Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5293

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
10/751137-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van wapenbezit. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Bevel gevangenneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/751137-18

Datum uitspraak: 17 mei 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Turkije) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M.M. Kuyp, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 mei 2019 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en van 8 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Verhoeven heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de doorzoeking in het pand aan de [adres 1] onrechtmatig is geweest, omdat er geen machtiging voor de doorzoeking is afgegeven. Het aldaar aangetroffen wapen is een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige doorzoeking en moet daarom van het bewijs worden uitgesloten. Door gebrek aan bewijs moet de verdachte worden vrijgesproken. Als gevolg van de genoemde onrechtmatige doorzoeking is de privacy van de verdachte geschonden (Schutznorm), in het bedrijfspand waren goederen van hem aanwezig.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken aangezien hij geen wetenschap had van het zich in de bureaulade bevindende vuurwapen.

Voor het aantreffen van DNA van de verdachte, zowel op de buitenkant van het wapen als op de patroonhouder is een alternatief scenario denkbaar. DNA van de verdachte is daar mogelijk door overdracht van DNA op terecht gekomen. In het bedrijf waar verdachte werkzaam is wordt gewerkt met poetsdoeken die door iedereen, dus ook verdachte, gebruikt worden. Het wapen moet zijn schoongemaakt met een poetsdoek die verdachte eerder heeft aangeraakt. Dat er DNA op de patroonhouder is aangetroffen valt mogelijk ook te verklaren doordat het waarschijnlijk is dat de patroonhouder, bij het veiligstellen van het wapen door de politie, door de verbalisant is neergelegd op een plek op het blad van het bureau waar zich al DNA van de verdachte bevond. Ook in dit geval moet er van worden uitgegaan dat het DNA van verdachte derhalve dus verplaatst is.

4.1.2.

Beoordeling

Onrechtmatigheid doorzoeking

De rechtbank volgt de raadsman niet en verwerpt het verweer. De rechtbank merkt hierbij op dat de raadsman klaarblijkelijk uit is gegaan van [adres 1] als adres waar het wapen gevonden is. Het is juist dat voor dit pand geen bevel tot doorzoeking of een en machtiging is afgegeven. Het wapen is echter aangetroffen in het bedrijfspand aan de [adres 2] .

Uit het dossier blijkt het volgende. Uit het proces-verbaal met nummer [procesverbaalnummer] , documentcode 1710101330.DZK blijkt dat de adresaanduiding op de gevel (pandnummer [nummer 1] ) niet overeenkomt met de kadastrale gegevens (pandnummer [nummer 2] ). Deze panden bestaan uit bedrijfspanden op de begane grond met daarboven gelegen woningen. Voor de woningen is er door rechter-commissaris een tweetal bevelen tot doorzoeking van de [adres 3] en [adres 4] te Schiedam afgegeven. De rechter-commissaris heeft geen machtiging tot binnentreden nodig. Uit dat proces-verbaal blijkt verder dat de doorzoeking van de bedrijfspanden heeft plaatsgevonden op gezag en onder leiding van de officier van justitie. In het dossier bevindt zich een machtiging tot binnentreden voor doorzoeking door de hulpofficier van justitie van 9 oktober 2017 van ditzelfde adres. De rechtbank acht daarom, evenals de officier van justitie, het binnentreden en de doorzoeking van het pand aan de [adres 4] rechtmatig.

Door de raadsman is verder aangevoerd dat de politie tijdens de doorzoeking door mevrouw [naam] is gezegd dat het kantoortje van [naam bedrijf] was – de werkgever van de verdachte, niet zijnde de verdachten uit onderzoek Avondrood – en dat daarom niet doorgegaan had mogen worden met zoeken zonder toestemming van de rechter-commissaris. Dit leidt gelet op het voorgaande niet tot een andere conclusie. Feit blijft immers dat er met machtiging van de rechter-commissaris is gezocht in de woningen en op gezag en leiding van de officier van justitie in de bedrijfspanden.

Wetenschap

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben –met uitzondering van de adresaanduiding van het pand waar het wapen werd aangetroffen, hierna onder a.- op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

  1. Op 10 oktober 2017 heeft in een bedrijfspand aan de Fokkerstraat te Schiedam een doorzoeking plaatsgevonden;

  2. In een bureaulade van een kleine kantoorruimte is een geladen vuurwapen aangetroffen;

  3. Op de buitenkant van het wapen en op de patroonhouder is DNA aangetroffen van de verdachte;

  4. De verdachte heeft op de zitting verklaard in het kader van zijn werk gebruik te maken van de betreffende kantoorruimte;

  5. De verdachte herkent zichzelf op de camerabeelden als de man die in de ochtend van 10 oktober 2017 in de la bezig is waar later het vuurwapen is gevonden.

De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat er een vuurwapen in de bureaulade lag en dat hij ook niet weet hoe het mogelijk is dat zijn DNA op het wapen is gekomen, acht de rechtbank niet aannemelijk. In de eerste plaats zijn er de camerabeelden waaruit blijkt dat de verdachte, in de nacht voordat het wapen daar werd aangetroffen, bezig is in de lade waar het wapen gevonden is. De verdachte heeft bovendien verklaard met enige regelmaat in de betreffende kantoorruimte te komen in verband met zijn werkzaamheden. Volgens de verbalisant die het wapen gevonden heeft lag het wapen niet verborgen, maar gewoon los voor de hand achter in de bureaulade. Voorts blijkt uit onderzoek dat op twee plaatsen van het wapen (aan de buitenkant, maar ook aan de zich in het wapen bevindende patroonhouder) DNA van de verdachte is aangetroffen. Vooral de omstandigheid dat niet op één, maar op twee plaatsen op het wapen DNA (zowel aan de buitenkant, als op de patroonhouder) van de verdachte is aangetroffen maakt dat het volgens de rechtbank niet anders kan zijn dat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad. Met name de aanwezigheid van DNA op de patroonhouder wijst er op dat verdachte niet alleen het wapen in handen moet hebben gehad, maar ook de patroonhouder uit het wapen moet hebben verwijderd of deze in ieder geval afzonderlijk in zijn handen heeft gehad.

De door de raadsman geschetste alternatieve scenario’s zijn in hoge mate speculatief en niet met controleerbare of verifieerbare feiten en omstandigheden onderbouwd en worden daarom ongeloofwaardig geacht. Bij gebreke aan enige nadere onderbouwing of een aannemelijke verklaring van de verdachte over de herkomst van zijn DNA op het wapen acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte op 10 oktober 2017 een geladen vuurwapen voorhanden heeft gehad.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 10 oktober 2017 te Schiedam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, type M-57, kaliber 7,62 x 25 mm, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 5 (vijf) kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 7,62 x 25 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad door deze te bewaren in een bureaulade bij het bedrijf waar hij werkzaam is.

Het gevaar van het voorhanden hebben van een dergelijk geladen wapen bestaat eruit dat het op een keer ook daadwerkelijk kan worden gebruikt.

Het voorhanden hebben van wapens is bijzonder gevaar zettend. Daarnaast zorgt ook reeds het enkele bezit daarvan in de samenleving niet alleen voor gevoelens van angst en onveiligheid maar wordt dit ook als schokkend ervaren en daardoor ook ten sterkste afgekeurd. Reden waarom daartegen streng en consequent dient te worden opgetreden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 april 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Ondanks dat de redelijke termijn nog niet overschreden is, houdt de rechtbank in strafverminderende zin rekening met het tijdsverloop. Het strafblad van de verdachte, met eerdere veroordelingen ter zake van wapenbezit, wordt daarentegen in strafverzwarende zin meegewogen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Tevens zal

de rechtbank de gevangenneming van de verdachte bevelen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 26 een 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenneming van de verdachte. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. W.H.J. Stemker Köster en M.R.J. Schönfeld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 oktober 2017 te Schiedam (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, type M-57, kaliber 7,62 x 25 mm, en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 5 (vijf) kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 7,62 x 25 mm, voorhanden heeft gehad;