Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4805

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
10/208571-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Medeplegen van heling, medeplichtigheid aan oplichting via ‘Market Place’, oplichting van zogenaamde katvangers/geldezels en witwassen. Jeugddetentie en werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/208571-18

Datum uitspraak: 9 mei 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao op [geboortedatum verdachte] 2001,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw: mr. M.C.J. Fleur, advocaat te Gorinchem.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 25 april 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde is door de verdachte bekend, zij het, dat bij feit 2, ten aanzien van aangever [naam slachtoffer 1] , wél verweer is gevoerd, waarop hierna onder 4.2 wordt ingegaan. Voor het overige worden deze feiten zonder nadere bespreking bewezen verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 2 ten laste gelegde medeplichtigheid aan oplichting, voor zover het betreft de aangever [naam slachtoffer 1] . Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de betaling door [naam slachtoffer 1] (nog) te goeder trouw heeft gehandeld omdat hij toen (nog) niet op de hoogte was van de oplichtingspraktijken van ‘ [naam] ’, die volgens de verdachte zijn mededader is geweest, maar in dit onderzoek onbekend is gebleven. De verdediging heeft tevens vrijspraak bepleit van de onder 3 ten laste gelegde oplichting, omdat aangeefsters [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] wisten of zouden moeten hebben geweten dat zij hun bankrekening ter beschikking stelden voor een criminele activiteit en zij hieraan toch, dus bewust, hun medewerking hebben verleend.

4.2.2.

Beoordeling

Het dossier handelt om (facebook)Market Place /marktplaatsoplichting.

De verdachte is (naar eigen zeggen) via Snapchat benaderd door een hem onbekende jongen, ‘ [naam] ’, om in eerste instantie zijn eigen bankrekening beschikbaar te stellen voor een overboeking. De aangever [naam slachtoffer 1] heeft vervolgens, en hij is daarmee de enige aangever in het dossier, rechtstreeks geld overgeboekt naar de bankrekening van verdachte, in de veronderstelling dat hem dan de Playstation 4, die hij beoogde te verkrijgen, zou worden toegestuurd. De overige benadeelde marktplaatskopers in het dossier hebben bedragen overgeboekt naar andere bankrekeningnummers.

Vast staat, dat de verdachte, na die eerste overboeking door [naam slachtoffer 1] , zelf, in de wetenschap dat hij met oplichting van marktplaatskopers bezig was, de aangeefsters [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] heeft benaderd, met leugentjes zoals bijvoorbeeld dat zijn pinpas was gebroken, of dat het zijn oom niet was gelukt geld naar hem, verdachte, over te boeken, om gebruik te kunnen maken van hun bankrekeningen. Op hun bankrekeningen, wist de verdachte, zouden dan de gelden worden gestort door de personen die werden opgelicht, in die zin dat zij nooit hun aangeschafte goed zouden ontvangen.

[naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] pinden de aan hen overgemaakte bedragen en droegen die bedragen contant af aan de verdachte, of zij boekten bedragen over naar de bankrekening van de verdachte, of naar bankrekeningen van door de verdachte aan hun opgegeven andere personen.

De verdachte droeg – naar eigen zeggen – 60% van de op deze wijze door hem verkregen bedragen af aan ‘ [naam] ’. Dat betrof volgens verdachte altijd afdracht in contanten, zodat die afdrachten aan ‘ [naam] ’ in dit dossier verder niet blijken.

Vast staat dat [naam slachtoffer 3] , meteen na de eerste overboekingen op haar bankrekening, aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt niet te willen meewerken aan deze activiteiten.

Het verweer t.a.v. aangever [naam slachtoffer 1] houdt in dat de verdachte zijn bankrekening aanvankelijk, zonder besef van het strafbare van het handelen van ‘ [naam] ’, ter beschikking heeft gesteld aan ‘ [naam] ’. Van deze ‘ [naam] ’ kent de verdachte geen adres, noch het bankrekeningnummer, noch zijn gehele naam. De verklaring van de verdachte houdt voorts in dat, ondanks die omstandigheden, de verdachte toch bereid is geweest om dat eerste door [naam slachtoffer 1] overgemaakte bedrag contant aan die hem onbekende ‘ [naam] ’ over te dragen, en dan ook nog zonder dat hemzelf dat financieel iets heeft opgeleverd.

Deze verklaring acht de rechtbank onlogisch en ongeloofwaardig, mede door de vaagheid en het - beweerde - gebrek aan belang van de verdachte, en ook omdat de verdachte onmiddellijk daarna, kennelijk zonder gewetensbezwaren, voor andere bankrekeningnummers (van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] ) heeft gezorgd, en door de steeds, zowel bij [naam slachtoffer 1] als bij latere benadeelden, gevolgde modus operandi.

De verklaring wordt dan ook terzijde geschoven. Kort gezegd: de rechtbank acht óók wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medeplichtig is aan de oplichting van aangever [naam slachtoffer 1] .

Met betrekking tot feit 3, de oplichting van de aangeefsters [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] , is het navolgende van belang.

Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van de verdachte dat [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] vanaf het begin af aan hebben geweten van het strafbare van het handelen van de verdachte, zoals, bijvoorbeeld, dat zij zelf ook voordeel hadden bij de overdacht van geldbedragen.

Verder staat vast dat de verdachte tegenover beiden heeft gelogen over de reden waarom hij graag van hun bankrekening gebruik wilde maken, door te zeggen dat het zijn oom niet was gelukt geld te storten op zijn bankrekening, respectievelijk dat zijn bankpas kapot was waardoor hij geen contant geld van zijn rekening kon opnemen.

Ook heeft de verdachte misbruik gemaakt van de tussen de verdachte en de aangeefsters bestaande relatie. Bij [naam slachtoffer 3] betreft het zelfs een ex-vriendin van de verdachte, zodat zij logischerwijs niet van kwade bedoelingen uit hoefde te gaan. Ten slotte is komen vast te staan dat [naam slachtoffer 3] meteen na de eerste overboekingen tegen de verdachte heeft gezegd te weten wat er gaande was en dat zij hieraan haar medewerking niet wilde verlenen. Als zij direct bij aanvang op de hoogte zou zijn geweest, is het niet logisch dat zij pas na de eerste overboekingen protesteerde maar eerst wél wilde meewerken.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat aangeefsters [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] hun bankrekeningnummers (aanvankelijk) in goed vertrouwen na een leugen van de verdachte ter beschikking hebben gesteld en dat derhalve sprake is van oplichting door de verdachte van deze beide aangeefsters.

De verweren worden verworpen.

4.2.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ook ten aanzien van de betaling door [naam slachtoffer 1] medeplichtig is aan oplichting, en dat de verdachte zich tevens heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] .

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit, en het (enige) verweer ten aanzien van aangever [naam slachtoffer 1] hiervoor gemotiveerd is verworpen. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij in de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

meermalen geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) telkens ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist(en), dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.

een onbekend gebleven mededader op tijdstippen in de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Rotterdam, althans in Nederland telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hierna te noemen aangevers, te weten:

a. a) [naam slachtoffer 1] (120 euro voor een playstation 4) en

b) [naam slachtoffer 4] (180 euro voor concertkaartjes) en

c) [naam slachtoffer 5] (160 euro voor een playstation 4) en

d) [naam slachtoffer 6] (150 euro voor een playstation 4) en

e) [naam slachtoffer 7] (145 euro voor een Nintendo Switch) en

f) [naam slachtoffer 8] (169 euro voor een playstation 4) en

g) [naam slachtoffer 9] (50 euro voor een mediamarkt cadeaukaart)

heeft bewogen tot de afgifte van bovengenoemde geldbedragen, hebbende verdachtes mededader toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zich voorgedaan als aanbieder en/of verkoper van bovengenoemde goederen, op de internetsite Marktplaats.nl, Market Place en/of op Facebook en/of

- gebruik gemaakt van een valse identiteit, te weten de naam [valse naam verdachte] (i) en/of

- meermalen gebruik gemaakt van de bank- en/of girorekening(en)(nummers) van (zogenoemde "katvangers"), te weten:

a. a) [naam slachtoffer 2] en b) [naam slachtoffer 3]

- zich voorgedaan als bonafide verkoper en

- de indruk gewekt dat hij bovengenoemde goederen in het bezit had en

- voornoemde aangevers/gedupeerden voorgehouden/beloofd dat hijbovengenoemde goederen zou leveren na betaling/overschrijving op de rekeningnummers van

bovengenoemde katvangers

waardoor bovengenoemde aangevers (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- zijn rekeningnummer te verschaffen en

- de rekeningnummers van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] te verwerven en

- voor het verzekeren van de medewerking van voornoemde [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] hiervoor aan hen leugens en/of smoezen te vertellen.

3.

hij in de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] heeft bewogen tot het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten

- de afgifte van hun bankrekeningnummers en

- het overboeken naar de rekening van verdachte van geldbedragen die aan hen waren overgeboekt en/of

- het pinnen van de geldbedragen die aan hen waren overgeboekt

door voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of voornoemde [naam slachtoffer 3]

- te vragen om hun bankrekening ter beschikking te stellen voor geldstortingen en

- hen te vragen om dit geld naar zijn, verdachtes, bankrekening over te maken en

- hen te vragen dit geld te pinnen (in zijn aanwezigheid) en

voor het verzekeren van hun medewerking hiervoor (telkens) leugens en/of smoezen te vertellen.

4.

hij in de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, telkens van geldbedragen, de herkomst, de vervreemding en de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, en/of telkens heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende

op de geldbedragen, was, en/of telkens heeft verborgen en/of verhuld wie de geldbedragen, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van heling, meermalen gepleegd;

2.

medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd;

3

oplichting, meermalen gepleegd;

4 primair.

witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte is gedurende een periode van drie maanden betrokken geweest bij oplichting via (onder meer) ‘Market Place’. In deze periode was de verdachte 17 jaar. Uitgaande van de verklaring van de verdachte deed de onbekend gebleven medeverdachte ‘ [naam] ’ zich op Market Place en Marktplaats voor als bonafide verkoper. Hierbij maakte hij gebruik van andermans identiteit. ‘ [naam] ’ liet het geld overboeken naar de bankrekeningen van zogenaamde katvangers/geldezels en leverde vervolgens niet. De verdachte heeft de rekeningnummers van deze katvangers verworven door leugens/smoezen te vertellen. De katvangers maakten de door de gedupeerden overgeboekte bedragen over of pinden deze waarna, aldus de verdachte, in het algemeen de verdachte 60% van deze bedragen doorsluisde naar ‘ [naam] ’ en zelf 40% van deze bedragen hield. Zo heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan witwassen en heling.

Door aldus te handelen is de slachtoffers niet alleen financiële schade berokkend, maar is ook het vertrouwen in het doen van aankopen via internet geschonden. Heling bevordert het plegen van vermogensdelicten en ook witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie. De rechtbank neemt het de verdachte extra kwalijk dat hij actief andere personen heeft betrokken en gebruikt bij de uitvoering van de strafbare feiten.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

20 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 januari 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte is een zeventienjarige jongen die bij zijn moeder woont. Thuis lijkt de sturing beperkt te zijn. De moeder geeft aan dat de verdachte zijn eigen verantwoordelijkheid dient te nemen, maar op deze manier wordt hij mogelijk overvraagd. De schoolgang van de verdachte verliep problematisch, maar hierin is inmiddels een positieve ontwikkeling zichtbaar. De verdachte lijkt een passende opleiding te hebben gevonden en de schoolgang lijkt stabiel. Sturing en structuur en hulp en ondersteuning lijken met name nodig te zijn bij het maken van goede keuzes. Omdat de verdachte geen zinvolle dag- en/of vrijetijdsbesteding heeft, moet hiervoor ook oog zijn.

De Raad schat het risico op recidive in als laag en adviseert aan de verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke werkstraf onder de bijzondere voorwaarden dat hij zijn schoolopleiding afmaakt en met een jeugdreclasseerder op zoek gaat naar een passende vrijetijdsbesteding.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank ten eerste een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen, en tevens een voorwaardelijke jeugddetentie. Deze voorwaardelijke straf dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet af van het opleggen van begeleiding door de jeugdreclassering, nu ter terechtzitting is gebleken dat begeleiding door de jeugdreclassering niet meer nodig is.

Alles afwegend acht de rechtbank het passend en geboden om aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 100 uren en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 weken met een proeftijd van twee jaar op te leggen.

8 Vorderingen benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

[naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 120,– aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

8.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door benadeelde partij [naam benadeelde 1] gevorderde materiële schade hoofdelijk dient te worden toegewezen.

8.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel zijn vordering dient te worden afgewezen, nu vrijspraak is bepleit.

8.1.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 11 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.1.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 120,–, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.2.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 160,– aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door benadeelde partij [naam benadeelde 2] gevorderde materiële schade hoofdelijk dient te worden toegewezen.

8.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

8.2.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 12 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.2.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 160,–, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.3.

[naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 149,99 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door benadeelde partij [naam benadeelde 3] gevorderde materiële schade hoofdelijk dient te worden toegewezen.

8.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

8.3.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 27 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 149,99, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.4.

[naam benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 4] ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 80,– aan materiële schade en een bedrag van € 750,– aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

8.4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door benadeelde partij [naam benadeelde 4] gevorderde materiële schade hoofdelijk dient te worden toegewezen. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat aan [naam benadeelde 4] dient te worden vergoed een bedrag van € 250,-- ter zake van geleden immateriële schade, hoofdelijk toe te wijzen, en met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige verzochte.

8.4.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft het door haar gevorderde immateriële bedrag van € 750,--, dan wel dient te worden afgewezen, nu deze schade geen rechtstreeks verband houdt met de ten laste gelegde feiten.

8.4.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] door de onder 2 en/of 3 bewezen verklaarde strafbare feiten waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet gemotiveerd is betwist, zal het bedrag aan materiële schade worden toegewezen.

De benadeelde partij [naam benadeelde 4] zal in de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de onder 2 en/of 3 bewezen verklaarde feiten. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 4] een schadevergoeding betalen van

€ 80,–, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.5.

[naam benadeelde 5]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 5] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 145,– aan materiële schade en een bedrag van € 100,– aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

8.5.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door benadeelde partij [naam benadeelde 5] gevorderde materiële schade hoofdelijk dient te worden toegewezen, met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige verzochte.

8.5.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde 5] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft de gevorderde immateriële schade, dan wel dat dit deel van het verzoek dient te worden afgewezen, nu dit deel onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade heeft de verdediging de vordering niet betwist.

8.5.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en dit deel van de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de materiële vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij [naam benadeelde 5] zal in de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 bewezen verklaarde feit. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 27 augustus 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.5.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 5] een schadevergoeding betalen van

€ 145,–, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.6.

[naam benadeelde 6]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 6] ter zake van het onder 2

tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 169,– aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en vergoeding van de gemaakte proceskosten à € 30,–.

8.6.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door benadeelde partij [naam benadeelde 6] gevorderde materiële schade hoofdelijk dient te worden toegewezen, met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overig verzochte.

8.6.2.

Standpunt verdediging

Het door benadeelde partij [naam benadeelde 6] gevorderde bedrag aan proceskosten dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze onvoldoende is onderbouwd. Wat het overige betreft, heeft de vordering niet betwist.

8.6.3.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam benadeelde 6] zal in de vordering tot vergoeding van de proceskosten niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 bewezen verklaarde feit waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 6] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 4 september 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.6.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 6] een schadevergoeding betalen van € 169,–, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.7.

[naam benadeelde 7]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 7] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 50,– aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

8.7.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door benadeelde partij [naam benadeelde 7] gevorderde materiële schade hoofdelijk dient te worden toegewezen.

8.7.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

8.7.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 27 augustus 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.7.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 7] een schadevergoeding betalen van € 50,–, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 48, 49, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 326, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) weken,

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 120,– (zegge: honderdtwintig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 120,– (hoofdsom, zegge: honderdtwintig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 160,– (zegge: honderdzestig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 160,– (hoofdsom, zegge: honderdzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 149,99 (zegge: honderdnegenenveertig euro en negenennegentig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 149,99 (hoofdsom, zegge: honderdnegenenveertig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 80,– (zegge: tachtig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 oktober 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 80,– (hoofdsom, zegge: tachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 oktober 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] , te betalen een bedrag van € 145,– (zegge: honderdvijfenveertig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen € 145,– (hoofdsom, zegge: honderdvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 6] , te betalen een bedrag van € 169,– (zegge: honderdnegenenzestig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 6] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 6] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 6] te betalen € 169,– (hoofdsom, zegge: honderdnegenenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

4 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 6] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 6] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7] , te betalen een bedrag van € 50,– (zegge: vijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 7] te betalen € 50,– (hoofdsom, zegge: vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

27 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 7] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3] , [naam benadeelde 4] , [naam benadeelde 5] , [naam benadeelde 6] en [naam benadeelde 7] gemaakt, tot op heden aan hun zijde begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. de Geus, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. E.J. Stalenberg en G.A.J.M. van Vugt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. de Roo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 mei 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist(en), althans had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

een of meerdere onbekend gebleven mededader(s) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Rotterdam, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hierna te noemen aangevers, te weten:

a. a) [naam slachtoffer 1] (120 euro voor een playstation 4) en/of

b) [naam slachtoffer 4] (180 euro voor concertkaartjes) en/of

c) [naam slachtoffer 5] (160 euro voor een playstation 4) en/of

d) [naam slachtoffer 6] (150 euro voor een playstation 4) en/of

e) [naam slachtoffer 7] (145 euro voor een Nintendo Switch) en/of

f) [naam slachtoffer 8] (169 euro voor een playstation 4) en/of

g) [naam slachtoffer 9] (50 euro voor een mediamarkt cadeaukaart)

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van bovengenoemde geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zich voorgedaan als aanbieder(s) en/of verkoper(s) van bovengenoemde goederen, in elk geval één of meer goederen, op de internetsite Marktplaats.nl, Market Place en/of op Facebook en/of

- gebruik gemaakt van de/een (valse) identiteit, te weten de naam [valse naam verdachte] (i) en/of

- meermalen gebruik gemaakt van de bank- en/of girorekening(en)(nummers) van (zogenoemde "katvangers"), te weten:

a. a) [naam slachtoffer 2] en/of

b) [naam slachtoffer 3]

- zich voorgedaan als bonafide verkoper(s) en/of

- de indruk gewekt dat hij/zij bovengenoemde goederen in het bezit had(den) en/of

- voornoemde aangevers/gedupeerden voorgehouden/beloofd dat hij/zij bovengenoemde goederen zou(den) leveren na betaling/overschrijving op de rekeningnummer(s) van

bovengenoemde katvanger(s)

waardoor bovengenoemde aangever(s) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- zijn rekeningnummer te verschaffen en/of

- de/het rekeningnummer(s) van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] te verwerven en/of

- voor het verzekeren van de medewerking van voornoemde [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] hiervoor (telkens) aan haar/hen leugens en/of smoezen te vertellen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

- de afgifte van haar/hun bankrekeningnummer(s) en/of

- het overboeken naar de rekening van verdachte van een of meerdere geldbedrag(en) die aan haar/hen waren overgeboekt en/of

- het pinnen van een of meerdere geldbedrag(en) die aan haar/hen waren overgeboekt door voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of voornoemde [naam slachtoffer 3]

- te vragen om hun bankrekening ter beschiking te stellen voor geldstortingen en/of

- haar/hen te vragen om dit geld naar zijn, verdachtes, bankrekening over te maken en/of

- haar/hen te vragen dit geld te pinnen (in zijn aanwezigheid) en/of

- voor het verzekeren van haar/hun medewerking hiervoor (telkens) leugens en/of smoezen te vertellen;

4.

hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Dordrecht, althans in Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, en/of (telkens) heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende

op een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en), was, en/of (telkens) heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2018 tot en met 20 september 2018 te Rotterdam, althans in Nederland een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;