Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:567

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
ROT 18/3133
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5.16 van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Afkeuring van de zorgverlener

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/3133

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. R. Kaya,

en

VGZ Zorgkantoor B.V., verweerster.

Procesverloop

Bij brief van 14 februari 2018 heeft verweerster bepaald dat eiseres vanaf 1 april 2018 de zorg die zij krijgt van zorgverleenster [bedrijfsnaam] (de zorgverleenster) niet meer met haar persoonsgebonden budget (pgb) mag betalen en heeft verweerster deze zorgverleenster afgekeurd.

Bij besluit van 8 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres tegen de brief van 14 februari 2018 gedeeltelijk gegrond verklaard en onder aanvulling van de motivering het rechtsgevolg in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft op 31 oktober 2018 een verweerschrift ingediend en haar standpunt naar aanleiding van vragen van de rechtbank voorts nader toegelicht bij brief van 15 november 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2018. Eiseres is verschenen, vergezeld van haar bewindvoerder [naam bewindvoerder] ( [naam bewindvoerder] ), tolk M. Salkimli, en cliëntmanager bij de zorgverlener [naam zorgverlener] ( [naam zorgverlener] ). Verweerster is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt bij haar beoordeling ambtshalve voorop dat de brief van 14 februari 2018 met een besluit gelijkgesteld moet worden. Weliswaar is de brief niet direct op rechtsgevolg gericht, maar wel is sprake van een zogeheten bestuurlijk rechtsoordeel, waarbij het naar het oordeel van de rechtbank voor eiseres onevenredig bezwaarlijk is om een besluit over haar pgb af te wachten of uit te lokken, voordat zij getoetst kan krijgen of de zorgverleenster op goede gronden is afgekeurd. De rechtbank sluit hiermee aan op de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2018 (ECLI:NL:RBZWB:2018:521).

2. Eiseres ontvangt zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), verleend door de zorgverleenster. Bij een huisbezoek op 5 december 2017 heeft verweerster geconstateerd dat zorg wordt verleend die volgens verweerster geen Wlz-zorg is. Op 19 december 2017 heeft verweerster eiseres gevraagd een nieuwe zorgovereenkomst en zorgbeschrijving in te sturen, die overeenkomen met de daadwerkelijk verleende zorg. Bij het bestreden besluit heeft verweerster zich niet akkoord verklaard met de zorgovereenkomst en de zorgbeschrijving, omdat de zorg die is beschreven, niet wordt verleend en er tevens zorg wordt gefactureerd, die niet is verleend. Verweerster heeft hierbij gewezen op diverse discrepanties tussen de zorgovereenkomst, hetgeen bij het huisbezoek is verklaard en hetgeen op de hoorzitting is verklaard, waarbij verweerster geen reden ziet om te twijfelen aan hetgeen is genoteerd over het huisbezoek. Verweerster ziet ten slotte evenmin reden waarom de belangen van het zorgkantoor dienen te wijken voor die van eiseres, in aanmerking genomen dat eiseres in 2016 in een soortgelijke situatie, toen de bewindvoerder nog maar pas was benoemd, al het voordeel van de twijfel heeft gekregen, eiseres is geïnformeerd over haar rechten en plichten, en eiseres ook voor zorg in natura had kunnen kiezen.

3. Verweerster heeft het bestreden besluit, naar zij bij haar brief van 15 november 2018 heeft toegelicht, gebaseerd op artikel 5.16 van de Regeling langdurige zorg (Rlz): ingevolge het derde lid van dat artikel behoeft een zorgovereenkomst de goedkeuring van het zorgkantoor. De ook door verweerster genoemde artikelen 5.18 van de Wlz en 3.6.4 van het voormalige Besluit langdurige zorg bieden naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige grondslag en kunnen daarom onbesproken blijven.

4. Op grond van artikel 5.16 van de Rlz, voor zover thans van belang, dient de verzekerde met iedere zorgaanbieder die hij ten laste van het pgb zorg laat verlenen een schriftelijke zorgovereenkomst te sluiten, die ten minste bevat op welke wijze de zorgaanbieder voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde (tweede lid, aanhef en onder a). De zorgovereenkomst behoeft de goedkeuring van het zorgkantoor (derde lid), die deze slechts kan geven indien de zorgovereenkomst voldoet aan de eisen bedoeld in het tweede lid en uit de omschrijving van de wijze waarop de zorgverleenster voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde, blijkt dat de overeenkomst strekt tot de inkoop van persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of huishoudelijke hulp (vierde lid, aanhef en onder a en b, sub 1°)

5. Verweerster heeft betoogd dat artikel 5.16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Rlz impliceert dat de zorgovereenkomst overeen dient te komen met de werkelijk geleverde zorg. Tevens heeft verweerster betoogd dat artikel 5.16, vierde lid, aanhef en onder b, van de Rlz impliceert dat de overeenkomst strekt tot inkoop van zorg in de zin van de Wlz. De rechtbank volgt verweerster in deze lezing, die door eiseres als zodanig ook niet is betwist. Dit betekent dat verweerster zich terecht een oordeel heeft gevormd over het op elkaar aansluiten van de zorgovereenkomst, de feitelijk ingekochte zorg en hetgeen door de zorgverleenster is gefactureerd.

6. Met betrekking tot deze aansluiting heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat opnieuw een aantal discrepanties zijn geconstateerd, nadat eiseres na eerdere huisbezoeken op 31 maart 2014 en 23 november 2016 het voordeel van de twijfel had gekregen, in het laatste geval ook omdat de huidige bewindvoerder net was aangesteld. De discrepanties betreffen de volgende feiten en omstandigheden:

- een verschuiving tussen begeleiding individueel en begeleiding groep waarom eiseres zelf heeft gevraagd (verslag huisbezoek, vraag 4.24) versus slechts een wisseling van dagen waarop zorg wordt verleend (hoorzitting);

- er is begeleiding bij de maaltijdvoorbereiding ’s morgens en ’s avonds (zorgbeschrijving) versus de moeder zorgt voor het ontbijt en kookt voor het hele gezin (verslag pgb huisbezoek) versus soms koken ze samen en soms kookt de moeder en warmt eiseres het op (verslag hoorzitting);

- iedere dag worden boodschappen gedaan (zorgbeschrijving) versus dit gebeurt op vrijdag (verslag pgb huisbezoek);

- iedere vrijdag wordt een uur individuele begeleiding gefactureerd dat blijkens een telefonische toelichting zijdens eiseres, op 26 maart 2018, niet apart verleend wordt;

- stelselmatig verleende zorg op dinsdag en donderdag van 16.00 tot 17.30 uur en op dinsdag, woensdag of donderdag van 9.30 tot 11.00 uur komt niet overeen met verklaringen tijdens het huisbezoek en op de hoorzitting.

7. De bewindvoerder heeft erkend dat was verzuimd door te geven dat bepaalde zorg vanaf oktober 2017 op een andere dag werd verleend dan voorheen.

De bewindvoerder heeft voorts bij het huisbezoek verklaard (vraag 2.15) dat hij de facturen controleerde aan de hand van het weekschema en dat de moeder bevestigde of er op die dag zorg is geleverd; exacte tijden ontbreken en de bewindvoerder vraagt die ook niet aan de moeder en twijfelt of de moeder die weet. De rechtbank constateert dat de juistheid van de facturen aldus niet door de bewindvoerder wordt gecontroleerd, terwijl het bij een met een zorgverleenster overeengekomen variabel aantal te leveren uren des te klemmender is dat nauwkeurig wordt bijgehouden welke uren feitelijk zorg wordt verleend. Een dergelijke registratie is echter niet voorhanden.

De bewindvoerder heeft, ter zitting gevraagd naar de betrokkenheid van de moeder bij ontbijt en avondeten, verklaard dat de moeder dat niet elke dag doet en dat hij “ervan uitgaat” dat de zorgverleenster het de andere dagen doet. [naam zorgverlener] heeft ter zitting verklaard dat in het weekend de broer ook meehelpt.

Ter zitting heeft [naam bewindvoerder] , gevraagd naar de uren zorgverlening op de vrijdag, verklaard: “De factuur over oktober zou wel moeten kloppen met de overeenkomst. De genoemde tijdstippen op vrijdag kloppen. 12.00 tot 15.00 uur individuele begeleiding en van 17.00 tot 17.30 persoonlijke verzorging. Dat klopt. Toen wel. Nu is het weer veranderd. Er was toen nog ook nog iets om 16.00 uur. Dus 3,5 uur op de vrijdag.”

Ter zitting heeft [naam zorgverlener] verklaard: “Oktober 2017 is het veranderd. Dat staat duidelijk op de zorgomschrijving. Vrijdag had ze niet. Toen wilde ze vrijdag erbij. Voor ons was dat geen probleem. Oktober 2017 is de vrijdag erbij gekomen. Dat uur van 16.00 tot 17.00 uur. De gezondheid van de moeder ging achteruit. Daarom was er meer hulp nodig. Daarom is dat erbij gezet. Zaterdag en zondag ging de zoon meehelpen. Als het zaterdag en zondag niet gaat, zo gaven wij aan, helpen wij ook.”

8. De rechtbank is tegen deze achtergrond van oordeel dat er te veel onduidelijkheden zijn blijven bestaan om te kunnen oordelen dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de onder 5 vermelde aansluiting ontbreekt. Eiseres heeft op een aantal van de besproken punten toelichtingen gegeven, uitgelegd hoe het zo gekomen is of verklaard wat er bedoeld is, maar naar het oordeel van de rechtbank is daarmee toch onvoldoende opheldering gegeven en kan niet worden geoordeeld dat alleen sprake is van kleine onvolkomenheden, waaraan slechts geringe betekenis toekomt. Doorslaggevend is dat ook met genoemde toelichting, uitleg en verklaring geen cijfermatige en controleerbare aansluiting tussen de zorgovereenkomst, de feitelijk verleende zorg en de facturen is gegeven en dat evenmin is voorgerekend dat verweerster het bij het verkeerde eind heeft of hoe resterende cijfermatige verschillen kunnen worden verklaard. Dit betekent dat – nog daargelaten in hoeverre de verleende zorg als Wlz-zorg kan worden gekwalificeerd – uit de beschikbare administratie geen betrouwbare conclusies over de besteding van het pgb kunnen worden getrokken. De rechtbank ziet hierbij geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de gedetailleerde verslaglegging van hetgeen bij het huisbezoek is verklaard.

9. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht evenmin grond voor het oordeel dat verweerster, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot de afkeuring van de zorgverleenster heeft kunnen besluiten. Daarbij weegt mee dat eiseres al tweemaal eerder het voordeel van de twijfel heeft gekregen.

10. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. M.V. van Baaren en prof. mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 29 januari 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.