Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5532

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
ROT 18/3203
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een uitspraak over kinderopvangtoeslag (KOT) over het jaar 2016. Eiseres ontvangt na stopzetting van de KOT een beslissing op bezwaar inhoudende dat ze over 2016 geen KOT ontvangt. Kort voor de zitting van 8 juli 2019 neemt Belastingdienst/Toeslagen een nieuw besluit: eiseres krijgt voor een groot deel gelijk en alsnog KOT over een deel van 2016. Dit vormt voor eiseres geen aanleiding om het beroep in te trekken omdat ze door de Belastingdienst/Toeslagen niet volledig in het gelijk wordt gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres op de aangevoerde beroepsgronden in het gelijk moet worden gesteld en draagt de Belastingdienst/Toeslagen onder meer op alvast een deel van de ondervonden schade aan eiseres te vergoeden en eiseres het volledige dossier van het CAF onderzoek naar het door eiseres ingeschakelde gastouderbureau te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-07-2019
V-N Vandaag 2019/1722
NLF 2019/1698 met annotatie van Edwin Thomas
FutD 2019-2075 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3203

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigden : dr. E. Poelmann, mr. F. Huizenga, mr. M Remers.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2016 vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 4 april 2016 heeft verweerder de kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2016 stopgezet.

Bij beslissing op bezwaar van 1 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 21 maart 2016 en 4 april 2016 ongegrond verklaard.

In haar uitspraak van 6 april 2017 heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 1 augustus 2016 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar ten aanzien van het berekeningsjaar 2016 te nemen.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder op 7 mei 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit I) waarbij verweerder het bezwaar van eiseres (opnieuw) ongegrond heeft verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 5 juli 2019 laten weten het bestreden besluit I te herzien. De herziene beslissing op bezwaar (bestreden besluit II) houdt in dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en eiseres voor de maanden januari 2016 tot en met maart 2016 recht op kinderopvangtoeslag heeft. Daarnaast heeft eiseres voor de periode 16 mei 2016 tot en met 15 juli 2016 recht op kinderopvangtoeslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is verschenen mevrouw [naam] , houdster van gastouderbureau [naam gastouderbureau] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Met bestreden besluit II heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist. Besluit II is dus een besluit als bedoeld in artikel 6:19, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.2.

Nu eiseres, geboren [geboortedatum eiseres] , heeft gesteld ten gevolge van verweerders besluitvorming schade te hebben geleden, terwijl de rechtbank niet op voorhand van oordeel is dat daarvan geen sprake is, heeft eiseres belang bij een vernietiging van besluit I als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb. Nu verweerder besluit I heeft ingetrokken, staat daarmee vast dat besluit I onrechtmatig is. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep tegen besluit I gegrond verklaren en besluit I vernietigen.

1.3.

Bestreden besluit II komt niet geheel tegemoet aan de bezwaren van eiseres, zodat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede is gericht tegen besluit II.

2. De rechtbank stelt het volgende vast:

2.1.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 5 juni 2019 uitvoerig bepleit dat bestreden besluit I rechtmatig is. Vervolgens heeft verweerder kort voor de zitting zijn standpunt verlaten en besluit II genomen.

In een debat met de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën toegegeven dat de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld door de kinderopvangtoeslag voor honderden ouders stop te zetten. Het is volgens hem onvoorstelbaar dat gedupeerden geen schadevergoeding krijgen, maar hij deed nog geen officiële belofte.

2.2

Op 11 april 2018 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in het hoger beroep van eiseres uitspraak gedaan (201703925) over de kosten kinderopvang over de jaren 2014 en 2015. Volgens de uitspraak hebben eiseres en verweerder over 2014 overeenstemming bereikt in die zin dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij de kosten van kinderopvang over 2014 heeft voldaan. Over 2015 oordeelt de Afdeling dat eiseres geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag.

3. Eiseres voert aan dat besluit II onrechtmatig is omdat daarin ten onrechte geen besluit is genomen over een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding van € 1500,-.

Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat zij ook over april 2016 recht heeft op kinderopvangtoeslag. Immers, de opvang is in maart 2016 opgezegd wegens het niet voldoen van de kosten met een opzegtermijn van 1 maand.

Eiseres acht het verder niet aangewezen dat de toegekende kinderopvangtoeslag over 2016 wordt verrekend met haar schuld over 2015. Pas indien zij daadwerkelijk de nu over 2016 toegekende toeslag ontvangt, kan zij haar schuld aan het kinderopvangbureau en de opvangouder voldoen.

3.1.

Verweerder heeft ter zitting excuses gemaakt voor de onrechtmatige besluitvorming. Verweerder erkent dat eiseres recht heeft op een bedrag van € 1500,- in verband met het overschrijden van de redelijke termijn.

Ten aanzien van de maand april 2016 stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen kinderopvang heeft plaatsgevonden zodat er ook geen recht op toeslag kan zijn. Aan eiseres zou genoegdoening kunnen worden gedaan door het toekennen van een schadevergoeding ter hoogte van het bedrag dat haar door de opvangouder en het kinderopvangbureau voor april 2016 in rekening is gebracht.

Verweerder heeft desgevraagd ter zitting toegezegd de invordering van de schuld over 2015 te zullen opschorten en toegelicht dat indien die invordering wordt opgeschort, van verrekenen van de voor 2016 toegekende kinderopvangtoeslag met de schuld over 2015 geen sprake kan zijn en de kinderopvangtoeslag over 2016 dan feitelijk aan eiseres wordt uitgekeerd.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat bestreden besluit II rechtens niet houdbaar is voor zover verweerder daarbij heeft nagelaten aan eiseres € 1500,- toe te kennen in verband het overschrijden van de redelijke termijn.

De rechtbank is verder van oordeel dat er in dit geval aanleiding is om verweerder in verband met de kosten voor de maand april 2016 op te dragen om aan eiseres bij wijze van voorschot op de gestelde (en voor het overige nog te onderbouwen) schade een bedrag toe te kennen ter hoogte van € 959,20 en zal het besluit II vernietigen voor zover op deze punten niet is beslist. Het beroep is voor deze delen gegrond. De rechtbank zal met verwijzing naar artikel 8:72, derde lid onder b, van de Awb bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit II.

Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat het in dit geval aangewezen is dat de invordering van de schuld over 2015 door verweerder wordt opgeschort en verweerder aan eiseres daadwerkelijk het nog te ontvangen bedrag aan kinderopvangtoeslag over 2016 uitkeert.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat gastouderbureau [naam gastouderbureau] in een CAF-onderzoek is betrokken en voert als beroepsgrond aan dat er reden is om aan te nemen dat bij het stopzetten van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van etnisch profileren. Om dit vermoeden te staven ontbreken er volgens eiseres echter de nodige stukken in het dossier. Eiseres verzoekt de rechtbank te bepalen dat verweerder het volledige dossier overlegt over het onderzoek bij gastouderbureau [naam gastouderbureau] , niet alleen over 2016 maar ook over 2015. Dit is van belang om eiseres in staat te stellen eventueel een gemotiveerd herzieningsverzoek ex artikel 8:119, van de Awb bij de Raad van State te kunnen doen over het jaar 2015.

4.1.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het niet aannemelijk is dat op een buitenlandse achternaam of achtergrond is geselecteerd. Het onderzoek bij [naam gastouderbureau] is volgens verweerder gestart in het kader van het gebruikelijk te houden toezicht.

4.2.

[naam] , houdster van gastouderbureau [naam gastouderbureau] , heeft ter zitting aangegeven dat bij het door de GGD en de Belastingdienst uitgevoerde onderzoek bij [naam gastouderbureau] is gevraagd aan te geven wie van de vraagouders een dubbele nationaliteit had en wie van buitenlandse afkomst was.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar belang bij het verkrijgen het volledige dossier om haar vermoedens te kunnen staven, voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen aan eiseres het volledige dossier over het onderzoek bij gastouderbureau [naam gastouderbureau] te verstrekken.

5. Over de andere schadeposten heeft eiseres aangegeven dat die pas op een later moment kunnen worden vastgesteld en zij op een later moment een vordering zal instellen of een verzoek zal indienen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder het griffierecht ten bedrage van € 46,- te vergoeden aan eiseres en is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling tot een bedrag van € 1536,- (hoorzitting in bezwaar, indienen beroepschrift, verschijnen ter zitting bij de rechtbank) door verweerder te vergoeden aan eiseres.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond voor zover daarin aan eiseres geen bedrag is toegekend wegens het overschrijden van de redelijke termijn en voor de gemaakte kosten over de maand april 2016;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een schadevergoeding van € 1500,- toekent wegens het overschrijden van de redelijke termijn en als voorschot op de nog nader te bepalen schade een bedrag van € 959,20 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit II;

- bepaalt dat verweerder overeenkomstig de ter zitting gedane toezegging de invordering van de schuld over het jaar 2015 opschort en aan eiseres daadwerkelijk het nog te ontvangen bedrag aan kinderopvangtoeslag over 2016 uitkeert;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het volledige dossier over het onderzoek bij gastouderbureau [naam gastouderbureau] verstrekt;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1536,- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.H.I. Zwaneveld-Butter, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.