Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:5111

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-06-2019
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2725
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om voorlopige voorziening, woningsluiting artikel 13b Opiumwet, voorbereidingshandelingen, gemeente Vlaardingen, nog geen beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2725

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juni 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. N. Claassen,

en

de burgemeester van de gemeente Lansingerland, verweerder,

gemachtigde: mr. L. Tuhuteru.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam bedrijf] , te [plaats 1] .

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet in de vorm van sluiting van de woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning), voor een periode van drie maanden vanaf 29 mei 2019. Het besluit is ook aan verzoekster uitgereikt.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam persoon] . De derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat bij een doorzoeking op 16 april 2019 in de woning de volgende zaken zijn aangetroffen:

- 8 armaturen;

- 22 assimilatielampen;

- 1 schakelbord;

- 1 transformator;

- 2 luchtafzuigers;

- 1 slakkenhuis;

- 1 water/dompelpomp;

- 6 groeimiddelen;

- 2 hygrometers;

- 1 weegschaal.

Ook heeft de politie een gasmasker en een niet van echt te onderscheiden nepvuurwapen (type Kalasjnikov AK47) in de woning aangetroffen. Bij de besluitvorming heeft verweerder betrokken dat panden van waaruit strafbare voorbereidingshandelingen worden verricht vaak overlast met zich meebrengen. Dit geldt volgens verweerder ook voor (de bewoners van) deze woning. Zo hebben tijdens de bewonersavond op het politiebureau op 12 april 2019 diverse buurtbewoners melding gemaakt van aanloop naar de woning in de nachtelijke uren en de aanwezigheid van (chemische) tonnen. De aanwezigheid van de aangetroffen goederen en daarmee gepaard gaande het redelijke vermoeden dat deze goederen bestemd zijn voor de vervaardiging van verdovende middelen als bedoeld in de Opiumwet vormen volgens verweerder een ernstige inbreuk op de leefbaarheid van de wijk en hebben een negatieve invloed op de veiligheid en de veiligheidsgevoelens van bewoners. De woning is volgens verweerder door het aanwezig hebben van de aangetroffen goederen een schakel in de keten van het vervaardigen en al dan niet in omloop brengen van verdovende middelen. Volgens verweerder rechtvaardigt dit op grond van de handhavingsmatrix uit het Damoclesbeleid een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

3. Verzoekster, die huurder is van de woning, stelt dat verweerder weliswaar in beginsel bevoegd is tot sluiting van de woning over te gaan, maar dat verweerder in dit geval daarvan had moeten afzien.

3.1.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, zoals deze bepaling luidt met ingang van 1 januari 2019, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 of artikel 11a voorhanden is.

Op grond van artikel 11a van de Opiumwet wordt hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

3.2.

Per 1 januari 2019 is artikel 13b van de Opiumwet gewijzigd en is de bevoegdheid van de burgemeester verruimd in die zin dat ook een last onder bestuursdwang kan worden opgelegd als sprake is van voorbereidingshandelingen (het voorhanden hebben van stoffen of voorwerpen om onder meer drugs te fabriceren of te telen). Bij de uitoefening van deze bevoegdheid beschikt verweerder over beleidsruimte. In dit geval heeft verweerder van deze nieuwe bevoegdheid gebruik gemaakt en daarbij het Damoclesbeleid gemeente Lansingerland (het beleid) toegepast. Dit beleid is sinds de wijziging van artikel 13b van de Opiumwet per 1 januari 2019 nog niet aangepast. Verweerder heeft toegelicht dat hij werkt aan een nieuw beleid dat ook aansluit bij het doen van voorbereidingshandelingen en dat hij, zolang dit beleid er nog niet is, in het geval van voorbereidingshandelingen die zien op de productie van softdrugs voor wat betreft de duur van de sluiting aansluit bij de situatie, die wel in het beleid is omschreven, dat sprake is van het aantreffen van softdrugs in de woning. Volgens het beleid volgt bij de eerste constatering een sluiting voor drie maanden. Verweerder heeft ook toegelicht dat er gelet op de omstandigheden van het geval niet kon worden volstaan met een waarschuwing. Daarbij heeft verweerder ook betrokken dat de attributen die zijn aangetroffen, gebruikt kunnen worden voor het opzetten van een flinke hennepkwekerij.

3.3.

Uit het voorgaande leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder nog geen gepubliceerd beleid heeft in het geval er sprake is van voorbereidingshandelingen. Het ontbreken van beleid op dit punt doet niet af aan de bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet omdat het artikel niet tot vaststelling van beleidsregels verplicht. Verweerder dient bij de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel te eerbiedigen en, nu beleidsregels hierover ontbreken, deugdelijk te motiveren waarom hij in dit geval tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft besloten. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2013 (ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5942).

3.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder aan deze motiveringsplicht voldaan. Het bestreden besluit en de door verweerder ter zitting gegeven toelichting maakt voldoende duidelijk waarom verweerder voor wat betreft de duur van de sluiting, in het geval er sprake is van voorbereidingshandelingen die betrekking hebben op softdrugs, aansluit bij de situatie dat er daadwerkelijk softdrugs in de woning zijn aangetroffen. Weliswaar geeft het beleid op dit moment nog geen duidelijkheid over in welke gevallen, indien sprake is van voorbereidingshandelingen, met een waarschuwing zal worden volstaan, maar ook op dit punt heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er gelet op de omstandigheden van het geval en de omstandigheid dat de attributen die zijn aangetroffen gebruikt kunnen worden voor het opzetten van een flinke hennepkwekerij niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Gelet op de in de woning aangetroffen attributen mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat de woning een schakel vormt in het vervaardigen en al dan niet in omloop brengen van verdovende middelen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid sluiting van de woning voor de duur van drie maanden noodzakelijk kunnen achten om de openbare orde te herstellen en heeft niet hoeven volstaan met een waarschuwing of een andere minder ingrijpende maatregel. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verweerder ook heeft meegewogen dat in de woning, naast de zaken die kunnen worden gebruikt voor het opzetten van een hennepkwekerij een niet van echt te onderscheiden nepvuurwapen van het type Kalasjnikov AK47 en een gasmasker zijn aangetroffen en dat er ook door buurtbewoners overlast (aanloop in de nachtelijke uren en het ruiken van een chemische lucht) wordt ervaren ten aanzien van de woning, zoals is gebleken tijdens een door de politie georganiseerde bewonersavond over de woning van verzoekster voorafgaand aan de doorzoeking van de woning.

3.5.

Gelet op het voorgaande hoefde verweerder bij zijn belangenafweging geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat verzoekster ten tijde van de doorzoeking van de woning op vakantie was. Verzoekster is als huurster van de woning namelijk verantwoordelijk voor hetgeen zich afspeelt in de woning. Het lag dan ook op haar weg om afdoende maatregelen te treffen om gebeurtenissen, zoals hier aan de orde, te voorkomen. Dat zij dit voldoende heeft gedaan door haar oudste zoon gedurende haar vakantie te verbieden in haar woning te komen, volgt de voorzieningenrechter niet, nu dit verbod door de zoon niet is nageleefd. Dat de zoon is aangehouden en vervolgd wordt voor het opzetten van een hennepkwekerij maakt het voorgaande niet anders.

3.6.

Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over de zorgvuldigheid van de bestuurlijke rapportage, laat de voorzieningenrechter hier verder onbesproken. Verzoekster heeft immers niet bestreden dat de in het besluit genoemde attributen in haar woning zijn aangetroffen en dat deze kunnen worden gebruikt bij het opzetten van een hennepkwekerij. Dat er geen operationele kwekerij is aangetroffen en dat het volgens verzoekster alleen ging om opslag, maakt evenmin dat de belangenafweging in het voordeel van verzoekster had moeten uitvallen. Het is niet aangetoond dat er alleen sprake was van opslag van de betreffende attributen. Dat verzoekster slechts voor vier weken op vakantie was, is daarvoor onvoldoende. Dat geen operationele hennepkwekerij is aangetroffen, betekent bovendien niet dat verweerder in redelijkheid met een waarschuwing had moeten volstaan.

3.7.

Dat het doen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet niet ernstig is, omdat dit pas vanaf 1 maart 2015 strafbaar is, doet ook niets af aan de verwijtbaarheid die in het kader van de belangenafweging bij de beoordeling wordt betrokken. Dit heeft immers niets met elkaar te maken en bovendien is artikel 13b van de Opiumwet per 1 januari 2019 juist gewijzigd om daaronder ook voorbereidingshandelingen te laten vallen. Dat verzoekster als gevolg van het bestreden besluit op straat zal belanden, heeft verzoekster niet aangetoond. Ter zitting heeft verzoekster hierover gesteld dat zij steeds ergens logeert samen met haar jongste zoon. De voorzieningenrechter wil wel aannemen dat verzoekster in een moeilijke situatie zit en dat haar twee zoons (medische) problemen hebben. Dat maakt echter niet dat verweerder niet tot sluiting van de woning kon overgaan. Daartoe is ook van belang dat verzoekster niet heeft aangetoond dat haar situatie of die van haar jongste zoon zodanig is dat zij gebonden zijn aan de woning.

4. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Hielkema, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 juni 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.