Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4899

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
KTN-7483882_14022019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeid; kort geding; teruggave van bedrijfseigendommen na einde dienstverband; overname leasecontract auto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0661
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 7483882 \ VV EXPL 19-2

uitspraak: 14 februari 2019

vonnis in kort geding ex art 254 lid 5 Rv van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TENICT INTRASTRUCTURE MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Leusden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. P.P. Bergers,

tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. J. Adank.

Partijen worden hierna aangeduid als “TenICT” en “ [gedaagde] ”.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 24 januari 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;

  • -

    de op 28 en 29 januari 2019 door TenICT nagezonden producties;

  • -

    de pleitnotities van TenICT;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2019. Namens TenICT zijn de heer [naam 1] directeur, en mevrouw [naam 2] , operationeel manager, verschenen, vergezeld van de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen in het bijzijn van zijn gemachtigde.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

  1. [gedaagde] is tot 1 november 2018 in dienst geweest bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en heeft in opdracht van [bedrijf 1] op basis van detachering vanaf 8 augustus 2018 werkzaamheden verricht voor Nationale Nederlanden in Den Haag.

  2. [gedaagde] is op 28 juni 2018 benaderd door [bedrijf 2] voor een vacature bij TenICT. Na een gesprek met [gedaagde] heeft [bedrijf 2] geen verdere actie meer ondernomen.

  3. [gedaagde] is in contact getreden met een oud collega, [naam 3] (hierna: [naam 3] ) die in dienst is bij TenICT, die op zijn beurt een interne collega van HR heeft ingeschakeld.

  4. [gedaagde] is met ingang van 1 november 2018 in dienst getreden bij TenICT op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee maanden.

  5. In het kader van de arbeidsovereenkomst is door TenICT aan [gedaagde] een BMW met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) en een laptop van het merk Dell met serienummer [serienummer] (hierna: de laptop) ter beschikking gesteld.

  6. Ten aanzien van de auto zijn partijen op 24 oktober 2018 het volgende overeengekomen:
    Meeneemverklaring
    1. Werknemer verklaart zich bereid om bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de leaseovereenkomst over te nemen van werkgever. Deze overdracht zal plaatsvinden op de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2. Indien de werknemer besluit om de leaseovereenkomst niet over te nemen zal de werknemer een vergoeding betalen om de Werkgever schadeloos te stellen voor voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst.
3. Deze vergoeding is gelijk aan de vergoeding die werkgever is verschuldigd aan de leasemaatschappij.

4.
Indien de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt op initiatief van de werkgever is de werknemer niet gehouden tot nakoming van hetgeen bepaald is onder 1 en 2.
5. Indien werknemer een vergoeding is verschuldigd op basis van artikel 3. heeft werkgever het recht om deze vergoeding te verrekenen met de laatste salarisbetaling aan werknemer.”

7. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door TenICT per brief van 21 december 2018 opgezegd tegen 31 augustus – de kantonrechter begrijpt dat is bedoeld 31 december – 2018. In deze brief is [gedaagde] opgedragen de auto en de laptop per dezelfde datum in te leveren maar dat, nu hij heeft aangegeven na te willen denken over de opties om de auto over te nemen/door te leasen, hij de mogelijkheden op die dag met mevrouw [naam 4] kan afstemmen.

3 De vordering, de grondslag en het verweer in conventie

3.1

TenICT heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
de navolgende voorlopige voorzieningen te treffen:

primair:

  1. [gedaagde] te verbieden, om de auto en laptop van TenICT nog langer onder zich te houden dan hij nu al doet en uiterlijk binnen drie werkdagen na betekening van het vonnis aan [gedaagde] , de auto (voorzien van alle bijbehorende bescheiden) en laptop bij TenICT op haar kantoor in Leusden in schone en onbeschadigde staat in te leveren. Een en ander op straffe van verbeurte van het in de arbeidsovereenkomst onder artikel 13.1 gespecificeerde bedrag, in de vorm van een onmiddellijke opeisbare dwangsom van € 500,- (of een door de voorzieningenrechter te bepalen ander bedrag) per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

  2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan TenICT van een voorschot van € 2.500,- (of een door de voorzieningenrechter te bepalen ander bedrag) op het boetebedrag van € 5.000,- dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst onder artikel 13.1;

  3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan TenICT van een bedrag van € 1.000,- (of een door de voorzieningenrechter te bepalen ander bedrag) als voorschot op de inmiddels reeds per e-mail en/of op basis van de bruikleenovereenkomst en arbeidsovereenkomst aangezegde en verbeurde dwangsommen, te rekenen vanaf 12 januari 2019 tot aan de dag dat [gedaagde] alsnog de auto en laptop inlevert;

subsidiair:

die voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren en die recht doen aan de (gijzelings)situatie waarin TenICT zich bevindt in relatie tot de auto en de laptop;


zowel primair als subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan TenICT van een bedrag van € 1.632,- aan buitengerechtelijke kosten;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan TenICT van de kosten van deze procedure;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan TenICT van de nakosten ten bedrage van respectievelijk € 131,- zonder betekening en € 199,- in geval van betekening, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen de wettelijke vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een door de kantonrechter redelijk geachte termijn, na betekening aan het ten deze te wijzen vonnis heeft voldaan en te vermeerderen met € 258,- in geval na betekening tot executoriale beslaglegging (zonder gerechtelijke maatregelen) zal worden overgegaan.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft TenICT aan haar eis het volgende ten grondslag gelegd. De arbeidsovereenkomst met [gedaagde] is beëindigd op 31 december 2018. Nu de auto en de laptop op grond van deze arbeidsovereenkomst aan hem ter beschikking zijn gesteld, is [gedaagde] op grond van artikel 10 van deze overeenkomst gehouden deze zaken bij TenICT in te leveren. Nu hij in gebreke is gebleven met het tijdig inleveren van deze zaken is hij tevens de in artikel 13.1 van de arbeidsovereenkomst genoemde dwangsommen verschuldigd.

3.3

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

4 De vordering, de grondslag en het verweer in reconventie

4.1

[eiser] heeft gevorderd, indien de kantonrechter van mening is dat de vordering van TenICT niet dient te worden afgewezen, het ontslag te vernietigen en TenICT te veroordelen tot wedertewerkstelling met doorbetaling van (achterstallig) loon. Voor zover wordt geoordeeld dat een vernietiging van het ontslag in deze procedure niet mogelijk is, verzoekt [eiser] de vordering van TenICT af te wijzen zodat de te starten verzoekschriftprocedure kan worden afgewacht.

4.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan zijn eis het volgende ten grondslag gelegd. Het gegeven ontslag is niet rechtsgeldig. Het proeftijdbeding is nietig, nu sprake is van kennis van het functioneren van [eiser] bij Nationale Nederlanden en/of van opvolgende werkgeverschap.

4.3

TenICT heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen zij in dit kader heeft aangevoerd zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

5 De beoordeling van het geschil

De beoordeling in conventie

5.1

Genoegzaam is gebleken dat TenICT een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening. Zij is in zoverre dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

5.2

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van TenICT in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van de voorzieningen zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3

Vaststaat dat TenICT de arbeidsovereenkomst binnen de overeengekomen proeftijd heeft ontbonden per 31 december 2018. Nu [gedaagde] van oordeel is dat sprake is van een niet-rechtsgeldig proeftijdbeding en daarmee van een niet-rechtsgeldige beëindiging, is het aan hem om de opzegging in rechte te laten vernietigen op grond van artikel 7:681 BW. Het ontslag blijft echter van kracht tot het moment waarop de eventuele vernietiging wordt uitgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat het verzoek tot vernietiging nog niet is ingediend. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van de thans bestaande situatie, waarin de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 31 december 2018. Dit zou anders kunnen zijn indien duidelijk zou zijn dat de opzegging met grote mate van waarschijnlijkheid zal worden vernietigd, maar dat is op basis van de thans voorliggende feiten en omstandigheden niet gebleken.

5.4

Nu de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018 is geëindigd is [gedaagde] op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst in beginsel gehouden om de auto (voorzien van alle bijbehorende bescheiden) bij TenICT in te leveren. [gedaagde] heeft echter de door hem en de heer Koning ondertekende Meeneemverklaring overgelegd waarin onder punt 1 staat dat [gedaagde] zich bereid verklaart om bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de leaseovereenkomst van TenICT over te nemen op de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Onder punt 4 is weliswaar overeengekomen dat – indien de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt op initiatief van TenICT – [gedaagde] niet gehouden is tot overname van de leaseovereenkomst, maar [gedaagde] heeft steeds uit eigen beweging te kennen gegeven de leaseovereenkomst (desalniettemin) te willen overnemen. Daarnaast is deze mogelijkheid ook expliciet door TenICT benoemd in haar brief van 21 december 2018. De kantonrechter acht het in deze omstandigheden thans dan ook nog onvoldoende aannemelijk dat de vordering van TenICT in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. De vordering tot teruggave van de auto (voorzien van alle bijbehorende bescheiden) en de op basis daarvan gevorderde dwangsom zullen dan ook worden afgewezen. [gedaagde] zal er overigens wel rekening mee moeten houden dat indien het ontslag niet wordt vernietigd, hij met ingang van 1 januari 2019 aan TenICT een vergoeding verschuldigd ter grootte van de maandelijkse leaseprijs.

5.5

Met betrekking tot de laptop is [gedaagde] gelet op het einde van de arbeidsovereenkomst op grond van het daarin opgenomen artikel 10 eveneens gehouden om deze op de beëindigingsdatum bij TenICT in te leveren. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij een groot belang heeft om de laptop onder zich te houden aangezien hij van de ene op de andere dag is ontslagen, geen salaris meer ontvangt, wellicht niet via het UWV een uitkering zal ontvangen en vervolgens ook bij inlevering van de laptop niet meer over een vergelijkbare computer kan beschikken. Hiertegenover staat echter het gerechtvaardigd belang van TenICT om na het einde van het dienstverband met [gedaagde] weer over haar bedrijfseigendommen te beschikken. [gedaagde] heeft ook tijdens de mondelinge behandeling niet onderbouwd dat hij een zwaarwegend belang heeft om te kunnen blijven beschikken over deze specifieke laptop en/of de daarop aanwezige gegevens. Het niet kunnen beschikken over een vergelijkbare computer komt voor zijn rekening en risico. De vordering tot afgifte van de laptop binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zal dan ook worden toegewezen. De in dit kader gevorderde dwangsom in geval van niet-nakoming zal eveneens worden toegewezen tot een bedrag van € 250,- per dag tot een maximum van € 2.500,-.

5.6

Met betrekking tot geldvorderingen geldt een zwaardere drempel ten aanzien van het spoedeisend belang. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft TenICT onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar vordering ter zake de door haar gevorderde voorschotten op het boetebedrag ex artikel 13.1 en de aangezegde en vermeende verbeurde dwangsommen alsmede de gevorderde buitengerechtelijke kosten dermate spoedeisend zijn dat de uitkomst van een bodemprocedure in redelijkheid niet kan worden afgewacht. Dit deel van de vordering zal dan ook, bij gebrek aan voldoende spoedeisend belang, worden afgewezen.

5.7

Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de kosten van de procedure compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

De beoordeling in reconventie

5.8

Nu de vordering in conventie niet (geheel) wordt afgewezen, zal worden toegekomen aan behandeling van de vordering in reconventie.

5.9

De vordering van [eiser] de opzegging te vernietigen kan niet worden toegewezen, nu de onderhavige procedure zich naar haar aard niet leent voor het vaststellen van een rechtstoestand en [eiser] voor een vernietiging van de opzegging is aangewezen op de verzoekschriftprocedure ex artikel 7:681 BW.

5.10

Het verzoek van [eiser] om, indien een vernietiging van de opzegging in deze procedure niet mogelijk is, de vordering van TenICT (ten aanzien van de laptop) af te wijzen in afwachting van de te starten verzoekschriftprocedure zal eveneens worden afgewezen, nu het verzoek ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet was ingediend en TenICT een gerechtvaardigd en voldoende spoedeisend belang heeft bij de directe afgifte van de laptop.

5.11

De vordering van [eiser] tot wedertewerkstelling met doorbetaling van (achterstallig) loon zal, gelet op het feit dat thans moet worden uitgegaan van een einde van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018, eveneens worden afgewezen.

5.12

[eiser] wordt, als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. Gelet op de samenhang met de vordering in conventie worden deze kosten aan de zijde van TenICT begroot op nihil.

6 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,


in conventie:

veroordeelt [gedaagde] om de laptop van TenICT binnen drie werkdagen na betekening van het vonnis aan [gedaagde] de laptop bij TenICT op haar kantoor in Leusden in schone en onbeschadigde staat in te leveren, zulks op straffe van verbeurte van een onmiddellijke opeisbare dwangsom van € 250,- per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.500,-;

compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van TenICT vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

590