Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:522

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 944
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag van een ambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/944

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. H.M. Hueting,

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.M. Huizinga.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Bij besluit van 2 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren namens verweerder aanwezig [X] en [Y].

Overwegingen

1.1

Eiser was laatstelijk in de functie van medewerker [Z] bij de afdeling [A] werkzaam bij verweerder. Eiser is in deze functie bij wijze van proef op 1 januari 2016 begonnen, waarna hij bij besluit van 15 juli 2016 daar definitief is geplaatst.

Op 12 september 2016 heeft eiser verzocht om uitbetaling van 668 verlofuren, volgens hem het restant van zijn verlofuren over 2015 en 2016 en de uren die hij in 2015 en 2016 in het kader van medezeggenschapsactiviteiten heeft verricht. Naar aanleiding van gesprekken hierover heeft eiser op 7 november 2016 een nieuw urenoverzicht aangeleverd, waarbij hij verzoekt om uitbetaling van 472 uren. Verweerder is hiernaar een onderzoek gestart.

1.2

Mede naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek is aan eiser bij brief van 13 februari 2017 het voornemen kenbaar gemaakt om aan hem de disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag op te leggen, omdat bij verweerder het vermoeden bestond dat eiser zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Nadat eiser hierop bij e‑mail van 21 februari 2017 zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder bij brief van 29 maart 2017 aan eiser medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat hij zich opnieuw niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, waarna eiser is uitgenodigd voor een hoorgesprek hierover. Op 18 april 2017 heeft dit gesprek plaatsgevonden. Dit gesprek is na 40 minuten afgebroken vanwege een woede-uitbarsting van eiser.

Bij brief van 20 april 2017 is aan eiser medegedeeld dat de woede-uitbarsting vermoedelijk kan worden gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim en dat de opeenstapeling van gedragingen dusdanig is dat verweerder voornemens is aan eiser de straf van onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen. Het hoorgesprek is op 26 april 2017 hervat, waarbij eiser ook zijn zienswijze op het voorgenomen strafontslag heeft gegeven. Hierna is het primaire besluit genomen.

Bij besluit van 7 juni 2017 is aan eiser medegedeeld dat hij recht heeft op 294 uur verlof en dat deze uren bij de eindafrekening aan hem zullen worden voldaan. Tegen dit besluit heeft eiser eveneens bezwaar gemaakt. In beroep zijn hier geen gronden tegen gericht. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat het beroep zich niet hierop richt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 11 december 2017, het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser twaalf verwijten zijn te maken die plichtsverzuim opleveren. Dit plichtsverzuim is eiser toe te rekenen. Verweerder meent dat gelet op de ernst van de feiten, in samenhang bezien, strafontslag een passende straf is. Daarbij heeft verweerder in het bijzonder het doorgaand karakter van het plichtsverzuim in aanmerking genomen, gepleegd door een gewaarschuwd man. Het belang van verweerder bij het in dienst hebben van integer personeel weegt volgens hem zwaarder dan het belang van eiser bij het behoud van zijn baan.

3. Op grond van artikel 78 van het Ambtenarenreglement Rotterdam (het Ambtenarenreglement) kan de ambtenaar wegens plichtsverzuim disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van hetgeen een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, van het Ambtenarenreglement kan verweerder de disciplinaire straf van ontslag opleggen.

4. Verweerder verwijt eiser de volgende gedragingen:

- Trachten zich te bevoordelen door over 2016 medezeggenschapsuren te registreren op data waarop hij geen medezeggenschapsactiviteiten verrichtte en deze uren te betrekken in een verzoek om uitbetaling van uren;

- Trachten zich te bevoordelen door een kilometervergoeding te declareren voor medezeggenschapsactiviteiten die hij niet heeft verricht;

- Trachten zich te bevoordelen door te beweren in 2016 geen vakantie te hebben genoten terwijl hij in maart 2016 een aantal dagen in Senegal heeft doorgebracht;

- Trachten zich te bevoordelen door aan te geven een workshop in Goes te hebben gevolgd en daarvoor kilometers te declareren, terwijl eiser in TIM registreert dat hij negen uur heeft gewerkt;

- De verplichtingen uit het verzuimprotocol niet nakomen:

• eiser heeft zich op 2 januari 2017 per SMS ziek gemeld;

• eiser was op 2 januari 2017 niet bereikbaar;

• tegen de afspraak in had eiser op 9 januari 2017 geen contact met zijn leidinggevende;

• eiser is op 9 januari 2017 een afspraak bij de bedrijfsarts niet nagekomen;

• eiser was op 10 januari 2017 telefonisch niet bereikbaar;

• op 10 januari 2017 heeft eiser tegen de afspraak in ‘s nachts en per SMS gereageerd;

- Leugenachtige verklaringen geven over de reactie van de bedrijfsarts na het consult van 12 januari 2017 en over het bezoek aan de fysiotherapeut dat eiser op 12 januari 2017
‘s middags heeft afgelegd;

- Leugenachtig verklaren tijdens een gesprek op 27 februari 2017 dat hij in de week van 20 tot en met 24 februari 2017 vijf uur heeft gewerkt aan straatafsluitingen;

- Zonder reden niet verschijnen op het werk op 6, 7, 8 en 9 februari 2017;

- Op 23 maart 2017 per e-mail contact opnemen met de heer [C] over zijn afwezigheid vanwege ziekte;

- Op 24 maart 2017 om iets voor negen en rond kwart voor tien ’s morgens niet bereikbaar zijn;

- In de periode van 31 maart tot en met 6 april 2017 niet bereikbaar zijn voor zijn leidinggevende;

- Zich op 18 april 2017 op onacceptabele wijze gedragen door zijn zelfbeheersing te verliezen, te schreeuwen tegen zijn leidinggevende en een beker water in zijn richting te gooien.

4.1.

Allereerst dient te worden beoordeeld of de verweten gedragingen door eiser zijn gepleegd en zo ja, of deze gedragingen plichtsverzuim opleveren.

4.2

Wat betreft het registreren van medezeggenschapsuren en het declareren van kilometervergoeding geldt het volgende.

Eiser betwist niet dat hij de medezeggenschapsuren van de OR-vergaderingen op 25 februari 2016, 29 maart 2016 en 26 april 2016 en de OR-cursussen van 1, 2 en 23 juni 2016 in TIM steeds als negen werkuren heeft geregistreerd. Door deze werkuren vervolgens te betrekken in een verzoek om uitbetaling van uren, benadeelt eiser verweerder. Daarnaast duurden al deze vergaderingen en cursussen korter dan de negen uren die eiser heeft geregistreerd.

De algemene stelling van eiser dat administratie niet zijn sterkste kant is en dat hij niet bekend was met het systeem TIM, maakt dit niet anders. Indien dit het geval was, lag het op de weg van eiser om maatregelen te nemen om zijn administratie op orde te krijgen en om ervoor te zorgen dat hij wel wist hoe TIM werkte. Als ook dat eiser niet lukte, had hij dat tijdig moeten bespreken met zijn leidinggevende.

Verder is niet gebleken dat op 21 juni 2016 een OR-vergadering heeft plaatsgevonden, terwijl eiser dit wel als zodanig heeft geregistreerd en hiervoor ook een kilometervergoeding heeft gedeclareerd.

Ook voor een workshop op 29 juni 2016 in Goes heeft eiser reiskosten gedeclareerd. Niet gebleken is echter dat eiser hierbij aanwezig was. Eiser staat niet op de presentielijst en de door eiser genoemde getuige mevrouw [B] heeft verklaard dat zij zich niet meer kan herinneren of eiser bij de workshop aanwezig was.

Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser zijn medezeggenschapsuren onjuist heeft geregistreerd en deze uren onterecht heeft betrokken in een verzoek om uitbetaling van uren en dat eiser ook onterecht reiskosten heeft gedeclareerd. Dit levert plichtsverzuim op.

4.3

Eiser erkent dat hij zijn vakantie in Senegal van 9 maart tot en met 16 maart 2016 niet als verlof in TIM heeft geregistreerd, maar als werkdagen van 9 uur. Door deze dagen vervolgens uit te willen laten betalen als gewerkte uren heeft eiser getracht verweerder financieel te benadelen. Ook deze gedraging is als plichtsverzuim aan te merken.

4.4

Eiser betwist niet dat hij (naar de strikte letter) het verzuimprotocol niet heeft nageleefd. Over het verwijt aan eiser dat hij tegen de afspraak in op 9 januari 2017 geen contact heeft opgenomen met zijn leidinggevende voert eiser aan dat hij op vrijdag 6 januari 2017 met zijn leidinggevende heeft afgesproken dat als hij op maandag 9 januari 2017 nog ziek zou zijn, hij niet naar de bedrijfsarts hoefde te gaan en dat dan een nieuwe afspraak gemaakt zou worden. Deze stelling vindt echter geen steun in de stukken. Er is met eiser afgesproken dat hij maandagochtend 9 januari 2017 zou bellen met zijn leidinggevende om te bezien of hij die dag de bedrijfsarts kon bezoeken. Eiser heeft in de ochtend niet gebeld en pas om 13.30 uur contact opgenomen met zijn leidinggevende.

Tevens heeft eiser op 23 maart 2017 per e-mail contact opgenomen over zijn afwezigheid vanwege ziekte, terwijl niet in geschil is dat hij dit volgens het verzuimprotocol telefonisch had moeten doen. Eiser stelt dat hij die dag tevergeefs heeft geprobeerd zijn leidinggevende en daarna de heer [C] te bellen. Dit onderbouwt eiser evenwel niet met bijvoorbeeld een overzicht van zijn belgeschiedenis. Eiser maakt hier ook geen melding van in zijn e‑mail van 23 maart 2017.

Wat betreft de overige verwijten wijst eiser erop dat hij op zijn privételefoon bereikbaar was. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat uit hoofdstuk 5 van het verzuimprotocol niet volgt dat een werknemer bereikbaar moet zijn op zijn werktelefoon, zoals ook ter zitting door verweerder is bevestigd. De stelling ter zitting van verweerder dat eiser zelf heeft verklaard op zijn werktelefoon bereikbaar te zijn, is niet opgenomen in het primaire besluit en kan niet pas ter zitting alsnog worden ingebracht. Nu verweerder eiser niet op zijn privételefoon heeft gebeld, kan eiser niet verweten worden dat hij op 10 januari 2017, 24 maart 2017 en in de periode van 31 maart tot en met 6 april 2017 niet bereikbaar was op zijn werktelefoon.

De rechtbank concludeert dat verweerder zich, met uitzondering van het niet bereikbaar zijn op de in de vorige zin genoemde data, terecht op het standpunt stelt dat eiser zich niet heeft gehouden aan het verzuimprotocol. Dit levert plichtsverzuim op.

4.5

Voor de ongeoorloofde afwezigheid van eiser van 6 tot en met 9 februari 2017 geldt het volgende.

Eiser bestrijdt niet dat hij geen toestemming heeft gekregen om deze dagen verlof op te nemen. Hiermee handelt eiser in strijd met zijn verbeterplan van 26 januari 2017, waarin is afgesproken dat verlof eerst wordt aangevraagd in TIM en dat pas na akkoord deze dagen kunnen worden opgenomen. Eiser handelt hiermee ook in strijd met artikel 44, vierde lid, van het Ambtenarenreglement. Daarin staat dat een verzoek om vakantieverlof kan worden gedaan en dat dit na afweging van de belangen kan worden verleend. Het betoog van eiser dat hij op 2 februari 2017 in een gesprek met zijn leidinggevende heeft gezegd dat hij vanwege zijn gesteldheid verlof op wilde nemen en dat hij via twee verschillende e-mails op 3 februari 2017 om verlof heeft verzocht, maakt dit niet anders. Vaststaat immers dat aan eiser geen verlof is toegekend. Door niet op zijn werk te verschijnen is eiser ongeoorloofd afwezig geweest, wat plichtsverzuim oplevert.

4.6

Wat betreft het leugenachtig verklaren geldt het volgende.

Verweerder verwijt eiser ten eerste dat hij leugenachtig heeft verklaard over de reactie van de bedrijfsarts op 12 januari 2017 en dat eiser in strijd met de waarheid stelt dat hij in de middag van 12 januari 2017 een fysiotherapeut/chiropractor heeft bezocht. Eiser stelt dat de bedrijfsarts hem vanaf 13 januari 2017 beter heeft verklaard. Dit is echter in tegenspraak met het oordeel van de bedrijfsarts in de consultrapportage van 12 januari 2017. Daarin staat dat de bedrijfsarts eiser vanaf het moment van zien (in de ochtend van 12 januari 2017) niet meer arbeidsongeschikt acht op grond van ziekte of gebrek. Evenmin is gebleken dat eiser in de middag een afspraak had bij de heer Hua, een chiropractor/acupuncturist. De bedrijfsarts heeft, na navraag bij Hua, verklaard dat er die dag geen behandeling voor eiser gepland stond en eiser heeft geen verklaring van Hua overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Eiser heeft wel een factuur in geding gebracht, maar hierop staat enkel 12-1-2017 als factuurdatum. Dit betekent niet dat op die dag ook een behandeling heeft plaatsgevonden.

Verweerder verwijt eiser verder dat hij leugenachtig heeft verklaard over het werken aan straatafsluitingen in de week van 20 tot en met 24 februari 2017. Eiser heeft verklaard hier vijf uur aan te hebben besteed, terwijl niet is gebleken dat eiser heeft ingelogd in MOI, het systeem voor straatafsluitingen. Uit de stukken blijkt dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over de reden waarom de werkzaamheden niet in het systeem voor straatafsluitingen zijn opgenomen. In beroep stelt eiser voor het eerst dat er een storing was aan het MOI-systeem, waardoor hij niet aan de straatafsluitingen kon werken. Op zitting heeft hij daaraan nog toegevoegd dat hij weliswaar niet heeft gewerkt aan straatsluitingen in het systeem MOI, maar dat het ging om straatafsluitingen die verder zonder gevolgen zijn en dus niet hoeven te worden geregistreerd in MOI. Nu dit eerst ter zitting aan de orde is gesteld en hiervoor enig bewijs ontbreekt, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Wat er verder ook zij van de stelling dat er sprake was van een storing in het systeem, het verwijt is dat eiser tijdens een gesprek op 27 februari 2017 leugenachtig heeft verklaard dat hij in de week van 20 tot en met 24 februari 2017 vijf uur heeft gewerkt aan straatafsluitingen. Dit verwijt is correct. Eiser heeft verklaard vijf uur aan straatafsluitingen te hebben gewerkt, terwijl niet blijkt dat dit het geval is geweest.

Verweerder stelt zich dus terecht op het standpunt dat eiser leugenachtig heeft verklaard. Dit levert plichtsverzuim op.

4.7

Eiser ontkent niet dat hij op de hoorzitting van 18 april 2017 een woede-uitbarsting heeft gehad, maar stelt dat hij handelde uit wanhoop en emotie. Dit betoog richt zich op de toerekenbaarheid van deze gedraging. De rechtbank zal hierop ingaan onder rechtsoverweging 7. Vaststaat dat eiser tijdens de hoorzitting op 18 april 2017 tijdens het bespreken van de gang van zaken op 9 januari 2017 is gaan schreeuwen. Eiser was niet te kalmeren en heeft in reactie op vragen om opheldering onder meer gezegd “je krijgt ook geen duidelijkheid met je leugens en tyfus dingen”, waarbij hij een beker water naar zijn leidinggevende heeft gegooid. Ook nadat zijn leidinggevende de kamer had verlaten, was eiser niet tot bedaren te brengen. De hoorzitting is om die reden afgebroken.

Deze gedraging is als plichtsverzuim aan te merken.

4.8

Eiser voert aan dat zijn beoordeling over 2013 niet is afgehandeld, dat het functioneringsgesprek over 2014 niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat er door de bedrijfsarts, het UWV, de huisarts en de maatschappelijk werker is geadviseerd een mediationtraject te starten, maar dat verweerder dit advies niet heeft gevolgd. De keuze van verweerder om niet mee te werken aan een mediationtraject maakt het bestreden besluit niet onzorgvuldig. Deze beroepsgrond ziet niet op het bestreden besluit zelf en kan daaraan dan ook niet afdoen.

5. Bij brief van 7 november 2018 heeft eiser de rechtbank verzocht vier getuigen op te roepen. De rechtbank ziet hier geen aanleiding toe. [B] heeft in bezwaar reeds verklaard dat zij zich niet kan herinneren of eiser bij de workshop op 29 juni 2016 aanwezig was. Daarbij komt dat dit verwijt in het totaal van alle aantijgingen van ondergeschikt belang is. De andere drie getuigen zouden volgens eiser kunnen bevestigen dat er in de week van 20 tot en met 24 februari 2017 grote ICT-problemen waren, waardoor eiser niet aan de straatafsluitingen kon werken. Verweerder ontkent dat er in die week ICT-problemen waren. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet heeft gewerkt aan straatsluitingen in het systeem MOI, maar dat het ging om straatafsluitingen die niet in dit systeem hoeven te worden geregistreerd. De rechtbank ziet niet in dat deze getuigen hierover zouden kunnen verklaren.

6. Gezien de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.8 heeft verweerder, met uitzondering van het verwijt dat eiser het verzuimprotocol heeft geschonden door op 10 januari 2017, 24 maart 2017 en in de periode van 31 maart tot en met 6 april 2017 niet bereikbaar te zijn, terecht gesteld dat eiser zich aan de verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt en dat dit plichtsverzuim oplevert.

7. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het plichtsverzuim eiser niet kan worden toegerekend. Het betoog van eiser dat zijn woede-uitbarsting van 18 april 2017 hem niet is toe te rekenen vanwege de situatie waarin hij zat en als een wanhoopsdaad moet worden gezien, volgt de rechtbank niet. Hoewel tot op zekere hoogte begrijpelijk is dat eiser emotioneel werd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn gemoedstoestand zodanig was of kan zijn geweest dat hem de uitbarsting niet kan worden toegerekend.

Verweerder was dan ook bevoegd eiser disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim.

8. Eiser voert aan dat de opgelegde sanctie niet in verhouding staat tot het gepleegde plichtsverzuim. Dit betoog slaagt niet.

Hoewel niet alle verweten gedragingen ernstig plichtsverzuim opleveren, leidt het geheel van gedragingen hier wel toe. Met name het onjuist declareren en het daardoor financieel benadelen van verweerder, het onjuist of onvolledig verklaren over zaken en de woede-uitbarsting tijdens de hoorzitting op 18 april 2017 acht de rechtbank ernstig. Eiser was ook een gewaarschuwd man. Hij is in het verleden meermalen op zijn declaratiegedrag en agressie aangesproken en er liep een verbetertraject. Dat het volgens eiser bij verweerder al lang rommelt, dat eiser sinds 2013 extra in de gaten wordt gehouden en dat verweerder eiser weg wilde werken, wordt door verweerder ontkend. Maar zelfs indien dit (ten dele) zo zou zijn, is dit geen rechtvaardiging voor het gedrag van eiser. Verweerder was evenmin gehouden een mediationtraject te starten. De rechtbank begrijpt dat de instructies en verscherpte controle voor eiser onplezierig waren, maar ook dit is geen rechtvaardiging voor het plichtsverzuim. Eiser moet hierbij niet uit het oog verliezen dat verweerder hiertoe aanleiding had vanwege eisers gedrag.

Al met al is het plichtsverzuim dermate ernstig dat disciplinair ontslag als reactie hierop naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig is. Hierbij heeft verweerder het belang van de organisatie in deze situatie niet ten onrechte zwaarder laten wegen dan het belang van eiser.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. M. Munsterman en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 25 januari 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.