Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5543

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
10/700234-19 / vordering TUL VV: 10/690379-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

jeugdzaak, openlijk geweld tegen goederen en overtreding van de artikelen 7, 11 en 107 van de Wegenverkeerswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Straf

Parketnummer: 10/700234-19

Parketnummer vordering TUL VV: 10/690379-18

Datum uitspraak: 21 mei 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2001,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,

raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 mei 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uur, subsidiair 30 (dertig) dagen vervangende jeugddetentie;

  • -

    een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

De onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 19 april 2019 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, Beijerlandselaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een abri van de RET, welk geweld bestond uit het trappen en schoppen tegen een of meer ruiten van die abri;

2.

hij te Rotterdam op 25 april 2019 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (een Fiat met kenteken [kentekennummer] ), toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , als bestuurder heeft gebruikt op de weg, [plaats delict 1] ;

3.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, dat had plaatsgevonden in Rotterdam op de [plaats delict 2] , op 25 april 2019 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist , aan een ander (te weten [naam slachtoffer 2] ) schade was toegebracht;

4.

hij op 25 april 2019 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, een Fiat met kenteken [kentekennummer] ) heeft gereden op de weg, [plaats delict 1] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

2 overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994;

3 overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

4 overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.

Op 19 april 2019 heeft hij openlijk geweld gepleegd door samen met een ander een abri van vervoersbedrijf RET te vernielen. Dergelijke gedragingen veroorzaken financiële schade, overlast en ergernis, bij de samenleving en bij de eigenaar van de abri in het bijzonder.

Verder is de verdachte, zeventien jaar, op 25 april 2019 zonder toestemming van de eigenaar in een auto gestapt, waarna hij vervolgens met die auto tegen een geparkeerde auto is aangereden. Hierbij heeft hij forse schade toegebracht aan de beide auto’s. De verdachte heeft geen rijbewijs en was flink onder invloed van alcohol. Zonder twijfel is dit uiterst onverantwoord gedrag, waarbij nog veel ernstigere gevolgen mogelijk waren geweest, zoals lichamelijk letsel. Hierop dient streng gereageerd te worden. Vervolgens heeft de verdachte de eigenaar van de auto waar hij tegen aan is gereden met veel schade laten zitten door lafhartig de plek van het ongeval te ontvluchten. Eerst ter terechtzitting heeft de verdachte hiervoor zijn verantwoordelijkheid genomen, waarbij ook gezegd moet worden dat hij daarin op de rechtbank authentiek en doorleefd is overgekomen. Hij heeft aan de gemachtigde van de benadeelde partij aangeboden alle schade te vergoeden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportages van:

- de psycholoog, drs. K.T.E. Zászlós, van 17 januari 2019;

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering), te weten het gezinsplan van 7 februari 2019;

- de Raad voor de Kinderbescherming van 11 februari 2019.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

In beginsel rechtvaardigt de ernst van de feiten een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie, maar uit voormelde rapportages en de behandeling ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte en ook de samenleving uiteindelijk meer kwaad dan goed gedaan zal worden door de verdachte op te sluiten. Een voorzichtige ontwikkeling ten positieve is zichtbaar, wat de rechtbank ertoe brengt om een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur op te leggen, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de door de verdachte onder 2, 3 en 4 gepleegde strafbare feiten een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid eisen. Mede gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, zal de rechtbank deze opleggen voor de duur van twee jaar en niet voor vijf jaar zoals gevorderd door de officier van justitie.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , vertegenwoordigd door [naam 1] , ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag - naar de rechtbank uit de toelichting ter terechtzitting begrijpt - van ten minste € 235,55 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 150,-- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd en de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.3.

Beoordeling

Ter terechtzitting is uitvoerig met de gemachtigde van de benadeelde partij gesproken over de vordering van de benadeelde partij en ook over de omstandigheid dat de benadeelde partij zijn schade op dit moment niet concreet kan schatten, noch kan onderbouwen. Het ontbreekt aan nota’s en dergelijke, mede omdat de zaak kort na de pleegdatum op zitting behandeld wordt. De zaak zou daarom aangehouden moeten worden om de schade in de volle omvang te kunnen vaststellen. In deze zaak levert dat, gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte en het belang dat hij heeft bij een zo spoedig mogelijke afdoening van de zaak, een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 5 maart 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van een woningoverval, een woninginbraak, eenvoudige belediging en een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van twee maanden en drieënveertig dagen, waarvan een gedeelte groot twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 20 maart 2019.

9.2.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging voor de duur van 25 dagen, met handhaving van de voorwaardelijke straf voor het resterende deel. Daarnaast heeft de officier gevorderd dat een nieuwe bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd aan de van toepassing zijnde voorwaarden, namelijk een contactverbod met [naam medeverdachte] , de medeverdachte.

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

9.3.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat door de officier van justitie een vordering is ingediend in verband met het overtreden van zowel de algemene alsook de bijzondere voorwaarde(n). Bij gebrek aan een onderbouwing van de vordering op grond van het overtreden van de bijzondere voorwaarden, zal de rechtbank thans enkel de vordering voor wat betreft het overtreden van de algemene voorwaarde aan de orde stellen.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

De verdachte verblijft op dit moment in de justitiële jeugdinrichting Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim. Ter terechtzitting heeft de heer [naam 2] namens de jeugdreclassering toegelicht dat de verdachte aldaar zeer recentelijk is gestart met Multi Dimensional Family Therapy (MDFT). Het is de bedoeling dat deze therapie wordt voortgezet zodra hij weer vrijkomt. In het kader van MDFT wordt intensieve behandeling en begeleiding geboden, waarin de verdachte centraal staat. Ook de ouders van de verdachte zullen hierin een rol vervullen. Deze therapie-variant is nog passender dan de eerder door de psycholoog geadviseerde Multi Systeem Therapie (MST).

De rechtbank is enerzijds van oordeel dat het voor de verdachte kristalhelder is geweest dat hij met zijn gedrag de algemene voorwaarde geen nieuwe strafbare feiten te plegen heeft overtreden. Anderzijds is de rechtbank het met alle betrokkenen eens dat de verdachte tot op heden niet de kans heeft gekregen om aan de slag te gaan met zijn (gedrags)problematiek. Een behandeling was nog niet gestart en bekend was dat de verdachte met veel problemen zit. De verdachte verdient daarom een nieuwe kans.

De rechtbank zal mede gelet hierop de tenuitvoerlegging gelasten van het voorwaardelijk gedeelte van de bij voornoemd vonnis aan de verdachte opgelegde straf voor een periode van 30 dagen. Dit biedt onder andere de jeugdreclassering de gelegenheid om te bewerkstelligen dat het ingezette MDFT-traject buiten de justitiële jeugdinrichting kan worden voortgezet.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de bijzondere voorwaarden zoals die bij vonnis van 5 maart 2019 aan de verdachte zijn opgelegd, dienen te worden aangevuld. De reeds geldende voorwaarden gelden onverkort, maar daarbij is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de verdachte gebaat is bij een contactverbod met de medeverdachte, [naam medeverdachte] . De rechtbank zal daarom een contactverbod toevoegen aan de ingevolge het vonnis van 5 maart 2019 van toepassing zijnde voorwaarden.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77r, 77gg en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 11, 107, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 56 (zesenvijftig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaar;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging de bij vonnis van 5 maart 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie, aldus dat van die straf een gedeelte groot 30 (dertig) dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd;

wijzigt de bij voormeld vonnis in de zaak met parketnummer 10/690379-18 opgelegde bijzondere voorwaarden, in die zin dat daaraan de volgende voorwaarde wordt toegevoegd:

- de veroordeelde zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [naam medeverdachte] , geboren op [geboortedatum medeverdachte] 2002 te [geboorteplaats medeverdachte] , zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M. van Kuilenburg en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 mei 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 april 2019 te Rotterdam,

op of aan de openbare weg, Beijerlandselaan, openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen een abri van de RET, welk geweld bestond uit het trappen

en/of schoppen tegen een of meer ruiten van die abri;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij te Rotterdam op of omstreeks 25 april 2019

opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (een Fiat met kenteken

[kentekennummer] ), toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, [plaats delict 1]

en/of de [plaats delict 2] , in elk geval op een weg;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 11 Wegenverkeerswet 1994

3.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest

bij een verkeersongeval, dat had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan [plaats delict 1]

en/of de [plaats delict 2] , op of omstreeks 25 april 2019 de (voornoemde) plaats van

vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 2]

) schade was toegebracht;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

4.

hij op of omstreeks 25 april 2019 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (een personenauto, een Fiat met kenteken [kentekennummer] ) heeft gereden

op de weg, [plaats delict 1] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit,

als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs

was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig

behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994