is van connexiteit tussen het gehuurde en het gebruik van de schepen. In de schepen is een horecabedrijf geëxploiteerd. De Gemeente heeft daarmee ingestemd en dat is ook zo in de huurovereenkomst opgenomen. De onderneming in de schepen en het gehuurde zijn met elkaar verbonden en die verbondenheid maakt dat het gehuurde onder de bescherming van artikel 7:290 e.v. BW valt.

4.4

De kantonrechter overweegt als volgt. Het gehuurde is geen gebouwde onroerende zaak. Het gaat immers, zoals hiervoor besproken, om de bodem/grond in de Leuvekolk met het water erboven. Er is niets op gebouwd. Dat het gehuurde ook ziet op een (deel van de) kade is door de Gemeente gemotiveerd betwist aan de hand van een berekening van de omvang van het gehuurde. Het gehuurde is 380 m2 groot. Gekeken naar de grootte van de schepen, die tezamen ongeveer een grootte hebben van 380 m2, kan het gehuurde niet ook een kade omvatten, aldus de Gemeente. Door [gedaagde 1] is dit onvoldoende weersproken. Het is gelet hierop niet aannemelijk dat het gehuurde tevens een (deel van de) kade omvat. Het is overigens nog maar de vraag of een kade als gebouwde onroerende zaak dient te worden aangemerkt. Het lijkt hier immers alleen te gaan om een verharde kadeconstructie zonder verdere voorzieningen. Ook de contractuele bestemming van het gehuurde maakt op zichzelf niet dat het hier gaat om “290-bedrijfsruimte”. Ook dan is namelijk nog steeds niet voldaan aan de voorwaarde dat het moet gaan een gebouwde onroerende zaak. Het gaat immers om een stuk grond met daarboven water. Een redelijke uitleg van de overeengekomen bestemming in de huurovereenkomst leidt ertoe dat het gehuurde bestemd is om te worden gebruikt als ligplaats voor een schip, welk schip is bedoeld te worden gebruikt als café annex galerie.

4.5

Het subsidiaire verweer van [gedaagde 1] slaagt evenmin. Het gehuurde is ook niet door connexiteit met de schepen “290-bedrijfsruimte” geworden. De schepen waarin de horeca was gevestigd zijn namelijk roerend, ze drijven en zijn verplaatsbaar, althans niet duurzaam met de grond verbonden en kunnen dus ook niet als “290-bedrijfsruimte” worden aangemerkt.

4.6

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde 1] geen huurbescherming toekomt en dat de huurovereenkomst kon worden opgezegd op grond van artikel 7:228 lid 2 BW. Daarmee heeft de Gemeente de huurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd. De huurovereenkomst is dan ook geëindigd op 1 december 2018 en [gedaagde 1] diende het gehuurde voor die datum op te leveren overeenkomstig het bepaalde in de huurovereenkomst.

4.7

Nu is geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de huurovereenkomst per 1 december 2018 is geëindigd leidt dat ten aanzien van [gedaagde 2] tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de schepen, waarvan [gedaagde 2] daags voor het einde van de huurovereenkomst eigenaar is geworden, zonder recht of titel in de Leuvekolk liggen. [gedaagde 2] weigert de schepen te verwijderen. Zij handelt daarmee onrechtmatig jegens de Gemeente.

4.8

Voorts is de kantonrechter van oordeel dat de Gemeente voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Wanneer een oordeel in de bodemprocedure moet worden afgewacht dan komt de planning van de ontwikkeling van het gebied Leuvekolk in het gedrang. Dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] bereid zijn hun medewerking te verlenen aan verplaatsing van de schepen in verband met de uit te voeren werkzaamheden maakt dat niet anders. De schepen zijn namelijk ten tijde van dit kort geding ook verplaatst in verband met werkzaamheden. Vervolgens zijn ze echter gezonken en liggen daar, voor de waterinlaat, nu in de weg. Uit deze omstandigheid volgt reeds dat de bereidheid tot het verplaatsen van de schepen niet voldoende is om hinder bij de uitvoering van de werkzaamheden zoveel mogelijk te beperken.

4.9

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorts nog betoogd dat een belangenafweging in hun voordeel zal moeten uitvallen. Het gaat dan om een belangenafweging in het kader van, zo begrijpt de kantonrechter, het belang bij een oordeel in kort geding vooruitlopende op een oordeel in de bodemprocedure. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat in het geval van toewijzing in kort geding een onomkeerbare situatie wordt gecreëerd. Om de Leuvekolk te kunnen verlaten dienen de schepen namelijk in stukken gezaagd te worden. De kantonrechter overweegt dat groter belang moet worden gehecht aan de plannen van de Gemeente voor de ontwikkeling van het gebied de Leuvekolk. In 2020 moet dat gereed zijn. Plannen waarmee [gedaagde 2] bekend was toen zij de schepen kocht. Net zoals zij bekend was met de omstandigheid dat de huurovereenkomst voor de ligplaats al was opgezegd. Datzelfde geldt voor [gedaagde 1] . Desondanks hebben partijen ervoor gekozen tot verkoop/koop van de schepen over te gaan. Daarmee moeten zij het risico dat de schepen zouden moeten worden verwijderd hebben ingecalculeerd. Kennelijk hebben partijen ook onderling afgesproken, zo is althans door [gedaagde 1] aangevoerd, dat de schepen moesten worden verwijderd en wie daarvoor zou moeten zorgdragen. Onder deze omstandigheden kan een belangenafweging niet in het voordeel van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] uitvallen. Overigens verdient nog opmerking de schepen nu in zodanige staat van onderhoud verkeren, de schepen zijn ook nog tot twee keer toe gezonken, dat afgevraagd moet worden welke waarde zij nog vertegenwoordigen en of zij ooit nog weer in gebruik kunnen worden genomen.

4.10

Ten slotte is tijdens de mondelinge behandeling aan de orde geweest dat de schepen op dit moment zijn verplaatst en al dan niet volledig buiten het gehuurde liggen. Betoogd zou kunnen worden dat, nu de schepen niet meer boven het gehuurde liggen, aan de verplichting tot ontruiming is voldaan. Dat standpunt wordt verworpen. Artikel 7:224 BW verplicht de huurder om het gehuurde (lees: de ligplaats in de kolk) bij het einde van de huurovereenkomst weer ter beschikking te stellen van de verhuurder. Indien de schepen nu nog gedeeltelijk boven het gehuurde zouden liggen, heeft dit zonder meer tot gevolg dat aan de volledige ontruimingsverplichting niet is voldaan. Indien ervan moet worden uitgegaan dat de schepen nu niet meer (gedeeltelijk) boven het gehuurde liggen, liggen zij zodanig vlak naast het gehuurde dat van een daadwerkelijke terbeschikkingstelling van de verhuurder als bedoeld in artikel 7:224 BW geen sprake is. De feitelijke situatie is immers dat het gehuurde (vrijwel) de helft van de oppervlakte van de Leuvekolk beslaat. Dit betekent dat zolang de schepen in de Leuvekolk blijven liggen, van een feitelijke en betekenisvolle ontruiming en daadwerkelijke terbeschikkingstelling geen sprake kan zijn.

4.11

Nu is overwogen dat voldoende aannemelijk is dat de huurovereenkomst tussen de Gemeente en [gedaagde 1] is geëindigd, dat [gedaagde 2] onrechtmatig handelt jegens de Gemeente, dat voldoende spoedeisend belang bestaat bij de vordering en dat het belang van de Gemeente bij een ontruiming prevaleert boven het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een uitspraak in de bodemprocedure af te wachten acht de kantonrechter een toewijzing van de gevorderde ontruiming in kort geding ten aanzien van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , vooruitlopende op een oordeel in de bodemprocedure, gerechtvaardigd.

4.12

Het verwijderen van de schepen zal de nodige tijd in beslag nemen. Zoals reeds besproken kunnen de schepen niet eenvoudigweg de Leuvekolk uit varen maar moeten ze worden gedemonteerd of in stukken worden gezaagd en daarna worden afgevoerd. Daarvoor zal een derde moeten worden ingeschakeld. Aan een ontruiming op korte termijn kunnen [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] dan ook feitelijk niet voldoen. De kantonrechter acht onder die omstandigheden een ontruimingstermijn uiterlijk tot 1 december 2019 redelijk.

4.13

Ook de dwangsom die de Gemeente vordert is, zij het gematigd, toewijsbaar. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat toewijzing van de dwangsommen mogelijk kan zorgen voor een executiegeschil. In de eerste plaats zal dat niet gebeuren als zij aan het vonnis voldoen. Partijen kunnen gezamenlijk de ontruiming bewerkstellingen dan wel de een of de ander. Daarover kunnen zij afspraken maken. Als de ene gedaagde aan het vonnis voldoet maar de ander niet, zoals door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is geschetst, zal de Gemeente uiteraard geen dwangsommen kunnen vorderen ten laste van de gedaagde die niet voor verwijdering heeft zorggedragen. Zij kan immers geen dwangsommen vorderen als reeds uitvoering is gegeven aan het vonnis, ook al is dat door de andere partij. Het gaat er niet om wie het doet, maar dat het wordt gedaan. De kantonrechter ziet wel aanleiding de dwangsommen te beperken tot € 1.000,- per dag met een maximum van € 100.000,-.

4.14

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren zal worden afgewezen. Immers op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de bevoegdheid tot het feitelijk gedwongen ontruimen van een onroerende zaak aan een deurwaarder toe. Een deurwaarder is, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de sterke arm van politie in te roepen, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] komen.

4.15

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de in het ongelijk gestelde partij. Zij worden daarom veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter stelt de proceskosten vast op

€ 721,- aan salaris voor de gemachtigde. De proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na deze uitspraak zijn voldaan.

4.16

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. De nakosten worden vermeerderd met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na deze uitspraak zijn voldaan.

5 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

a. a) veroordeelt [gedaagde 1] om het gehuurde, plaatselijk bekend Leuvekolk te Rotterdam, gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) Rotterdam, kadastraal bekend [kadaster/perceelnummer] (ged.), vóór 1 december 2019 met alle zich daarop of daarboven bevindende zaken, voor zover die niet het eigendom van de Gemeente zijn, te verlaten en te ontruimen, en vervolgens ontruimd en verlaten te houden, zodanig dat het gehuurde weer ter vrije beschikking komt van de Gemeente, hetgeen pas het geval zal zijn indien de schepen uit de Leuvekolk verwijderd zijn;

b) veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan de Gemeente voor iedere dag, of deel

daarvan, dat hij in gebreke blijft aan de onder a) uitgesproken veroordeling te voldoen, van een dwangsom van € 1.000,-- per dag, met een maximum van € 100.000,--;

c) veroordeelt [gedaagde 2] haar schepen uit de Leuvekolk te Rotterdam vóór 1 december 2019 te verwijderen, zodanig dat de Leuvekolk weer ter vrije beschikking komt van de Gemeente;

d) veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan de Gemeente voor iedere dag, of deel daarvan, dat zij in gebreke blijft aan de onder c) uitgesproken veroordeling te voldoen, van een dwangsom van € 1.000,- per dag, met een maximum van € 100.000,-;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 721,- aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

540