Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5376

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
ROT 18/5773
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2021:1465, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting bedrijfspand na aantreffen gestolen autoportieren en niet goed bijhouden registratiesysteem. Geen strijd met onschuldpresumptie na sepot strafzaak wegens heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/5773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.C. Herrewijnen,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. C.W. de Jong.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder op grond van artikel 2:35, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) de sluiting bevolen van het bedrijfspand aan de [adres] te Rotterdam (het pand) voor de duur van zes maanden.

Bij besluit van 9 mei 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het pand aangewezen als vergunningplichtig als bedoeld in artikel 2:36, tweede en derde lid, van de APV.

Bij besluit van 28 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] .

Overwegingen

1. Eiseres is een autoschadeherstelbedrijf dat in het pand is gevestigd. Enig aandeelhouder van eiseres is [naam bedrijf 1] . Bestuurder van [naam bedrijf 1] is [naam 1] .

2.1

Op 15 december 2017 is bij eiseres een integrale bedrijfscontrole uitgevoerd. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in de bestuurlijke rapportage van 29 januari 2018.

2.2

Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat bij de controle vier portieren zijn aangetroffen van een witte Volkswagen Golf. Deze portieren zijn onderzocht door het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV). De deskundige voertuigidentificatie van het LIV heeft op 8 januari 2018 schriftelijk verklaard dat op de portieren productiekenmerken zijn aangetroffen en dat volgens informatie van de fabrikant op basis van deze kenmerken is gebleken dat de portieren oorspronkelijk behoorden bij een voertuig met een bepaald voertuigidentificatienummer (VIN), dat weer bleek gekoppeld aan het kenteken [kentekennummer] . Dit voertuig is op 22 november 2012 als gestolen opgegeven.

2.3

Daarnaast blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat eiseres de genoemde portieren niet had geregistreerd in het Digitaal Opkoop Register (DOR).

2.4

Ook blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat eiseres en [naam 1] eerder onder de aandacht van politie zijn gekomen in verband met onder meer heling van gestolen goederen en het niet op de juiste manier voeren van het DOR. Eiseres heeft hiervoor op 28 oktober 2015 een bestuurlijke waarschuwing gekregen. Nadat bij een doorzoeking van het pand op 28 maart 2017 onder meer gestolen auto-onderdelen, wapens en een grote hoeveelheid contant geld werden aangetroffen, heeft verweerder het pand bij besluit van 15 juni 2017 voor drie maanden gesloten. Verweer heeft dit besluit op 14 december 2017 in bezwaar gehandhaafd. Het hiertegen door onder meer eiseres ingestelde beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 27 december 2018 (ROT 18/413) ongegrond verklaard.

3. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de bestuurlijke rapportage en het zienswijzegesprek van 22 maart 2018, aan de primaire besluiten ten grondslag gelegd dat er gestolen autoportieren in het pand zijn aangetroffen en dat deze portieren niet in het DOR waren geregistreerd. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat het pand eerder gesloten is geweest. Ook heeft verweerder erop gewezen dat in het gebied waarin het pand is gelegen (Spaanse Polder) op grote schaal criminele activiteiten plaatsvinden en dat om die reden verschillende partners in de veiligheids- en leefbaarheidsketen een traject zijn gestart om de leefbaarheid van dit gebied te vergroten.

4. Bij uitspraak van 10 juli 2018 (ROT 18/3087 en ROT 18/3088) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat het ten zeerste de vraag is of de primaire besluiten in bezwaar in stand kunnen blijven en dat er daarom aanleiding is deze besluiten te schorsen.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie van 16 augustus 2018, de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij de schorsing van de primaire besluiten, zoals bepaald bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2018, gehandhaafd.

6. De rechtbank heeft de voor deze zaak relevante bepalingen opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

7.1

Eiseres stelt dat het bestreden besluit is gebaseerd op onjuiste veronderstellingen en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens eiseres is onduidelijk waarop het LIV zijn conclusie over de herkomst van de portieren heeft gebaseerd. Zo ontbreken volgens eiseres een foto van de portieren waarop het VIN zichtbaar is, een beschrijving van enig kenmerk dat op de portieren is aangetroffen en de verklaring van de fabrikant aan het LIV over de herkomst van de portieren.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Verweerder heeft in beroep uiteengezet dat autofabrikanten op voertuigonderdelen naast een VIN nog andere unieke productiekenmerken aanbrengen op basis waarvan deze onderdelen kunnen worden geïdentificeerd. Deze kenmerken zijn volgens verweerder niet voor de openbaarheid bestemd. De rechtbank acht het begrijpelijk dat dergelijke geheime kenmerken niet openbaar worden gemaakt gelet op het doel dat daarmee wordt nagestreefd, te weten de effectiviteit van de opsporing van voertuigcriminaliteit (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1985, nr. 78633). Nu daarnaast niet is gesteld of gebleken dat het LIV het onderzoek aan de portieren niet zorgvuldig heeft verricht of dat de weergave door het LIV van de verklaring van de fabrikant niet op waarheid berust, levert het niet opnemen in het bestreden besluit van de geheime productiekenmerken en de verklaring van de fabrikant naar het oordeel van de rechtbank geen motiveringsgebrek op.

7.2

Volgens eiseres kunnen de vier aangetroffen portieren niet afkomstig zijn van het door verweerder gestelde voertuig. Uit bronnen die eiseres heeft geraadpleegd, te weten een uitdraai van een schadecalculatiesysteem en een kentekenrapport van AutoWeek, blijkt volgens eiseres namelijk dat dit voertuig drie portieren had.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Eiseres heeft niet weersproken dat het in het betreffende schadecalculatiesysteem niet mogelijk is een dossier van een gestolen voertuig op te maken. Op het moment dat de gegevens van een gestolen voertuig worden ingevoerd, verschijnt in dat systeem een foutmelding. [naam 1] heeft op de hoorzitting verklaard dat er “tientallen manieren zijn om hier een mouw aan te passen”. Op de zitting heeft [naam 1] verklaard dat het mogelijk is om in het betreffende systeem de historie van een voertuig te zien en op basis van historische (schade)gegevens een hercalculatie te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gegevens uit het schadecalculatiesysteem terecht als onbetrouwbaar heeft aangemerkt, nu eiseres dit systeem kennelijk op oneigenlijke wijze heeft gebruikt. Daarnaast blijkt uit het door eiseres overgelegde resultatenblad van het schadecalculatiesysteem niet dat het gaat om een historisch overzicht, zoals eiseres heeft betoogd. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het kentekenrapport van AutoWeek van algemene aard is, te meer nu daarin is opgenomen dat de weergegeven specificaties kunnen afwijken van het werkelijke voertuig. Gelet op het voorgaande heeft eiseres met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat het door verweerder gestelde voertuig slechts drie portieren had en dat de bij eiseres aangetroffen portieren om die reden niet van dit voertuig afkomstig kunnen zijn.

7.3

Verweerder heeft in bezwaar nadere stukken overgelegd, te weten een uitdraai van de RDW en een verkoopfactuur van de fabrikant van 3 oktober 2011. Eiseres stelt dat uit deze stukken niet kan worden afgeleid dat de portieren afkomstig zijn van het door verweerder gestelde voertuig. Eiseres voert hiertoe aan dat uit deze stukken niet eenduidig blijkt dat dit voertuig vier portieren had. Op de uitdraai van de RDW staat namelijk dat het voertuig een stationwagen was terwijl op de verkoopfactuur staat dat het ging om een hatchback.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. De rechtbank stelt voorop dat niet in discussie is dat zowel een hatchback als een stationwagen vier portieren kan hebben. Dit betekent dat de enkele aanduiding van hatchback of stationwagen nog niets zegt over het aantal portieren dat het betreffende voertuig heeft. Verweerder heeft daarnaast in het verweerschrift nader gemotiveerd dat uit informatie van de RDW is gebleken dat elke carrosserie met vijf deuren van Volkswagen de typeaanduiding stationwagen krijgt en dat een dergelijke auto tegelijkertijd de uitvoering hatchback kan hebben. Dit betekent dat de aanduidingen van het voertuig in de factuur van de fabrikant en in de uitdraai van de RDW elkaar niet uitsluiten.

Eiseres heeft op de zitting uitdraaien van de RDW overgelegd van vier andere voertuigen van het merk Volkswagen. Deze voertuigen worden hierop als hatchback aangeduid. Eiseres stelt hiermee verweerders stelling te hebben weerlegd dat voertuigen van het merk Volkswagen met vijf deuren altijd als stationwagen worden aangeduid. De rechtbank is het met verweerder eens dat uit deze stukken alleen kan worden afgeleid dat de betreffende voertuigen kennelijk als hatchback worden aangeduid. Te meer nu op de overgelegde uitdraaien het aantal portieren niet is vermeld, heeft eiseres hiermee niet verweerders stelling weerlegd dat de aanduidingen hatchback en stationwagen op de factuur van de fabrikant en op de uitdraai van de RDW elkaar niet uitsluiten.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat uit de verkoopfactuur blijkt dat het in deze zaak aan de orde zijnde voertuig vier portieren had en dat uit de uitdraai van de RDW over dit voertuig niet blijkt dat dit voertuig geen vier portieren had. Nu niet is gesteld of gebleken dat de factuur van de fabrikant onjuist is, heeft verweerder deze naar het oordeel van de rechtbank terecht als betrouwbaar aangemerkt. Verweerder heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat het betreffende voertuig vier portieren had, in reactie op de stelling van eiseres dat de vier aangetroffen portieren niet van het gestelde voertuig kunnen zijn, omdat dat voertuig maar drie portieren zou hebben.

7.4

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aangetroffen portieren afkomstig waren uit het voertuig met kenteken [kentekennummer] , dat in 2012 als gestolen is opgegeven.

8. Eiseres stelt dat zij het DOR-systeem niet onjuist of onvolledig heeft bijgehouden. Eiseres voert hiertoe aan dat zij de vier betreffende portieren, die zij naar eigen zeggen al sinds 2013 in haar bezit had, door technische problemen niet in het DOR-systeem heeft kunnen invoeren. Volgens eiseres konden alle goederen die vóór 2016 waren verkregen, tot 2018 niet in het DOR-systeem worden ingevoerd. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Eiseres heeft in 2017 enkele goederen in het DOR-systeem ingevoerd die vóór 2016 waren gekocht. Eiseres heeft geen verklaring gegeven waarom zij uitgerekend de betreffende portieren niet heeft ingevoerd. Eiseres heeft ook geen verklaring gegeven waarom zij voorafgaand aan de controle van 15 december 2017 geen hulp heeft gezocht om deze portieren, conform de op haar rustende verplichting, alsnog correct te registreren.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres het DOR-systeem onjuist en onvolledig heeft bijgehouden.

9. Ook stelt eiseres dat, ook in het geval de portieren afkomstig zijn van het betreffende gestolen voertuig, haar niet kan worden tegengeworpen dat deze van diefstal afkomstig zijn. Eiseres heeft stukken overgelegd waaruit volgens eiseres blijkt dat zij de portieren heeft gekocht op 2 mei 2013 van [naam 3] en dat de portieren daarvoor eigendom waren van autobedrijf [naam bedrijf 2] . De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Uit de stukken die eiseres heeft overgelegd blijkt niet dat het gaat om dezelfde portieren die op 15 december 2017 bij eiseres zijn aangetroffen. Daarnaast blijkt uit deze stukken niet dat eiseres de portieren op een deugdelijke manier heeft verworven.

10. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld omdat de betreffende portieren al jaren in het pand liggen en bij eerdere controles buiten beschouwing zijn gelaten. Eiseres heeft deze stelling namelijk niet met controleerbare gegevens onderbouwd.

11.1

Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie, als neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiseres voert hiertoe aan dat verweerder de sluiting van het pand heeft opgelegd conform de in de Beleidslijn heling voor handelaren in ongeregelde en gebruikte goederen (de Beleidslijn) neergelegde handhavingsmatrix voor heling, terwijl het Openbaar Ministerie bij brief van 22 mei 2018 de strafzaak tegen [naam 1] in verband met de heling van de betreffende portieren heeft geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

11.2

Uit vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:958), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3148) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2577), volgt dat een strafrechtelijk sepot er op zichzelf niet aan in de weg staat dat in een latere bestuursrechtelijke procedure de gedragingen waarop het sepot betrekking heeft, bewezen worden verklaard. Factoren die hierbij een rol spelen, zijn onder meer een verschil in rechtsvragen, bewijsregels en feitencomplex. Van schending van de onschuldpresumptie is volgens deze rechtspraak sprake indien door de bejegening door de bestuurlijke autoriteit twijfel ontstaat over de juistheid van de gronden waarop is beslist de strafrechtelijke vervolging niet door te zetten.

11.3

De rechtbank stelt voorop dat in de strafrechtelijke procedure met betrekking tot heling een andere rechtsvraag aan de orde is en strengere bewijsregels van toepassing zijn dan in deze procedure. Bij een succesvolle vervolging voor heling dient immers niet alleen sprake te zijn van goederen die van misdrijf afkomstig zijn, maar ook van schuld of opzet in strafrechtelijke zin. Daarmee wordt bedoeld dat de betrokkene op zijn minst redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het betreffende goed van misdrijf afkomstig was (artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht). Verweerder heeft op de zitting verklaard dat onder heling in de zin van de Beleidslijn wordt verstaan de enkele aanwezigheid van gestolen goederen. Dit vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het feit dat de handhavingsmatrix, behalve de categorie heling, geen afzonderlijke categorie kent met betrekking tot het voorhanden hebben van gestolen goederen. Het voorhanden hebben van gestolen goederen is hiermee in deze procedure, anders dan in de strafrechtelijke procedure, een zogenoemd geobjectiveerd gegeven. Eventuele schuld of opzet bij betrokkene speelt hierin geen rol en hoeft hier niet te worden bewezen.

11.4

De rechtbank stelt daarnaast vast dat het onderliggende feitencomplex in deze procedure verschilt van het feitencomplex in de geseponeerde strafzaak tegen [naam 1] . Blijkens de brief van het Openbaar Ministerie van 22 mei 2018 heeft het sepot immers enkel betrekking op heling, terwijl het in deze procedure niet alleen gaat om de aanwezigheid van gestolen goederen maar ook om het, in strijd met de voor eiseres geldende verplichting, niet registreren van die goederen.

11.5

Gelet op de onder 11.2 genoemde rechtspraak en de onder 11.3 en 11.4 genoemde omstandigheden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met het bestreden besluit geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van de sepotbeslissing. Van schending van de onschuldpresumptie is dan ook geen sprake. De rechtbank is het daarnaast met verweerder eens dat met de opmerking in het bestreden besluit in het kader van de evenredigheid van de sluitingsmaatregel, dat verweerder het aanwezig hebben van van diefstal afkomstige goederen “ziet als strafbaar feit”, kennelijk wordt beoogd te onderbouwen waarom volgens verweerder sprake is van een ernstige schending van de openbare orde en van het woon- en leefklimaat in de Spaanse Polder. Naar het oordeel van de rechtbank is ook met deze opmerking de onschuldpresumptie niet geschonden.

12. Eiseres stelt dat het doel en de noodzaak van het bestreden besluit ontbreken en dat het bestreden besluit onevenredig zware gevolgen voor haar heeft. De Beleidslijn voorziet bij een derde constatering van heling in een sluiting voor zes maanden. Volgens eiseres is een sluiting voor een dergelijke periode op grond van de Beleidslijn niet gerechtvaardigd omdat geen sprake is van heling. Ook op grond van overtreding van de registratieplicht is volgens eiseres een sluiting voor de duur van zes maanden te lang. Daarnaast dient de sluiting volgens eiseres geen redelijk doel (meer) omdat de door verweerder gestelde overtredingen al geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden en er na de heropening van het pand na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2018 geen nieuwe overtredingen zijn geconstateerd.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Uit de formulering van artikel 2:35 van de APV, zoals die gold ten tijde van belang, volgt dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of sluiting van een pand is vereist, over beoordelingsruimte beschikt. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat in het pand van eiseres gestolen autoportieren zijn aangetroffen die eiseres niet in het daarvoor bestemde register heeft geregistreerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond hiervan in redelijkheid tot sluiting van het pand kunnen besluiten omdat het belang van verweerder bij de aanpak van de handel in gestolen goederen, mede gelet op de problematische veiligheidssituatie in het gebied waarin het pand is gelegen, zwaarder mag wegen dan de financiële belangen van eiseres om haar bedrijfsactiviteiten in het pand te kunnen continueren. Nu twee keer eerder gestolen goederen bij eiseres zijn aangetroffen, is de sluiting voor de duur van zes maanden bovendien in overeenstemming met de Beleidslijn en daarmee niet te lang. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder zich daarnaast tevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de sluiting niet door het tijdsverloop is komen te vervallen.

13. Tot slot stelt eiseres dat de vergunningplicht, zoals besloten bij het primaire besluit 2, feitelijk zal betekenen dat eiseres haar onderneming zal moeten beëindigen. Eiseres verwacht namelijk dat verweerder, gelet op de voorgeschiedenis, geen vergunning aan eiseres zal verlenen. Ook dit gevolg is volgens eiseres onevenredig zwaar. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank is het met verweerder eens dat niet vaststaat dat aan eiseres geen vergunning zal worden verleend. Dat zal pas beoordeeld worden in het kader van een aanvraag om een vergunning. Eiseres heeft daarnaast niet weersproken dat niet is gebleken dat zij voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van dit specifieke pand.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.G.L.S. Roetgerink, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 juli 2019.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

In artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester onder andere belast is met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

In artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet, is bepaald dat de burgemeester bevoegd is bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

In artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet, is bepaald dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Op grond van artikel 2:35, eerste lid, van de APV, voor zover hier van belang, kan de burgemeester, indien dit naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw.

Op grond van artikel 2:36, tweede lid, van de APV, voor zover hier van belang, kan de burgemeester gebouwen aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.

Op grond van artikel 2:67, eerste lid, van de APV, is de handelaar verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

Beleidslijn heling voor handelaren in ongeregelde en gebruikte goederen

Handhavingsarrangement.

Bij een eerste constatering van de overtreding heling volgt een sluiting van 1 maand. Bij een tweede constatering volgt een sluiting van 3 maanden. Bij een derde constatering volgt een sluiting van 6 maanden.