Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5431

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
10/058799-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek voor een poging tot inbraak en een inbraak in twee naast elkaar gelegen twee-onder-een-kapwoningen. De rechtbank stelt vast dat het bloedspoor dat op de vensterbank in de woning van de poging inbraak is aangetroffen een daderspoor is en dat het DNA dat dit bloedspoor bevat van de verdachte is. De modus operandi van inbreken en het achterlaten van de doorzochte kamer in de naastgelegen woning is gelijksoortig aan de poging inbraak. Daarnaast is deze inbraak gepleegd op dezelfde dag en in dezelfde korte tijdspanne. Het DNA-bewijs dat is verkregen bij het forensisch onderzoek in de woning van de poging is in samenhang met de korte tijdspanne, de modus operandi en de vergelijkbare toestand waarin de doorzochte kamer is aangetroffen bruikbaar als schakelbewijs voor de bewezenverklaring van de inbraak. Vorderingen van de benadeelde partijen grotendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/058799-19

Datum uitspraak: 4 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

Van der Hoopstraat 100, 2921 LD Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. C. Lammers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Inleiding

De verdachte wordt verdacht van een poging woninginbraak op de [adres delict 1] en een voltooide woninginbraak op de [adres delict 2] , beide gepleegd op 25 december 2018. Er is een bloedspoor aangetroffen op de vensterbank van de woning aan de [adres delict 1] . Uit vergelijkend onderzoek door het NFI bleek dat dit bloedspoor het DNA-profiel bevat van één man en matchte met het in de landelijke DNA-databank opgenomen DNA-profiel van de verdachte.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten. De feiten kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden, omdat niet buiten redelijke twijfel vast staat dat de verdachte de feitelijke donor is van het bloedspoor dat op de vensterbank van het verbroken raam van de woning aan de [adres delict 1] is aangetroffen, terwijl dit tevens het enige bewijsmiddel is dat in de richting van de verdachte wijst. Het resultaat van het DNA-onderzoek betreft een kansberekening, wat de mogelijkheid open laat dat een ander dan de verdachte de donor is van het bloed. Er is nadere informatie nodig (onder meer over de vraag of het een volledig profiel betreft) om de matchkans te kunnen duiden. Zonder aanvullend steunbewijs is het enkele aantreffen van DNA dat van de verdachte zou kúnnen zijn, onvoldoende om de feiten wettig en overtuigend te kunnen bewijzen.

De verdediging doet tevens het voorwaardelijke verzoek dat in het geval de rechtbank een veroordeling overweegt, de behandeling van de zaak ter terechtzitting wordt aangehouden ten einde aanvullend onderzoek te doen naar de andere veiliggestelde, niet onderzochte, forensische sporen.

4.1.3.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank overweegt dat DNA-onderzoek onder omstandigheden een grote mate van zekerheid biedt bij de identificatie van lichaamsmateriaal. Dat neemt niet weg dat een dergelijk onderzoek slechts een bepaalde kans oplevert. Hoe gering de kans dat een ander de donor is van het materiaal vaak - zoals ook hier - is, zij doet zich voor en zij kan in bepaalde gevallen aanleiding zijn (nader) te onderzoeken of de identificatie die op grond van het resultaat van het DNA-onderzoek voor de hand ligt, gerechtvaardigd is. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de grootte van die kans, ligt het op de weg van de verdediging om gemotiveerd te stellen dat in het concrete geval die aanleiding bestaat.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de kans dat het bloedspoor op de vensterbank afkomstig is van de verdachte zeer groot is en dat de gevonden match met de verdachte in dit geval een sterke bewijskracht heeft. Het NFI heeft immers vastgesteld dat het monster celmateriaal bevat van één man en dat de kans dat een willekeurig gekozen ander persoon hetzelfde DNA-profiel heeft kleiner is dan één op één miljard.

De rechtbank overweegt voorts dat het bloedspoor dat zich op de vensterbank bevond een duidelijk daderspoor is, gelet op het volgende. Het bloedspoor is aangetroffen op de vensterbank van het raam waarvan uit de aangifte en het forensisch onderzoek is gebleken dat zowel het kozijn als het glas van dit raam zijn verbroken. De rechtbank concludeert dat bij het openbreken van het raam en wellicht het betreden van de woning de dader een bloedende wond moet hebben opgelopen. Hieruit volgt dat het bloedspoor op de vensterbank is achtergelaten bij gelegenheid van het verbreken van het raam en/of het betreden van de woning, en dus ter gelegenheid van de inbraak.

Een alternatief scenario voor het aantreffen van het bloed van de verdachte op de plaats delict is door de verdediging niet naar voren gebracht. Verdachte heeft immers op de terechtzitting van 20 juni 2019 slechts verklaard dat hij nog nooit in Papendrecht is geweest en heeft geen verklaring gegeven hoe zijn bloed daar op andere wijze terecht zou kunnen zijn gekomen. De verdediging heeft ook geen feiten of omstandigheden aangedragen die maken dat nader onderzocht kan worden of de verdachte inderdaad op een andere plek was op het moment van de poging tot inbraak.

De rechtbank stelt vast dat nu de verdediging geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die nopen tot nader onderzoek, er ook geen noodzaak is dit te doen om uit te mogen gaan van de bewijskracht van het gedane DNA-onderzoek. De rechtbank ziet tevens geen noodzaak in het doen van aanvullend onderzoek naar de andere veiliggestelde forensische sporen. Eventuele uitkomsten naar aanleiding van het onderzoek van deze andere sporen doen immers niets af aan de bewijskracht van het reeds onderzochte bloedspoor van de vensterbank, dat op de betrokkenheid van de verdachte bij de poging inbraak in de woning met huisnummer 22 wijst. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de DNA-match in samenhang met de aangifte van de eigenaresse, de getuigenverklaring van haar dochter en het proces-verbaal van de forensische opsporing voldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank overweegt dat de onder 2 ten laste gelegde woninginbraak gelijksoortig is aan de onder 1 bewezen verklaarde poging woninginbraak. De gelijksoortigheid bestaat naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat dezelfde modus operandi is gebruikt bij het binnenkomen in de naast elkaar gelegen woningen en dat kamers in de woningen op eenzelfde wijze zijn doorzocht en achtergelaten. De dader is via een stukje plat dak aan de achterzijde van de woning, dat te bereiken is via het dak van de uitbouw van de woning waar de poging diefstal plaatsvond, bij een openslaand raam op de eerste verdieping terecht gekomen. Dit raam heeft hij met een knip- of breekvoorwerp, zoals bijvoorbeeld een schroevendraaier, verbroken waarna de woning betreden kon worden. Op dezelfde wijze is ook de woning met huisnummer 22 betreden. In de woning zijn kasten en lades open getrokken en open gelaten en doorzocht, net als in de woning van de buurvrouw. Dit is bovendien gebeurd op dezelfde dag en in dezelfde korte tijdspanne, te weten op nummer 22 tussen 16:30 en 17:15 uur en op nummer 24 tussen 16:30 en uiterlijk 20:00 uur. De mogelijkheid dat een ander dan de verdachte in ditzelfde korte tijdsbestek op dezelfde wijze heeft ingebroken in de woning met huisnummer 24, terwijl de verdachte alleen in huisnummer 22 is geweest, is in theorie denkbaar, maar er is geen enkele omstandigheid aangevoerd dan wel aan te duiden in het dossier die dit scenario zelfs maar enigszins aannemelijk maakt.

Gelet op wat hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat het DNA-bewijs dat verkregen is bij het forensisch onderzoek van de woning met huisnummer 22 in samenhang met de korte tijdsspanne, de modus operandi en de vergelijkbare toestand waarin de slaapkamer in de woning is aangetroffen, bruikbaar is als schakelbewijs voor de bewezenverklaring van de inbraak op huisnummer 24. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat dit DNA-bewijs in de gegeven omstandigheden tezamen met de aangifte van de eigenaar van nummer 24 voldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert om tot een bewezenverklaring van de inbraak te komen.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte op 25 december 2018 zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in de woning aan de [adres delict 1] en een inbraak in een woning aan de [adres delict 2] te Papendrecht waarbij een trouwring is gestolen.

Voor de verdenking dat de feiten tezamen in vereniging zijn gepleegd acht de rechtbank evenals de officier van justitie en de verdediging onvoldoende bewijs aanwezig. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het medeplegen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.
hij
op 25 december 2018 te Papendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit een woning,
gelegen aan de [adres delict 1] ) weg te nemen goederen en/of enig
geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , en
zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen
en die weg te nemen goederen en/of enig geldbedrag onder
zijn bereik te brengen door middel van braak,
aan de achterzijde van de woning op een uitbouw is geklommen en
vervolgens een slaapkamerraam op de eerste verdieping heeft
verbroken, waarna de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet werd voltooid;

2.
hij
op 25 december 2018 te Papendrecht,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een
trouwring, geheel toebehorende aan [naam slachtoffer 2] ,
waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen
trouwring, onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

De bewezen feiten leveren op:

1.

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op eerste kerstdag 2018 schuldig gemaakt aan een inbraak en een poging tot inbraak in twee naast elkaar gelegen twee-onder-een-kapwoningen. Om de woningen binnen te komen heeft de verdachte bij beide woningen een raam op de eerste verdieping aan de achterzijde verbroken met behulp van een schroevendraaier. Uit de woning met huisnummer 24 heeft de verdachte een trouwring meegenomen. Uit de woning met huisnummer 22 is niets meegenomen. Wel is deze woning uitvoerig door de verdachte doorzocht. Toen de dochter van de eigenaresse van huisnummer 22 om 17:15 uur de woning van haar moeder betrad, werd zij geconfronteerd met de verdachte die in de achtertuin stond. Dit moet beangstigend geweest zijn voor haar. Door dit handelen zijn bij de eigenaren van de woningen ook angstgevoelens ontstaan. De eigenaresse van huisnummer 22 heeft een alarmsysteem aan laten leggen, omdat zij bang is geworden in haar eigen huis. De eigenaar van huisnummer 24 is zijn trouwring verloren door deze diefstal, een voorwerp waaraan naast materiële waarde ook emotionele waarde zit.

Door aldus te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendom en de persoonlijke leefomgeving van anderen. Daarnaast heeft hij schade aan beide woningen en overlast veroorzaakt.

Een (poging tot) woninginbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners, mede omdat een woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten is het opleggen van een gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Dit zijn over het algemeen lagere straffen dan in deze zaak geëist door de officier van justitie. Nu er ook geen sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zal de rechtbank daarom afwijken van de eis van de officier van justitie.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 299,00 aan materiële schade voor de aanschaf van een alarmsysteem en een vergoeding van € 299,00 aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 450,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 500,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met uitzondering van de gevorderde materiële schade door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] . De officier van justitie verzoekt dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie verzoekt tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de gevorderde materiële schade door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Deze schade is genoegzaam onderbouwd, door de verdediging niet weersproken en komt de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal deze gevorderde schadevergoeding toewijzen. De benadeelde partij zal voor de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het ten laste gelegde feit en de opgevoerde materiële schade. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 december 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Nu is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht, de vordering genoegzaam is onderbouwd, niet is weersproken en de vordering de rechtbank ook niet onredelijk voor komt zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 december 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 299,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2018. De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 950,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2018.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 299,00 (zegge: tweehonderdnegenennegentig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 299,00 (zegge: tweehonderdnegenennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 299,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 950,00 (zegge: negenhonderdvijftig euro), bestaande uit € 450,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 950,00 (zegge: negenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 950,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. G.A. Bouter-Rijksen en C.G.E. Prenger, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Kokken, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1
hij
op of omstreeks 25 december 2018
te Papendrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning,
gelegen aan de [adres delict 1] ) weg te nemen goederen en/of enig
geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval
aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en
zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen
en/of die/dat weg te nemen goederen en/of enig geldbedrag onder
zijn/hun bereik te brengen door middel van
braak/verbreking/inklimming, met zijn mededader(s), althans alleen,
aan de achterzijde van de woning op een uitbouw is geklommen en/of
vervolgens een (slaapkamer)raam op de eerste verdieping heeft/hebben
verbroken,
waarna de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet werd voltooid;

2
hij
op of omstreeks 25 december 2018
te Papendrecht,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met
het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een
trouwring, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats
des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen
trouwring, althans enig goed, onder zijn/hun bereik heeft/hebben
gebracht door middel van braak/verbreking/inklimming;