Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5337

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
ROT 18/1018
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2021:1130, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 60, derde lid, van de Wet WIA; ingangsdatum uitlooptermijn?

Artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op een handeling te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/1018

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Rook.

Als partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam werknemer] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [naam werknemer] .

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft verweerder met ingang van 17 januari 2017 aan [naam werknemer] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 – 100% (het toekenningsbesluit).

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft verweerder bij besluit van 11 januari 2018 (het bestreden besluit) het toekenningsbesluit deels herroepen, de mate van arbeidsongeschiktheid van [naam werknemer] met ingang van 17 januari 2017 vastgesteld op 73,39% en bepaald dat de hoogte van de WGA-loonaanvullingsuitkering niet wijzigt tot 1 september 2019.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Bij brief van 25 januari 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en aan partijen gevraagd of eiseres nog procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep. Partijen hebben hier bevestigend op geantwoord.

Op 12 maart 2019 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Procesbelang

1.1.

Bij besluit van 6 maart 2017 heeft verweerder de WGA-uitkering van [naam werknemer] met ingang van 1 maart 2017 aan eiseres toegerekend (het toerekeningsbesluit). Bij besluit van 20 juli 2017 heeft verweerder € 1.393,13, de over de maand juli 2017 aan [naam werknemer] betaalde WGA-uitkering , op eiseres verhaald (het verhaalsbesluit). Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen de naar aanleiding hiervan genomen beslissingen op bezwaar.

1.2.

Op 24 januari 2019 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep tegen het verhaalsbesluit (zaaknummer: ROT 18/1019). In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 84 van de Wet WIA geen grondslag biedt om de Wet WIA-uitkering van [naam werknemer] te verhalen op eiseres. Nu verweerder van deze uitspraak in hoger beroep is gegaan, heeft eiseres reeds hierom belang bij een beoordeling van het voorliggende beroep.

Eiseres heeft zich op diverse gronden tegen het bestreden besluit gekeerd. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

De medische beoordeling

2.1.

Het betoog van eiseres dat [naam werknemer] op de datum in geding (17 januari 2017) volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid was, slaagt niet.

2.2.

Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die twijfel doen zaaien aan de juistheid van de uitgebreid gemotiveerde rapporten van de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor zover eiseres heeft opgemerkt dat in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 3 oktober 2014 meer beperkingen zijn opgenomen dan in de FML van 12 september 2017, heeft de primaire verzekeringsarts genoegzaam gemotiveerd dat er in 2014 tijdelijk meer beperkingen zijn opgenomen om de re-integratie van [naam werknemer] op gang te brengen. Eiseres heeft dit niet weersproken.

De arbeidskundige beoordeling

3.1.

Het betoog van eiseres dat de functie sbc 315150 niet geduid mag worden, omdat daarin 6,25 uren per dag gewerkt moet worden, terwijl [naam werknemer] in staat wordt geacht slechts ongeveer zes uur per dag te kunnen werken, slaagt niet.

3.2.

In de FML van 12 september 2017 is opgenomen dat [naam werknemer] gemiddeld ongeveer zes uur per dag en gemiddeld ongeveer dertig uur per week kan werken. In de functie bedraagt het maximaal aantal te werken uren per dag 6,25 en het maximaal aantal te werken uren per week gemiddeld 24 uur. Het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 januari 2018 vermeldt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening is dat deze overschrijding acceptabel is, omdat het totaal aantal te werken uren per week ruim onder de dertig blijft.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), onder meer de uitspraak van 22 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1241), dienen een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige niet achteraf over te gaan tot een nadere beoordeling of het in eerste instantie over de urenbeperking vastgelegde medische uitgangspunt vatbaar is voor een zekere relativering. Naar het oordeel van de rechtbank dient de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter niet als een relativering van de urenbeperking te worden gelezen, nu het maximale aantal per dag uren te werken uren in vastgesteld op ongeveer zes uren. Die vaststelling veronderstelt een zekere marge om van die zes uren af te wijken en met de motivering die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gegeven wordt die marge niet overschreden. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Raad van 22 november 2017 (ECLI:NL:2017:4042) treft geen doel, nu in die zaak het maximaal aantal te werken uren op een dag was vastgesteld op zes uur, en niet op ongeveer zes uur. De beroepsgrond slaagt niet.

4.1.

Het betoog van eiseres dat de gevolgde opleidingen van [naam werknemer] niet gelijk kunnen worden gesteld aan het diploma-vereiste in de functie SBV 315120, slaagt evenmin.

4.2.

De geduide functie vermeldt bij opleiding: “Diploma VMBO Theorie gericht”. Naar vaste rechtspraak van de Raad, onder meer de uitspraak van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1970), kan een functie waarvoor een diploma-eis wordt gesteld niet aan een verzekerde worden opgedragen als die verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma. Daarbij is overwogen dat een strikte diploma-eis niet kan worden gecompenseerd door een (andere) opleiding, al dan niet aangevuld met een door de betrokken arbeidsdeskundige van belang geachte praktische ervaring. Onder omstandigheden kan aan een diploma-eis worden voldaan als de verzekerde een opleiding heeft gevolgd die in het verlengde ligt van de opleiding waarvoor een diploma wordt verlangd en die opleiding weliswaar niet met een diploma heeft afgesloten, maar daarin wel geacht kan worden een zodanige kennis te hebben opgedaan dat de opleiding met de gestelde diploma-eis gelijk kan worden gesteld. Tot een dergelijke gelijkstelling kan echter niet lichtvaardig worden geconcludeerd. Daarbij speelt een rol dat een diploma slechts wordt behaald nadat aan een algemeen geldende toets wordt voldaan, wat niet geldt voor een voortijdig afgebroken opleiding. In onderwijskundig opzicht moet zijn aangetoond, en daarmee boven twijfel verheven, dat de opgedane kennis ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma, aldus de Raad.

4.3.

[naam werknemer] heeft de Lagere Agrarische School afgerond, drie jaar middelbaar economisch en administratief onderwijs (meao) gevolgd en de propedeuse van het hoger economisch en administratief onderwijs (heao) behaald. Op grond hiervan is boven twijfel verheven dat de opgedane kennis in deze opleidingen ten minste gelijk is aan de kennis die benodigd is voor het behalen van het diploma VMBO theoretische leerweg, sector economie, zodat, overeenkomstig de beoordeling door verweerders arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, de opleidingen kunnen worden gelijkgesteld aan een afgeronde VMBO-opleiding theoretische leerweg.

5.1

Eiseres betoogt verder dat in twee van de geduide functies een opleiding gevolgd dient te worden waardoor de urenbeperking per dag wordt overschreden.

5.2.

In de arbeidsmogelijkhedenlijst staat bij de geduide functie van medewerker receptie (SBC-code 315120) vermeld dat de betrokkene in staat wordt geacht een dagdeel per week een interne opleiding te volgen en dat in deze functie maximaal vier uur per dag en gemiddeld negentien uur per week gewerkt wordt. Bij de geduide functie van consultatiebureau-assistent (SBC-code 372091) staat vermeld dat de betrokkene in staat wordt geacht tot het volgen van “MBO 3 Verzorgende” en dat in deze functie maximaal vier tot vijf uur per dag en gemiddeld vijftien uur per week gewerkt wordt. Voor de veronderstelling van eiseres dat deze opleidingen buiten werktijd moeten worden gevolgd, bieden echter de Arbeidsmogelijkhedenlijst noch de overige stukken aanknopingspunten. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Ingangsdatum van de uitlooptermijn

6.1.

Eiseres betoogt dat de aanvangsdatum van de periode van 24 kalendermaanden als bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA, in ieder geval vastgesteld had moeten worden op 17 januari 2017, nu verweerder met ingang van die datum de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 73,39%.

6.2.1.

Op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA geldt voor de verzekerde, die op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering, of die gedurende tenminste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, als bedoeld in het tweede lid, geen inkomenseis tot de dag dat zijn resterende verdiencapaciteit hoger dan 20% van zijn maatmaninkomen per uur is geweest gedurende een periode van 24 kalendermaanden.

6.2.2.

Met het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat [naam werknemer] vanaf

17 januari 2017 arbeidsongeschikt is naar een mate van 73,39%. Het bestreden besluit houdt voorts in dat de termijn van 24 kalendermaanden eerst begint na aanzegging van de geduide functies. Deze aanzegging heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Op grond daarvan heeft verweerder in het bestreden besluit vastgesteld dat de termijn loopt van 1 september 2017 (de eerstvolgende kalendermaand na de aanzegging) tot 1 september 2019. Wat van de aanvang per 1 september 2017 (in plaats van 2 augustus 2017) ook zij, [naam werknemer] wordt door verweerders toepassing van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA niet benadeeld, doordat deze toepassing er in dit geval op neerkomt dat voor haar gedurende de periode van 17 januari 2017 tot 1 september 2019 geen inkomenseis geldt. Eiseres zou door deze toepassing wel benadeeld kunnen worden. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat verweerder eventuele voor eiseres negatieve gevolgen van het niet gelden van de inkomenseis gedurende de periode van 17 januari 2019 tot 1 september 2019 niet ten laste van eiseres mag brengen. In zoverre slaagt het betoog van eiseres.

Kosten in bezwaar

7.1.

Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte de kosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar niet heeft vergoed. Dit betoog slaagt.

7.2.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

7.3.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 29 maart 2018 op het standpunt gesteld dat de kosten van bezwaar niet zijn vergoed, omdat eiseres daarom niet zou hebben verzocht. Op 10 juli 2017 heeft de hoorzitting plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen het toerekeningsbesluit. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de pleitnotitie die eiseres toen heeft overgelegd tevens als bezwaarschrift gericht tegen het toekenningsbesluit moet worden aangemerkt. In de laatste zin van de laatste alinea van deze pleitnotitie heeft eiseres verzocht om “vergoedingen van de schade door verleende rechtsbijstand”. Gelet op de algemene formulering van dit verzoek had verweerder dit verzoek moeten opvatten als een verzoek om ook de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het toekenningsbesluit heeft moeten maken te vergoeden. Nu het bestreden besluit gedeeltelijk is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid had verweerder de kosten van het bezwaar moeten vergoeden. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen deze kosten van € 1.024,- alsnog te vergoeden (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

9. Op grond van hetgeen is overwogen in 7.3 en 8.3 is het beroep gegrond. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij de vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten niet heeft vergoed en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit;

- draagt verweerder op aan eiseres de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.024,- te vergoeden;

- draagt verweerder op om te handelen met inachtneming van hetgeen in 7.3 van deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 46,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr. H. Bedee en

mr. C.L.G.F.H. Albers, leden, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 juli 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.