Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4859

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
C/10/568217 / HA RK 19-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure. Zwaar verkeersongeval (frontale botsing) met ernstig letsel tot gevolg. Bestaan van klachten. Causaal verband tussen ongeval en klachten. Causaal verband tussen klachten, beperkingen en schade in de vorm van verlies verdienvermogen nog niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0880
JA 2019/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rekestnummer: C/10/568217 / HA RK 19-193

Beschikking van 18 juni 2019

in de zaak van

[naam verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

advocaat mr. T. Takkenberg te Borne,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht ALLIANZ BENELUX N.V.,

mede handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd te Brussel, België,

mede kantoorhoudende te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen worden hierna [naam verzoekster] en Allianz genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de rechtbank kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, ontvangen op 18 februari 2019, met producties;

  • -

    het verweerschrift, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. [naam verzoekster] is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. Takkenberg, voornoemd. Namens Allianz zijn verschenen mr. Kragt, voornoemd, en mevrouw [naam vertegenwoordigster] , schadebehandelaar bij Allianz.

1.3.

De rechtbank heeft de uitspraak van deze beschikking nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[naam verzoekster] is op 20 oktober 2005 een (verkeers-)ongeval overkomen. Gezeten in haar personenauto is [naam verzoekster] op de N35 richting Nijverdal, tussen Raalte en Mariënheem, frontaal in botsing gekomen met een andere personenauto. [naam verzoekster] is bij deze aanrijding ernstig gewond geraakt. Het door [naam verzoekster] opgelopen letsel bestond (onder meer) uit (zakelijk en samengevat weergegeven) een fractuur van de ellepijp van de linkerelleboog, een afscheuring van een stuk bot van het scheenbeen aan de binnenzijde van de rechterknie, een lipverwonding, een hersenschudding, een ossale mallet van de linkerpink en een scheefstand van het bekken.

2.2.

Allianz heeft, als WAM-verzekeraar van de personenauto waarmee [naam verzoekster] frontaal in botsing is gekomen, aansprakelijkheid voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval erkend.

2.3.

Ten tijde van het ongeval werkte [naam verzoekster] in de functie van verpleegkundige Neonatologie voor 34 uur per week bij de [naam ziekenhuis] in [plaats] . Na het ongeval heeft zij haar werkzaamheden geleidelijk aan hervat en weer weten op te bouwen naar 20 uur per week. In april 2008 heeft [naam verzoekster] haar arbeidsuren terug moeten brengen naar 16 uur per week. Per 18 november 2010 heeft zij het werk volledig moeten staken. Het dienstverband met werkgever [naam ziekenhuis] is beëindig per 1 november 2012.

2.4.

[naam verzoekster] werd in juli 2008 door het UWV voor 35-80% arbeidsongeschikt geacht. Op grond van een herbeoordeling in 2011 wordt de arbeidsongeschiktheid van [naam verzoekster] vastgesteld op 80-100%.

2.5.

Om tot de afwikkeling van de schade te komen zijn partijen een expertisetraject gestart. Dit heeft geleid tot het op gezamenlijk verzoek benoemen van 4 deskundigen, die allen [naam verzoekster] hebben onderzocht. Deze onderzoeken zijn gedaan in de periode 2008 tot en met 2016. Voor de deskundigenrapportages is gebruik gemaakt van de zogenoemde IWMD-vraagstelling die wordt gebruikt bij het vaststellen van causaal verband tussen klachten en ongeval. De belangrijkste uitkomsten van deze onderzoeken worden hierna weergegeven.

2.5.1.

Op 30 mei 2008 is [naam verzoekster] onderzocht door orthopedisch chirurg dr. R.M. Kuipers (hierna: Kuipers). Het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport van 7 juli 2008 (productie 13 bij verzoekschrift) vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

Samenvatting en conclusie:

Betrokkene heeft bij een ernstig auto-ongeval op 20-10-2005 diverse kwetsuren opgelopen, waardoor zij met name psychologisch ontregeld is geraakt. Voor wat de orthopaedische aspecten betreft is er sprake geweest van diverse kneuzingen, een olecranonfractuur links, een mallot vinger van de pink links en een intra-articulaire gecompliceerde mediale condylfractuur rechts. Meteen na het ongeval is de kniefractuur operatief behandeld en in goede stand genezen. Er resteren klachten welke passen bij posttraumatische degeneratieve afwijkingen in de rechter knie en klachten over de beschadigde wekedelen aan de voorzijde van de knie. De olecranonfractuur links werd ook primair behandeld middels een osteosynthese met prima resultaat. Normale bewegingsexcursies van de elleboog. Er is enige hyper cq dysesthesie in het litteken waardoor zij verminderd goed op de elleboog kan leunen. Röntgenologisch geen tekenen van posttraumatische arthrose. Bij palpatie enige pijn in de wekedelen rondom de elleboog. Aan de linker pink restsituatie na Mallet finger. Voor wat de nu aangegeven klachten bij de regio van de sternoclaviculaire overgang links betreft; vind ik enige dubieuze zwelling ter plaatse en enige lokale drukpijn. Röntgenologisch worden hier geen duidelijk objectiveerbare afwijkingen gevonden.

Kuipers beantwoordt de aan hem gestelde vragen als volgt:

1. De situatie na het ongeval.

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen?

De anamnese staat in het geneeskundig rapport uitvoerig beschreven en is later samengevat in “huidige orthopaedische klachten” restsituatie na olecranonfractuur links met enige restklachten. Restsituatie na mallot vinger pink links, met enige restfunctie klachten en restsituatie na intra-articulaire mediale condylfractuur met enige chondromalacie en rest functieklachten welke passen bij posttraumatische afwijkingen c.q. posttraumatische preartrose.

b. Wilt u een actuele inventarisatie van de medische voorgeschiedenis van betrokkene op uw vakgebied vermelden?

Voor het huidige ongeval had betrokkene geen orthopaedische klachten. De huidige medische klachten staan beschreven evenals de aangegeven belemmeringen en beperkingen bij het onderzoek de objectiveerbare bevindingen. Het een en ander is later samengevat; zie “samenvatting en conclusie”.

(…)

e. Wat is de diagnose op uw vakgebied? (…)

Status na olecranonfractuur links. In goede stand geconsolideerd. Zonder aanwezig voor posttraumatische degeneratieve afwijkingen in het elleboogsgewricht lichte extensie beperking en enige pijnaangifte in de wekedelen rondom de elleboog. Rechter knie; status na operatief behandelde mediale condylfractuur, welke in goede stand is geconsolideerd. Volgens de verkregen informatie is er sprake van een traumatische chondromalacie. Op het huidige belaste röntgenonderzoek worden geen evidente degeneratieve afwijkingen gezien. Uiteraard licht [rechtbank: ligt] het in de lijn van verwachting dat bij een dergelijk ernstig letsel op termijn vroegtijdig degeneratieve afwijkingen ontstaan. Mallet finger linker pink welke met enige restdeformiteit en functiestoornis is genezen.

f. Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?

Betrokkene heeft een scala van klachten welke ik orthopaedisch niet goed kan objectiveren. Met onder andere klachten links bij de sternoclaviculaire overgang zonder dat hier evidente objectiveerbare afwijkingen zijn vast te stellen. Nek en rugklachten zonder evident orthopaedisch substraat. Daarnaast ook klachten in beide handen in de vorm van stijfheid en sensibiliteitsstoornissen zonder dat ik hierbij duidelijke orthopaedische afwijkingen kan vaststellen. Er worden overigens bij de huidige anamnese een aantal klachten geuit welke ik in de verkregen informatie niet vermeld[t] zie. Wel moet opgemerkt worden dat er gezien de verkregen informatie gesteld kan worden dat er posttraumatische psychische schade is ontstaan.

g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u dan vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-Guides, laatste druk), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?

In [rechtbank: De] mate van impairment is volgens de AMA-guides 5de editie in redelijkheid te stellen op 7% gp. (…)

h. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in haar huidige toestand in het dagelijks leven, bij de vrijetijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Betrokkene meldt ook in haar begeleidend schrijven de huidige klachten en belemmeringen als gevolg van de kwetsuren voor wat betreft het dagelijks leven en haar activiteiten thuis en tijdens sport. Ik heb dit verder nog uitgevraagd. Er is een verminderde sta en loopbelastbaarheid met name op onregelmatig terrein. Knielen en hurken levert problemen op. Zij heeft bij belasting van de linker arm klachten in de elleboog en de linker elleboog zou minder betrouwbaar zijn. Zij kan niet op haar linker elleboog leunen. Tevens een verminderde pak en grijpfunctie in de linker hand als gevolg van de Maller finger. Zij vertelt echter dat ze op zich voor wat de orthopaedische ongemakken betreft [zij] haar werkzaamheden als verpleegkundige wel weer behoorlijk kan doen. De belemmeringen zitten meer in het psychologische vlak.

i. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

Ik verwacht [dat] de huidige toestand voor wat de Mallet finger en de elleboog [betreft] wel als eindtoestand mag worden beschouwd. De prognose van de rechter knie is niet onverdeeld gunstig, gezien het intra-articulaire letsel kan op termijn een vroegtijdige gonarthrose optreden. We zijn nu bijna 3 jaar na het ondergaan van het auto-ongeval. Een eventuele arthrose van de rechter knie ter beoordeling zou mogelijk meer definitief kunnen worden beoordeeld over +/- 5 jaar.

(…)

l. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1g) en de beperkingen (als bedoeld in vraag 1h)?

Indien zich een progressieve posttraumatische gonarthrose voordoet kan [dat] een aanzienlijke verslechtering betekenen voor wat de loop en sta functie betreft. Dit zal te zijner tijd bekeken moeten worden.

2. De hypothetische situatie zonder ongeval. (…)

a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval betrokkene niet was overkomen?

Neen.”

2.5.2.

Op 21 november 2014 is [naam verzoekster] onderzocht door neuroloog dr. H.J.J.A. Bernsen (hierna: Bernsen). Het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport van 2 februari 2015 (productie 25 bij verzoekschrift) vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

V Beschouwing

Gezien de vermelding van de orthopedisch chirurgen in hun correspondentie dat er bij betrokkene na het ongeval op 20-10-2005 sprake is geweest van een licht commotioneel beeld, de (welleswaar in latere correspondentie) gedocumenteerde amnesie voor het ongeval en de gelaatsverwonding, kan worden aangenomen dat betrokkene ten gevolge van het ongeval een licht traumatisch hoofd/hersenletsel heeft opgelopen. Het is mogelijk dat ze op basis daarvan nog steeds cognitieve klachten ervaart en verschijnselen van mentale vermoeidheid. In het verleden zijn deze klachten niet middels neuropsychologisch onderzoek geobjectiveerd, althans er werd geen duidelijk herkenbaar patroon vastgesteld. In dit verband moet opgemerkt worden dat er in de behandelende sector eveneens wordt gesproken van stemmingsproblematiek waardoor de interpretatie van het onderzoek kan worden bemoeilijkt. Om aard en ernst van de huidige cognitieve klachten te onderzoeken [dient] het neuropsychologisch onderzoek [te] worden herhaald. Geruststellend is dat de beeldvormende diagnostiek geen intracerebrale afwijkingen heeft laten zien. Betrokkene ondervindt daarnaast nog pijnklachten in het bewegingsapparaat, onder andere in de lage rugregio, rechter knie en ze heeft last van een vervelend gevoel in het schouder- en nekgebied, gevoelsstoornissen en krachtsverlies in de armen en rechter voet en een drukkend gevoel op het borstbeen.

Deze klachten zijn deels niet direct na het ongeval gedocumenteerd hetgeen eveneens door de expertiserend orthopedisch chirurg wordt opgemerkt, en mogelijk ontstaan door een veranderende belasting (…). Er is voor deze klachten nog afgezien van de gebrekkige medische documentatie in relatie tot het ongeval, geen neurologische verklaring voorhanden. Met name zijn er geen aanwijzingen voor cervicale myelopathie, een cervicaal radiculair syndroom, plexus brachialis letsel of perifeer zenuwletsel waarmee deze klachten kunnen worden verklaard en eveneens zijn er geen aanwijzingen voor een lumbosacraal radiculair syndroom. Objectieve neurologische afwijkingen worden eveneens niet beschreven in de behandelende sector (revalidatieartsen; geen neurologische afwijkingen).

Samenvattend is aannemelijk dat betrokkene ten gevolge van het ongeval op 20-10-2005 een licht traumatisch hoofd/hersenletsel heeft opgelopen met mogelijk cognitieve problematiek en verschijnselen van mentale vermoeidheid. Voor de overige door betrokkene aangegeven klachten kan geen neurologische verklaring in relatie tot het ongeval worden geboden. (…)

Neurologische diagnose

 Licht traumatisch hoofd/hersenletsel.”

Bernsen beantwoordt de aan hem gestelde vragen als volgt:

1. De situatie met ongeval (…)

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied (…).

Voor zover mij bekend zijn er geen neurologische antecedenten in de medische voorgeschiedenis van betrokkene. (…)

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? (…)

De gegevens zoals door betrokkene zijn medegedeeld, komen in grote lijnen overeen met de informatie uit de behandelende sector, waarbij dient te worden opgemerkt dat betrokkene zelf aangeeft dat ze zich haar klachten en ook het tijdstip van ontstaan van haar klachten niet meer goed kan herinneren. In de behandelende sector zijn geen objectieve neurologische afwijkingen gemeld en ook bij het huidige neurologisch onderzoek kunnen geen objectiveerbare neurologische afwijkingen worden vastgesteld. (…)

Beperkingen

h. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? (…)

De beperkingen die betrokkene op mijn vakgebied ondervindt, zijn gerelateerd aan de cognitieve klachten en verschijnselen van mentale vermoeidheid bij betrokkene. (…)

Medische eindsituatie

i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? (…)

Ik verwacht geen wezenlijke verbeteringen of verslechteringen meer in de huidige neurologische toestand van betrokkene. (…)

2 Situatie zonder ongeval

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? (…)

Voor zover mij bekend bestonden voor het ongeval bij betrokkene geen klachten of afwijkingen op mijn vakgebied die betrokkene thans nog heeft. (…)

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? (…)

Er zijn op mijn vakgebied geen klachten of afwijkingen te verwachten, die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als betrokkene het ongeval niet was overkomen.”

2.5.3. Op 11 september 2015 vervaardigt neuropsycholoog drs. E. van der Scheer (hierna: Van der Scheer) haar rapportage (productie 26 bij verzoekschrift), die, voor zover van belang, inhoudt:

Eindconclusie

Aanwijzingen dat we te maken hebben met een primair verminderde cognitieve belastbaarheid, welke mogelijk toegeschreven kan worden aan structurele schade aan het brein, biedt het onderzoek niet. De onderzoeksbevindingen geven echter aan dat er andere, niet-cerebraal bepaalde factoren een verklarende en onderhoudende rol spelen in het cognitieve klachtenpatroon van betrokkene. De belangrijkste hiervan zijn het bestaan van verwerkings- en acceptatieproblematiek, sombere stemmingsmomenten, en inadequaat copinggedrag. Mede hierdoor is er sprake van een stagnerend herstel voornamelijk door het bestaan van inadequate illness-perception beliefs (innemen van de ziekterol). Om deze situatie te keren is er een aanbeveling gedaan: het vergroten van copingvaardigheden middels gedragstherapeutische technieken (ACT therapie).”

2.5.4. Naar aanleiding van de rapportage van Van der Scheer komt Bernsen op 24 september 2015 tot aanvullende beantwoording van de aan hem gestelde vragen (productie 27 bij verzoekschrift):

“1. De situatie met ongeval

(…)

Functieverlies

(…)

Antwoord

Aangezien er geen cognitieve stoornissen zijn geobjectiveerd, kan er in neurologisch opzicht geen percentage functiestoornis worden toegekend in het kader van stoornissen in het mentaal geïntegreerd functioneren.

3. Overig

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

(…)

Collega Tan vraagt voorts in reactie op de rapportage op van mevr. Van der Scheer om in de overwegingen en conclusies nader in te gaan op de medische voorgeschiedenis van betrokkene waarbij met name worden genoemd de diverse pijn- en overbelastingsklachten, die in de periode voor het ongeval aan de orde zijn geweest.

(…) Zoals in de neurologische rapportage is aangegeven, kan hiervoor in het kader van het ongeval geen verklaring worden geboden. Voor bovengenoemde pijn- en overbelastingsklachten kan evenmin anderszins een neurologische verklaring worden gegeven.”

2.5.5. Op 4 mei 2016 is [naam verzoekster] onderzocht door psychiater dr. L. Timmerman (hierna: Timmerman). In de naar aanleiding daarvan opgemaakte rapportage van 7 september 2016 (productie 30 bij verzoekschrift) wordt, voor zover van belang, vermeld:

Psychiatrisch onderzoek:

Bij psychiatrisch onderzoek zie ik een conform de kalenderleeftijd uitziende, goed verzorgde vrouw. Het denken verloopt coherent, zonder waandenkbeelden of betrekkingsideeën. Inhoudelijk is er sprake van teleurstelling over de gezondheidszorg en boosheid op de gang van zaken m.b.t. haar lichamelijk en geestelijk functioneren na het ongeval en met betrekking tot de financiële afwikkeling. Betrokkene is noch geremd noch geagiteerd. Er is sprake van lichte affectlabiliteit. De intelligentie is (geschat) gemiddeld. Qua klachten is er bij betrokkene geen sprake van psychotische klachten in de zin van akoustische, visuele of haptische hallucinaties, noch van waan- of betrekkingsideeën. Betrokken klaagt niet over paniekaanvallen, sociale fobie, obsessief compulsieve klachten of fobische klachten gepaard gaande met vermijding. Betrokkene heeft geen depressieve klachten, er is geen sprake van anhedonie noch doet zij suïcidale uitingen. Wel zijn er klachten omtrent cognitief functioneren met name concentratieproblemen, vergeetachtigheid, planning en organisatie. De hoofdklacht van betrokkene is (…) moeheid naast problemen met planning, organiseren en concentreren. Betrokkene meldt expliciet veel problemen te ervaren door de afhandeling van de letselschade-procedures. (…)

Samenvatting en conclusies:

(…)

Op basis van dossieronderzoek, anamnese en psychiatrisch onderzoek kom ik tot de conclusie dat er geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin, zoals een neuro-psychiatrische stoornis, psychose, angststoornis of stemmingsstoornis op basis waarvan de klachten van betrokkene zijn te verklaren. Betrokkene imponeert in het contact reëel. Ondergetekende heeft niet de indruk dat er sprake is van malingering. Ook bij de eerdere neuropsychologische onderzoeken was er geen sprake van onderpresteren. Een valide psychiatrische verklaring van het cognitieve klachtenpatroon en de vermoeidheidsklachten van betrokkene kan niet gegeven worden.”

Timmerman beantwoordt de aan hem gestelde vragen als volgt:

1. Situatie met ongeval.

Betrokkene is een ten tijde van het psychiatrisch onderzoek 49 jaar oude, samenwonende vrouw. Betrokkene maakte op 20-10-2005 een ernstig ongeval met haar auto door met een aantal fracturen, hersenschudding en gelaatsverwondingen tot gevolg. De reïntegratie in haar eigen werk stagneerde met name door vermoeidheidsklachten, problemen met plannen en organiseren en vergeetachtigheid. Zij viel definitief uit voor haar eigen werk als kinderverpleegkundige van de Isala Kliniek nadat uiteindelijk reïntegratie in haar eigen werk niet succesvol bleek. (…)

d. Consistentie:

Er is sprake van een goede samenhang als het gaat om informatie verkregen van onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en de bevindingen bij psychiatrisch onderzoek.

f. Diagnose:

Op psychiatrisch gebied worden er geen psychiatrische stoornissen vastgesteld. Met name is er geen sprake van een stemmingsstoornis of objectiveerbaar neuro-psychiatrisch lijden. De klachten van betrokkene, waarbij de moeheid sterk op de voorgrond staat, kunnen worden geclassificeerd in de DSM-IV TR op:

As I : Ongedifferentieerde somatoforme stoornis.

Dit is een classificatie vaak gegeven bij onbegrepen somatische klachten.

As II : Geen diagnose.

As III : Op neurologisch gebied is de diagnose licht traumatisch hoofd-/hersenletsel

gesteld (…).

g. Functieverlies:

Op psychiatrisch gebied kan er geen functieverlies worden vastgesteld. De cognitieve klachten bij betrokkene en verschijnselen van mentale vermoeidheid kunnen niet vanuit psychiatrische optiek worden verklaard.

h. Er kunnen geen beperkingen op psychiatrisch gebied worden geformuleerd. Op basis van de classificatie ongedifferentieerde somatoforme stoornis wordt geen psychiatrische beperking geformuleerd.

Medische eindsituatie:

Gezien het beloop van de klachten bij betrokkene waarbij er inmiddels sedert enige jaren sprake is van een stationaire toestand, verwacht ik in de toekomst geen belangrijke verbetering of verslechtering van het geconstateerde letsel.

2 Situatie zonder ongeval.

a. Klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval: bij betrokkene bestonden op psychiatrisch of psychologisch gebied geen klachten en afwijkingen welke betrokkene thans nog steeds heeft. Betrokkene is wel in 2000 tijdelijk overwerkt geraakt. Zij is toen begeleid door een Maatschappelijk Werker en Haptotherapeut. Het ziekteverzuim duurde destijds drie weken.

(…)

c. Er zijn op psychiatrisch gebied geen klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval onderzochte niet was overkomen.

3 Overig

Of het langdurig beloop van de letselschade zaak negatieve invloed heeft gehad op de door betrokkene ervaren klachten en beperkingen valt niet betrouwbaar vast te stellen.”

2.6.

Allianz heeft tot op heden ter zake van letselschade als gevolg van het ongeval aan [naam verzoekster] een voorschot onder algemene titel voldaan van € 80.000,00. Voorts heeft Allianz een bedrag van € 21.929,41 op de buitengerechtelijk kosten van [naam verzoekster] bevoorschot.

3 Het geschil

3.1.

[naam verzoekster] heeft verzocht om bij beschikking in deelgeschil, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat de in de orthopedische, neurologische, neuropsychologische en psychiatrische expertises en de onder randnummer 45 van het verzoekschrift genoemde gezondheidsklachten van [naam verzoekster] juridisch volledig causaal aan het ongeval van 20 oktober 2005 toegerekend moeten worden;

  2. voor recht te verklaren dat de arbeidsongeschiktheid van [naam verzoekster] sedert juli 2008 door het UWV vastgesteld op 35-80% en de toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 november 2011 tot 80-100% juridisch eveneens volledig causaal aan het ongeval van 20 oktober 2005 toegerekend moeten worden;

  3. Allianz te veroordelen om aan [naam verzoekster] ter zake de buitengerechtelijke kosten rechtsbijstand door advocaat mr. Takkenberg ex artikel 6:96 lid 2 sub b Burgerlijk Wetboek (BW) te betalen een bedrag van € 6.774,98 + € 10.772,63, totaal

€ 17.547,61;

Allianz te veroordelen in de kosten van dit geschil, ex artikel 1019aa Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te begroten op een bedrag van € 7.964,95 inclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW, te vermeerderen met de kosten verbonden aan de mondelinge behandeling van dit deelgeschil, alsmede Allianz te veroordelen het door [naam verzoekster] verschuldigde griffierecht te betalen.

3.2.

[naam verzoekster] heeft - in essentie - het volgende aan haar verzoeken ten grondslag gelegd.

Uit de expertiserapporten van orthopedisch chirurg Kuipers, neuroloog Bernsen, neuropsycholoog Van der Scheer en psychiater Timmerman, alsmede uit de overige in het geding gebrachte (medische) informatie (uit de behandelende sector), in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon, bestaande uit (vide randnummer 45 van het verzoekschrift):

klachten op orthopedisch gebied:

  • -

    een olecranonfractuur van de linkerelleboog met resterende pijnklachten, een lichte extensiebeperking en een dysesthesie (gevoelsstoornis rond de elleboog);

  • -

    een Mallet finger van de linkerpink met enige restdeformiteit en functiestoornis;

  • -

    intra-articulaire gecompliceerde mediale Femurcondylfractuur van de rechterknie met stijfheid en pijnklachten passend bij posttraumatisch degeneratieve afwijkingen in de rechterknie en klachten over de beschadigde weke delen aan de voorzijde van de knie;

  • -

    klachten ten aanzien van het sternoclaviculair gewricht rechts (het gewricht dat het borstbeen met het sleutelbeen verbindt) en nek- en rugklachten waarvoor geen objectiveerbare orthopedisch substraat kan worden vastgesteld;

  • -

    gekneusde hand met stijfheidsklachten en krachtsverlies;

  • -

    beschadigde knieband met slijtage graad II en III;

  • -

    scheefstand bekken.

klachten op neurologisch gebied:

  • -

    licht traumatisch hoofd/hersenletsel met resterende cognitieve klachten en verschijnselen van mentale vermoeidheid;

  • -

    pijnklachten van het bewegingsapparaat, onder andere in de lage rugregio en rechterknie, een vervelend gevoel in de schouder- en nekregio, gevoelsstoornissen en krachtverlies in de armen en rechtervoet en een drukkend gevoel op het borstbeen, waarvoor geen neurologische verklaring is.

klachten op neuropsychologisch gebied:

- niet organische factoren zoals verwerkings- en acceptatieproblematiek, sombere stemmingsmomenten en inadequaat copinggedrag.

klachten op psychiatrisch gebied:

- klachten omtrent cognitief functioneren, met name concentratieproblemen, vergeetachtigheid, problemen met planning en organisatie en vermoeidheidsklachten, waarvoor geen psychiatrische verklaring is.

Dat er in orthopedische, neurologische, neuropsychologische en psychiatrische zin niet met betrekking tot alle gezondheidsklachten sprake is van een objectief medisch aantoonbare stoornis staat aan het vaststellen van causaal verband niet in de weg. Uit genoemde expertiserapporten volgt voorts dat er geen sprake is van aggravatie of simulatie. Bovendien zijn er geen aanwijzingen voor malingering en onderpresteren. Het klachtenpatroon van [naam verzoekster] is dan ook plausibel en aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven. Tevens blijkt uit genoemde expertiserapporten dat [naam verzoekster] de door haar omschreven gezondheidsklachten zowel op orthopedisch, neurologisch, neuropsychologisch als psychiatrisch gebied voorafgaand aan het haar overkomen ongeval niet had, dat de gestelde gezondheidsklachten door het ongeval en de nasleep daarvan kunnen worden veroorzaakt en dat geen van de deskundigen een alternatieve, niet ongevalsgerelateerde, verklaring voor die gezondheidsklachten heeft. [naam verzoekster] is als gevolg van gezondheidsklachten die zijn ontstaan na en als gevolg van het ongeval langdurig en uiteindelijk blijvend en volledig arbeidsongeschikt geraakt.

3.3.

Allianz heeft tot afwijzing van de verzoeken geconcludeerd en daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De zaak leent zich niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De door [naam verzoekster] verzochte beslissing kan onvoldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Immers, partijen verschillen op vele essentiële onderdelen van mening. Daarbij komt dat met name in het kader van het tweede verzoek (sub B. de gestelde arbeidsongeschiktheid), nog nadere bewijslevering (bijvoorbeeld door middel van deskundigenberichten door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige) noodzakelijk is. Een en ander maakt dat de discussie te ruim is voor een deelgeschilprocedure. Door het geschil in volle omvang aan de rechtbank voor te leggen, wordt in wezen een ‘verkapte’ bodemprocedure gevoerd. De expertiserapporten van orthopedisch chirurg Kuipers, neuroloog Bernsen, neuropsycholoog Van der Scheer en psychiater Timmerman bieden voorts onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de gezondheidsklachten die [naam verzoekster] ervaart in relatie staan tot het ongeval en, in het verlengde daarvan, haar volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid. Orthopedisch, neurologisch, neuropsychologisch en psychiatrisch gezien is er immers geen verklaring voor de gestelde gezondheidsklachten van [naam verzoekster] . Daarnaast wordt in genoemde expertiserapporten niet, althans onvoldoende ingegaan op de pre-existente klachten van [naam verzoekster] en eventuele ongevalsvreemde factoren.

3.4.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van de letselschade die [naam verzoekster] stelt te hebben geleden als gevolg van een ongeval dat haar veertien jaar geleden, in 2005, is overkomen. Tussen partijen bestaat met name discussie over de vraag of er causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten, beperkingen en schade van [naam verzoekster] enerzijds en het ongeval anderzijds. Om duidelijkheid op dit punt te krijgen, hebben op gezamenlijk verzoek van partijen 4 expertises plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat de rapporten van deze deskundigen uitgangspunt zijn bij de schaderegeling. Echter, partijen twisten over de interpretatie van deze rapporten, met dien verstande dat Allianz ter zitting heeft erkend dat de klachten op orthopedisch gebied, zoals opgenomen in het rapport van Kuipers, bestaan bij [naam verzoekster] en het gevolg zijn van het haar op 20 oktober 2005 overkomen ongeval.

Ontvankelijkheid

4.2.

In de eerste plaats dient, gezien het verweer van Allianz op dit punt, te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.3.

Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Rv bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren. Met andere woorden: de rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

4.4.

Een verzoek als het onderhavige, dat er in essentie toe strekt dat wordt vastgesteld dat sprake is van causaal verband tussen de gestelde klachten - en in het verlengde daarvan beperkingen (arbeidsongeschiktheid) - enerzijds en het ongeval anderzijds, leent zich naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek voor behandeling in het kader van een deelgeschillenprocedure. Juist met het oog op dit type deelgeschillen is de regeling in het leven geroepen. Dat er tussen partijen mogelijk nog andere geschilpunten zijn en dat de beslechting van dit deelgeschil niet meebrengt dat direct een vaststellingsovereenkomst kan worden gesloten, is niet relevant. Aannemelijk is immers dat de beslechting van dit deelgeschil de weg kan openen voor verdere onderhandelingen die uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst kunnen leiden. De uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 maart 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:3265) waarop Allianz zich in dit kader beroept, ziet op een andere situatie dan thans aan de orde en mist dan ook toepassing in deze.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat er in de onderhavige zaak sprake is van “zoveel deelgeschil” dat het ook het hele geschil is en dat er in feite via de weg van de deelgeschilprocedure een ‘verkapte’ bodemprocedure wordt gevoerd. De rechtbank zal het verzoek dan ook inhoudelijk behandelen.

Causaal verband ongeval - klachten

4.5.

Als uitgangspunt geldt dat de stelplicht en - in voorkomend geval - de bewijslast betreffende het causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade in beginsel op [naam verzoekster] rust, met dien verstande dat in een zaak als de onderhavige aan het te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld: het ontbreken van een specifieke medische aantoonbare verklaring voor de klachten staat niet in de weg aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Tot op zekere hoogte komt het immers voor risico van de aansprakelijke partij dat het slachtoffer van een verkeersongeval daardoor ook klachten kan ondervinden die zich slechts in beperkte mate lenen voor objectivering. Het gaat niet om medische maar om juridische causaliteit. De vraag naar het (juridisch) causaal verband tussen het ongeval en de klachten is, nu het een juridisch oordeel betreft, voorbehouden aan de rechter. Voor het aanwezig zijn van dit juridisch causaal verband gaat het erom of de klachten als zodanig daadwerkelijk bestaan en dat die klachten mede gelet op de toedracht van het ongeval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer vóór het ongeval deze klachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband veelal geleverd zijn.

4.6.

Enige objectivering van de - subjectieve - klachten is echter wel vereist. Daarvoor is noodzakelijk en voldoende dat bij zorgvuldige beoordeling van alle (medische) informatie kan worden vastgesteld dat aannemelijk is dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Dit in de jurisprudentie ontwikkelde criterium komt er op neer dat de rechter er, op grond van de beschikbare medische informatie, van overtuigd moet zijn dat het gaat om klachten die de betrokkene daadwerkelijk heeft zonder dat hij of zij tracht de situatie ernstiger te doen overkomen dan deze is. Anders dan Allianz kennelijk meent, bestaat op dit punt bestendige jurisprudentie in deze zin. Nu het aan de rechter is om het causaal verband tussen een onrechtmatige daad en de volgens het slachtoffer van die onrechtmatige daad daaruit voortvloeiende schade vast te stellen en, volgens het slachtoffer - in casu [naam verzoekster] - de klachten leiden tot beperkingen die weer leiden tot materiële schade in de vorm van verlies aan verdienvermogen, komt het aan op het rechterlijk oordeel (en niet op een medische diagnose).

4.7.

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [naam verzoekster] diverse (medische) stukken in het geding gebracht. Deze stukken, en in het bijzonder de rapporten die zijn opgemaakt naar aanleiding van de 4 op gezamenlijk verzoek van partijen uitgevoerde medische expertises, bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [naam verzoekster] gezondheidsklachten in vorenbedoelde zin heeft. Het gaat daarbij om de door [naam verzoekster] genoemde gezondheidsklachten zoals opgesomd onder randnummer 45 van het verzoekschrift (weergegeven onder r.o. 3.2). [naam verzoekster] heeft deze klachten in de periode na het ongeval steeds benoemd in de contacten met haar (para)medisch behandelaars en zij heeft diverse behandelingen ondergaan gericht op het verminderen van deze door haar ervaren klachten. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten.

Dat [naam verzoekster] tegen (onder meer) neuroloog Bernsen gezegd zou hebben dat zij haar klachten en het tijdstip van ontstaan daarvan niet meer goed kan herinneren maakt dat niet anders. De expertise bij Bernsen vond plaats in 2014, derhalve 9 jaar na datum ongeval. De rechtbank acht het niet onlogisch/ondenkbaar dat dan het exacte tijdstip van ontstaan van de klachten niet meer herinnerd kan worden.

4.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking genomen dat [naam verzoekster] een zwaar verkeersongeval (frontale aanrijding met dodelijk slachtoffer) is overkomen en dat juist een dergelijk ongeval tot het ontstaan van genoemde gezondheidsklachten kan leiden, is de rechtbank van oordeel dat [naam verzoekster] het bestaan van haar klachten zoals opgesomd onder randnummer 45 van het verzoekschrift (weergegeven onder r.o. 3.2) voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voor het oordeel dat de klachten niet reëel zijn of ingebeeld, voorgewend of overdreven bestaan onvoldoende aanknopingspunten.

4.9.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de beoordeling van de vraag of de klachten van [naam verzoekster] door het ongeval zijn veroorzaakt.

4.10.

Uit de overgelegde medische informatie volgt dat de klachten van [naam verzoekster] zijn aangevangen na het ongeval, dat zij sedertdien steeds in meerdere of mindere mate aanwezig zijn geweest en nog immer voort duurden ten tijde van de laatste expertise van Timmerman. De beschikbare medische informatie bevat geen, of althans onvoldoende, aanwijzingen dat [naam verzoekster] in het verleden vergelijkbare problemen met haar gezondheid heeft ondervonden. Mentale overbelasting en (andere effecten van) stress komen (op een periode van 3 weken in 2000 na) niet voor in de medische historie van [naam verzoekster] en leiden ook niet typisch tot dit soort klachten. In het medisch dossier zijn evenmin aanknopingspunten te vinden om te kunnen concluderen dat [naam verzoekster] , indien het ongeval haar niet was overkomen, de hiervoor genoemde gezondheidsklachten ook zou hebben ontwikkeld. Alle deskundigen hebben de beschikking gehad over gegevens betreffende de medische voorgeschiedenis van [naam verzoekster] , waaronder pre-existente klachten aan het bewegingsapparaat, en allen zijn van mening dat deze medische voorgeschiedenis niet van invloed is op het huidige klachtenbeeld.

Voorts heeft [naam verzoekster] ter zitting - onweersproken - verklaard dat zij sinds het ongeval te maken heeft met (onder meer) beperkingen in haar werk en dagelijks leven, terwijl voorheen nooit van belemmeringen van dien aard sprake is geweest

4.11.

De stelling van Allianz dat de klachten van [naam verzoekster] niet aan het ongeval zijn toe te rekenen, volgt de rechtbank dan ook niet. Zij overweegt hiertoe naast het voorgaande als volgt. Dat [naam verzoekster] , zoals Allianz heeft gesteld en [naam verzoekster] op zich niet heeft weersproken, voor het ongeval al bepaalde klachten aan het bewegingsapparaat had die (wellicht ook) uiteindelijk zouden hebben kunnen leiden tot (een deel van) de thans gestelde gezondheidsklachten doet aan het voorgaande niet af. Immers, voor juridische causaliteit is niet noodzakelijk dat klachten een direct gevolg zijn van het ongeval. Ook klachten die een indirect gevolg zijn van het ongeval en die eventueel mede samenhangen met pre-existente klachten en/of de persoonlijkheidsstructuur van het slachtoffer zullen veelal aan de aansprakelijke partij kunnen worden toegerekend. Uitgangspunt is dat Allianz [naam verzoekster] dient te nemen zoals zij is, dus inclusief eventuele pre-existente kwetsbaarheid en eventuele persoonlijke predispositie tot ontwikkeling of het in stand houden van bepaalde klachten. Dit is slechts anders in geval van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien het slachtoffer zich van zijn of haar kant, mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur, onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het herstelproces.

Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. Wel kunnen de gestelde pre-existente klachten en/of predispositie onder omstandigheden een rol spelen bij de schadebegroting en dan met name bij de vraag of ook zonder ongeval dezelfde of soortgelijke klachten later toch zouden zijn ontstaan en, zo ja, wanneer (looptijddiscussie).

4.12.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank het verzoek (weergegeven als A) van [naam verzoekster] in die zin toewijzen dat zij zal verklaren voor recht dat de in de orthopedische, neurologische, neuropsychologische en psychiatrische expertises genoemde gezondheidsklachten zoals weergegeven onder randnummer 45 van het verzoekschrift van [naam verzoekster] (weergegeven onder r.o. 3.2) het gevolg zijn van het haar op 20 oktober 2005 overkomen ongeval.

Causaal verband klachten-beperkingen-schade (verlies verdienvermogen)

4.13.

De rechtbank is - met Allianz - van oordeel dat voor beantwoording van de vraag of de hiervoor bedoelde klachten tot beperkingen leiden, die weer tot de gestelde arbeidsongeschiktheid leiden, (nader) onderzoek door een verzekeringsarts en - in voorkomend geval - een arbeidsdeskundige in de rede ligt. Uit het bestaan van klachten volgt immers niet zonder meer het bestaan van beperkingen, terwijl in geval van beperkingen voorts niet zonder meer gezegd kan worden dat zij leiden tot schade in de zin van verlies aan verdienvermogen, zoals in dit geval kennelijk volgens [naam verzoekster] aan de orde is. Geconcludeerd moet worden dat de deskundigenrapporten onvoldoende aanknopingspunten bieden om thans te kunnen oordelen dat de gezondheidsklachten van [naam verzoekster] in relatie staan tot haar (volledige) arbeidsongeschiktheid. Nadere bewijslevering is nodig, doch daarvoor leent een deelgeschilprocedure zich niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verzochte beslissing (zoals weergegeven onder B) niet kan worden toegewezen. Het verzoek van [naam verzoekster] om te bepalen dat haar arbeidsongeschiktheid het gevolg is van het haar op 20 oktober 2005 overkomen ongeval zal dan ook worden afgewezen.

4.14.

Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat uit het feit dat [naam verzoekster] arbeidsongeschikt is in de zin van de sociale verzekeringswetten niet zonder meer kan worden afgeleid dat bij [naam verzoekster] sprake is van schade (van de door haar gestelde omvang) in de zin van verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval. De regels die gelden voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO (of WIA) komen niet overeen met de normen waaraan een vordering vanwege verlies aan verdienvermogen in een onrechtmatige daad actie dient te worden getoetst. Niet uitgesloten is dat het feit dat [naam verzoekster] niet werkt niet (uitsluitend) samenhangt met fysieke en geestelijke beperkingen en/of de arbeidsongeschiktheid niet (uitsluitend) samenhangt met ongevalsgevolgen. Om die reden kan de gestelde daaruit voortvloeiende schade niet (zonder meer) worden toegerekend aan de ter zake van de ongevalsgevolgen aansprakelijke partij. De aansprakelijke partij dient daarover een volwaardig debat in rechte te kunnen voeren, in welk kader zo nodig ook bewijsvoering, eventueel in de vorm van tegenbewijs, aan de orde kan komen.

Buitengerechtelijke kosten

4.15.

[naam verzoekster] maakt op grond van artikel 6:96 lid 2 BW aanspraak op betaling van (het nog openstaande deel van de gedeclareerde) kosten van buitengerechtelijke juridische bijstand en medische advisering tot 27 september 2018, zijnde in totaal een bedrag van € 17.547,61, daartoe stellende dat die kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

Allianz voert aan dat (ook) dit deel van het verzoek moet worden afgewezen; zij bestrijdt dat sprake is (geweest) van een efficiënte tijdsbesteding die leidt tot een redelijke verhouding tussen de schadeomvang (die op dit moment nog onduidelijk is) en de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten. Voorts voert Allianz aan, althans zo begrijpt de rechtbank haar stellingen op dit punt, dat sprake is van onnodige (dubbele) kosten vanwege het inschakelen van een andere (nieuwe) belangenbehartiger.

4.16.

Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand en medische advisering voor vergoeding in aanmerking komen, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit vereist dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de verrichte werkzaamheden (qua aard en omvang) redelijkerwijs noodzakelijk zijn om vergoeding van de schade te verkrijgen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de gestelde buitengerechtelijke kosten dient niet alleen te worden gekeken naar de verhouding tussen die kosten en de omvang van de (gestelde) schade, maar dient ook rekening te worden gehouden met onder meer de aard van de door het slachtoffer geleden schade, de aard van de door de rechtsbijstandverlener verrichte werkzaamheden en de complexiteit van de zaak. Wanneer de verhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de omvang van de schade namelijk de enige factor van belang zou zijn, heeft dit als ongewenste consequentie dat de mogelijkheid op rechtsbijstand voor een slachtoffer met beperkte schade ernstig wordt beperkt, omdat nagenoeg alle kosten van rechtsbijstand per definitie voor eigen rekening zouden komen. Dat neemt niet weg dat de uiteindelijke vaststelling van de causale beperkingen (en de dientengevolge te vergoeden schade) een aspect is dat mede van belang kan zijn voor het antwoord op de vraag of, en zo ja in hoeverre, de gemaakte losten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan.

4.17.

In letselschadezaken kan niet snel tot het oordeel worden gekomen dat de inschakeling van deskundige bijstand niet redelijk is. Allereerst staat veelal niet reeds aanstonds vast welke (medische) schade is ontstaan en welke daardoor veroorzaakte materiële en immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts biedt de specifieke deskundigheid van een belangenbehartiger een waarborg dat niet snel relevante elementen over het hoofd worden gezien bij het bepalen van de omvang van de schade, ook voor zover deze mogelijk in de toekomst zal worden geleden, terwijl bovendien het met een professionele wederpartij zoals een aansprakelijkheidsverzekeraar onderhandelen over de afwikkeling van de schade specifieke deskundigheid vereist.

4.18.

Het standpunt van Allianz dat de kosten die zijn gemoeid met het overnemen van de zaak van de vorige belangenbehartiger door de huidige advocaat van [naam verzoekster] niet voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen, acht de rechtbank in zijn algemeenheid niet juist. In dat kader is van belang dat een slachtoffer geen ervaring zal hebben met het (doen) behandelen van de praktische en juridische problemen die uit een ongeval kunnen voortvloeien. Daarentegen heeft een slachtoffer er wel groot belang bij om zijn of haar belangen in een geschil met een verzekeraar adequaat te doen behartigen door een belangenbehartiger waarin het slachtoffer vertrouwen heeft. Het zal dan ook kunnen voorkomen dat een slachtoffer in de loop van de behandeling van een letselschadezaak tot het inzicht komt dat zijn of haar oorspronkelijke keuze voor een belangenbehartiger achteraf bezien voor hem of haar niet de juiste keuze was, om welke reden er behoefte zal kunnen bestaan de behandeling van de zaak van de vorige belangenbehartiger over te laten nemen door een (andere) in de behandeling van letselschade gespecialiseerde belangenbehartiger (in wie meer vertrouwen bestaat). Het kan alleszins redelijk zijn dat een slachtoffer die keuze maakt en dat kan ook betekenen dat enige mogelijk daaruit voortvloeiende extra kosten niettemin als redelijk kunnen worden aangemerkt, ook al is er in zoverre in de visie van de wederpartij sprake van “dubbel werk”.

4.19.

Het betoog van Allianz dat de buitengerechtelijke kosten naar hun omvang de redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan omdat er geen aanvaardbare verhouding bestaat tussen die kosten en de omvang van de schade gaat niet op zolang nog niet is vastgesteld

wat de omvang van de door [naam verzoekster] geleden schade is. Weliswaar is denkbaar dat achteraf niet komt vast te staan dat er als gevolg van het ongeval schade is geleden in de omvang zoals door [naam verzoekster] is gevorderd, maar dat betekent niet dat de eerder in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten alsnog als niet redelijk moeten worden aangemerkt. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank de redenering worden gevolgd dat het slachtoffer of diens belangenbehartiger in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten dient voor te financieren tot het moment waarop met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de omvang van de totale schade zo groot is dat de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten in een bepaalde redelijk geachte procentuele verhouding tot die totale schade staan. Een andere opvatting zou meebrengen dat het een slachtoffer welhaast onmogelijk zou worden gemaakt - in praktische zin - om de omvang van de schade te laten vaststellen en vervolgens een reële minnelijke regeling met de verzekeraar van de aansprakelijke partij te treffen. Uit het feit dat Allianz reeds een bedrag van € 21.929,41 aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald, kan niet worden afgeleid dat de in de onderhavige procedure gevorderde kosten niet redelijk zijn.

4.20.

De exacte omvang van de aan het ongeval toe te rekenen schade van [naam verzoekster] is op dit moment onduidelijk. Echter, het financieel belang van [naam verzoekster] is in het verzoekschrift bij benadering omschreven. Indien de causaliteit tussen klachten, beperkingen en arbeidsongeschiktheid uiteindelijk wordt vastgesteld, is niet ondenkbaar dat de schade van [naam verzoekster] om en nabij de € 400.00,00 zou kunnen bedragen. Gelet hierop, alsmede rekening houdend met het tijdsverloop - het is inmiddels 14 jaar na datum ongeval -, de complexiteit van de zaak, waarin zich de nodige ontwikkelingen hebben voorgedaan, en de expertise van de advocaat, komt het gevorderde bedrag van in totaal € 17.547,61 de rechtbank niet onredelijk voor. Het verzoek van [naam verzoekster] (zoals weergegeven onder C) tot toekenning van een (aanvullend) voorschot op de buitengerechtelijke kosten zal dan ook worden toegewezen.

Kosten deelgeschil

4.21.

[naam verzoekster] heeft verzocht haar kosten te begroten in de zin van artikel 1019aa Rv. Op grond van artikel 1019aa Rv dient in beginsel begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Ook hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden.

Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het vorenstaande volgt reeds dat het laatste niet aan de orde is.

4.22.

Bij de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde reactie op het verweerschrift heeft mr. Takkenberg een specificatie gevoegd van de tot het moment van de zitting op 14 mei 2019 gemaakte kosten, die € 9.915,29 (inclusief kantoorkosten, BTW en het door [naam verzoekster] betaalde griffierecht van € 297,00) bedragen. Allianz betwist dat de gevorderde kosten in omvang redelijk zijn.

4.23.

Zowel het gedeclareerde aantal uren (23:24 uren) als het gehanteerde uurtarief

(€ 243,80 respectievelijk [vanaf 1 januari 2019] € 249,10,00, inclusief 6% kantoorkosten) komen de rechtbank, gezien de omvang en inhoud van het verzoekschrift en de mate van complexiteit van het deelgeschil, niet onredelijk voor. De kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van [naam verzoekster] worden daarom begroot op € 9.915,29.

4.24.

Door [naam verzoekster] is tevens veroordeling van Allianz in de kosten van deze procedure verzocht. Nu aansprakelijkheid is erkend en ook overigens juridische noch praktische redenen zich tegen toewijzing van een dergelijk verzoek verzetten, zal het hiervoor onder 4.23 begrote bedrag als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de in de orthopedische, neurologische, neuropsychologische en psychiatrische expertises genoemde gezondheidsklachten zoals weergegeven onder randnummer 45 van het verzoekschrift van [naam verzoekster] (weergegeven onder r.o. 3.2) het gevolg zijn van het haar op 20 oktober 2005 overkomen ongeval;

5.2.

veroordeelt Allianz tot betaling aan [naam verzoekster] van een bedrag van € 17.547,61 aan buitengerechtelijke kosten;

5.3.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 9.915,29;

5.4.

veroordeelt Allianz tot betaling aan [naam verzoekster] van de kosten van deze procedure, welke zijn begroot op € 9.915,29;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019.

801/1582