Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4908

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-06-2019
Datum publicatie
27-06-2019
Zaaknummer
7510763 CV EXPL 19-892
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Is sprake van huur wanneer partijen een gebruiksrecht zijn overeengekomen voor 100 parkeerplaatsen binnen een parkeergarage maar partijen daarbij geen spcifieke parkeerplaatsen hebben aangewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7510763 CV EXPL 19-892

uitspraak: 6 juni 2019

vonnis in het incident van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Dordrecht,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. A.C.M. Geerts,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

gemachtigden: mr. M.H. Visscher en mr. D. Hoff.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Gemeente Dordrecht’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 18 januari 2019;

  2. de incidentele conclusie tot onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie;

  3. de conclusie van antwoord in incident, tevens houdende akte vermindering van eis;

  4. de door partijen overgelegde producties.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

Gemeente Dordrecht vordert in de hoofdzaak – kort samengevat – nakoming van de uit een met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Aan die vordering legt zij ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst bestaat op grond waarvan [gedaagde] van Gemeente Dordrecht 100 parkeerplaatsen mag gebruiken tegen betaling van een redelijke prijs. Deze overeenkomst moet volgens Gemeente Dordrecht worden aangemerkt als huur in de zin van artikel 7:201 BW.

2.2

[gedaagde] vordert bij incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van de door Gemeente Dordrecht ingestelde vorderingen kennis te nemen en de zaak verwijst naar de civiele kamer van de Rechtbank Rotterdam. [gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat de overeenkomst die Gemeente Dordrecht met [gedaagde] stelt te hebben geen huurovereenkomst is als bedoeld in artikel 7:201 BW. Volgens [gedaagde] is bevoegd de civiele kamer van de Rechtbank Midden‑Nederland, maar zij heeft geen bezwaar tegen verwijzing naar de civiele kamer van de Rechtbank Rotterdam.

3 De beoordeling

3.1

Het is niet geheel duidelijk of [gedaagde] aan haar incidentele vordering ook ten grondslag heeft bedoeld te leggen dat tussen haar en Gemeente Dordrecht in het geheel geen overeenkomst bestaat. De bevoegde rechter zal, indien hij [gedaagde] daarin volgt, de vordering moeten afwijzen. Voor het antwoord op de vrag welke rechter bevoegd is de zaak te beoordelen, zal moeten worden uitgegaan van de overeenkomst zoals door Gemeente Dordrecht gesteld.

3.2

Beoordeeld dient te worden of de overeenkomst zoals door Gemeente Dordrecht gesteld heeft te gelden als huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 BW. Op grond van dat artikel is huur de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.

3.3

De door Gemeente Dordrecht gestelde overeenkomst houdt in dat zij 100 parkeerplaatsen in parkeergarage Spuihaven in gebruik geeft aan [gedaagde] tegen betaling door [gedaagde] van een redelijke prijs. Het betreft een gebruiksrecht op willekeurige parkeerplaatsen; er zijn in de parkeergarage geen specifieke parkeerplaatsen aangewezen.

3.4

Volgens [gedaagde] is geen sprake van een huurovereenkomst nu in dit geval geen specifieke parkeerplaatsen zijn aangewezen, maar er slechts een gebruiksrecht bestaat op 100 willekeurige plaatsen. Voor haar standpunt wordt in de literatuur steun gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 1964, NJ 1964, 215. Anders dan wel wordt aangenomen heeft de Hoge Raad in dat arrest niet geoordeeld dat het gebruiksrecht met betrekking tot een ‘niet vaste plaats’ in een parkeergarage onvoldoende bepaalbaar is en om die reden niet als huur kan worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft ‘slechts’ geoordeeld dat in die zaak het gebruiksrecht op een garagebox met het doel daar een auto te stallen viel onder het bereik van huur en niet van bewaargeving omdat de feitelijke macht over de auto niet werd overgedragen. Die vraag is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Voor zover in de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest gelezen zou kunnen worden dat naar diens oordeel bij een gebruiksrecht zoals hier aan de orde geen sprake is van huur, maakt dat nog niet dat die opvatting als geldend recht moet worden beschouwd.

3.5

Van huur is niet slechts sprake wanneer bij het aangaan van de overeenkomst een specifieke zaak wordt aangewezen die in gebruik wordt gegeven. Wanneer die eis wel gesteld zou worden, zou dat immers tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld het reserveren van een hotelkamer, waarbij men in de regel niet een specifieke kamer huurt maar een kamer uit een bepaalde categorie, niet onder het bereik van huur zou vallen. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat de wetgever een dergelijke beperking zou hebben beoogd. Evenmin lijdt het twijfel dat het gebruiksrecht bij een huurovereenkomst kan zijn beperkt, bijvoorbeeld tot een gedeelte van een zaak. Zo kan het recht op gebruik van een muur voor reclamedoeleinden vallen onder het bereik van huur (zie MvT TK 26 089, nr. 3, p. 10). Bij het recht op gebruik van een niet specifiek aangewezen en dus in de praktijk wisselend gedeelte van een zaak, zoals hier aan de orde, komen deze beide elementen tot uitdrukking.

3.6

Ook uit de door de wetgever opgenomen regels die gelden voor huurovereenkomsten blijkt niet dat hij het gebruiksrecht op een niet specifiek gedeelte van een zaak heeft willen uitsluiten. Integendeel, op grond van artikel 7:203 BW is de verhuurder verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is. Op grond van artikel 7:204 BW is sprake van een gebrek wanneer de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat de huurder bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. De omvang van het gebruiksrecht op de verhuurde zaak kan immers zonder problemen worden bepaald. Uitgaande van de juistheid van de stellingen van Gemeente Dordrecht, heeft [gedaagde] te allen tijde recht op het gebruik van 100 parkeerplaatsen in de parkeergarage aan de Spuihaven, maar zij heeft niet het recht op het gebruik van specifieke parkeerplaatsen. In de praktijk betekent dit dat Gemeente Dordrecht ervoor dient zorg te dragen dat er te allen tijde voor [gedaagde] 100 deugdelijke parkeerplaatsen in de garage beschikbaar zijn.

3.7

De aard van de rechtsverhouding waarbij een gebruiksrecht bestaat op een aantal specifiek aangewezen parkeerplaatsen verschilt, het voorgaande in ogenschouw genomen, niet wezenlijk van de rechtsverhouding waarbij een gebruiksrecht bestaat op 100 willekeurige parkeerplaatsen in een bepaalde garage. Daarbij komt dat aangenomen moet worden dat de keuze om al dan niet een aantal specifieke parkeerplaatsen aan te wijzen, in de regel gebaseerd zal zijn op praktische overwegingen. Nu ook uit de wetsgeschiedenis niet anders kan worden afgeleid, moet ook de overeenkomst zoals hier aan de orde daarom worden aangemerkt als huur. De incidentele vordering van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen en de zaak zal worden verwezen naar de rolzitting van donderdag 20 juni 2019 zodat partijen verhinderdata kunnen opgeven voor de komende vier maanden. Daarna zal een comparitie van partijen worden bepaald.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de incidentele vordering van [gedaagde] af;

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 20 juni 2019 om 10.00 uur voor het opgeven van verhinderdata door beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

371