Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5329

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
10/680471-16 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het meerdere malen in vereniging plegen van computervredebreuk en valsheid in geschrifte. Verdachte en zijn medeverdachte hebben ingebroken op e-mail accounts van ondernemers en naar klanten van deze bedrijven valse facturen gestuurd. Daarnaast hebben zij ingebroken op Wehkamp accounts en met deze account op naam van anderen goederen besteld en afgehaald. Straf: een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/680471-16

Datum uitspraak: 4 juli 2019

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,

raadsman mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem.

Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2019.

Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van heden is de veroordeelde wegens de na te noemen strafbare feiten veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.

Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie, mr. J. Bonnes, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 16.011,34.

De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van:

1. het gronddelict, namelijk de frauduleus ontvangen gelden in de zaak van de heer [naam ] zijnde € 8.995,14;

2. andere strafbare feiten, namelijk:

- € 4.619,80 blijkende uit veertien aangiftes waarbij geld op de bankrekening van de veroordeelde is gestort in de periode 16 mei tot en met 23 juni 2016 en 24 september tot en met 6 oktober 2014;

- € 2.537,30 blijkende uit de koppeling van de telefoon van de veroordeelde aan acht aangiftes van internetoplichting in de periode 16 januari 2015 tot en met 25 november 2016.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft - indien de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] wordt toegewezen - verzocht dit bedrag in mindering te brengen op het totaalbedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat het ontnemingsbedrag vanwege de forse schending van de redelijke termijn met 10 procent moet worden verminderd.

Strafbare feiten waarop de voordeelsberekening is gebaseerd

Blijkens het vonnis van de rechtbank Rotterdam van heden is de veroordeelde veroordeeld ter zake van:

- het medeplegen van computervredebreuk in de periode van 6 april 2015 tot en met 19 september 2015 en in de periode van 4 april 2016 tot en met 19 juli 2016;

- het medeplegen van valsheid in geschrifte in de periode van 4 april 2016 tot en met 19 juli 2016.

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van de na te noemen strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel wordt op de navolgende gronden geschat op € 16.011,34.

Beoordeling en berekening

Het gronddelict 1

In het strafrechtelijk onderzoek is komen vast te staan dat de veroordeelde een bedrag van

€ 8.995,14 aan frauduleus ontvangen gelden in de zaak van benadeelde [naam benadeelde] heeft genoten.

Internetoplichting te koppelen aan de bankrekeningen van de veroordeelde 2

Naar aanleiding van onderzoek van het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting (LMIO) is het aannemelijk dat de veroordeelde ook wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald uit oplichtingen via Marktplaats.nl.

Op bankrekening [bankrekeningnummer 1] op naam van de veroordeelde [naam veroordeelde] is een bedrag van € 255,00 gestort. Gedupeerde [naam] heeft aangifte gedaan van oplichting.

Op bankrekening [bankrekeningnummer 2] op naam van de veroordeelde [naam veroordeelde] zijn bedragen gestort door personen die aangifte hebben gedaan van oplichting. Het totaal van de baten van aan die bankrekening te koppelen aangiftes is € 1.567,90.

Op bankrekening [bankrekeningnummer 3] op naam van de veroordeelde [naam veroordeelde] zijn bedragen gestort door personen die aangifte hebben gedaan van oplichting. Het totaal van de baten van aan die bankrekening te koppelen aangiftes is € 2.796.90.

Het totaalbedrag van deze aangiftes is € 4.619,80

Internetoplichtingen te koppelen aan de telefoon van de veroordeelde 3

Tijdens de doorzoeking van de woning van de veroordeelde is op zijn slaapkamer een telefoon van het merk LG aangetroffen en in beslag genomen. Uit de analyse van deze telefoon bleek dat deze meerdere berichten met betrekking tot Marktplaats bevatte. Na onderzoek bleek de telefoon in verband te worden gebracht met een achttal aangiften van oplichting met een totaalbedrag van € 2.537,30.

Kosten 4

De kosten die door de veroordeelde zijn gemaakt worden vastgesteld op € 140,90.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 8.995,14

€ 4.619,80

€ 2.537,30

-------------- +

€ 1.6152,24

€ 140,90

-------------- -

€ 16.011,34

Vaststelling van het te betalen bedrag

Redelijke termijn

Omdat de veroordeelde niet eerder dan tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft verklaard over de ten laste gelegde feiten, heeft de politie een omvangrijk onderzoek moeten uitvoeren. Van dit onderzoek kon en mocht niet worden verwacht dat deze binnen de doorgaans geldende termijnen afgerond zou zijn. De rechtbank is om die reden van oordeel dat er sprake is van te beperkte overschrijding van de redelijke termijn om daaraan consequenties te verbinden.

In mindering brengen van de vordering van de benadeelde partij

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] niet van het te betalen bedrag aftrekken, omdat hiervoor aan de voorwaarde van artikel 36e lid 8 van het Wetboek van Strafrecht nog niet is voldaan. Daarnaast, zoals door de raadsman en de officier van justitie ter terechtzitting is opgemerkt, zal het bedrag in de executiefase worden verrekend indien daar door de verdediging om wordt verzocht.

Conclusie

De rechtbank zal - gelet op het vorenstaande - het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk genoten voordeel wordt geschat, vaststellen op € 16.011,34. Bepaald zal worden dat het gehele bedrag door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.

Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat de veroordeelde thans of in de (nabije) toekomst over onvoldoende draagkracht zal beschikken om het vastgestelde te betalen bedrag aan de staat terug te betalen.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 16.011,34 (zegge: zestienduizend elf euro en vierendertig eurocent);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 16.011,34 (zegge: zestienduizend elf euro en vierendertig eurocent).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en F. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, uitgesproken op 4 juli 2019

2 Ambtsedig proces-verbaal behelzende het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, proces-verbaal nummer [procesverbaalnummer] , d.d. 9 maart 2017 op ambtseed opgemaakt door [naam agent] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, p. 9 e.v.

3 Ambtsedig proces-verbaal behelzende het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, proces-verbaal nummer [procesverbaalnummer] , d.d. 2 maart 2017 op ambtseed opgemaakt door [naam agent] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, p. 13

4 Ambtsedig proces-verbaal behelzende het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, proces-verbaal nummer [procesverbaalnummer] , d.d. 2 maart 2017 op ambtseed opgemaakt door [naam agent] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, p. 14