Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4802

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
10/027895-19 / vordering TUL VV: 10/741268-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 30 maanden voor medeplegen afpersing, diefstal in vereniging en poging diefstal in vereniging. Buitensporig geweld toegepast. Pinnen met de bankpas van de aangever en afgeperste pincode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/027895-19

Parketnummer vordering TUL VV: 10/741268-16

Datum uitspraak: 21 mei 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis,

raadsman mr. R. Tetteroo, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/741268-16.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering ten aanzien van feiten 2 en 3

Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van feit 1

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. De verdachte was wel aanwezig in de woning, maar er is onvoldoende overtuigend bewijs dat zij het geweld heeft toegepast.. Daartoe is onder meer van belang dat de verklaringen van de aangever en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] onbetrouwbaar geacht moeten worden nu door het gebruik van verdovende middelen hun waarnemingsvermogen was aangetast.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast. De aangever is in de nacht van 6 november 2018 met een aantal mannen naar de woning aan de [adres delict] in Rotterdam gegaan om aldaar drugs te gebruiken. De aangever heeft daarbij aangegeven dat hij seks wilde hebben. De mannen hebben er toen voor gezorgd dat er twee vrouwen in de woning kwamen. Nadat de aangever met één van de vrouwen in de slaapkamer was geweest, is de sfeer omgeslagen. De aangever is fors mishandeld om hem te bewegen zijn pincode af te geven, de bankpas was al eerder in het bezit gekomen van verdachte en/of haar medeverdachte. De aangever is onder meer met een hamer geslagen, overgoten met heet water en kaarsvet en er werden brandende sigaretten op hem gedrukt. Ook werd hij tegen zijn hoofd geslagen. De aangever heeft uiteindelijk zijn pincode afgegeven, waarna het geweld is gestopt. De verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn daarna vertrokken om te pinnen met de bankpas van de aangever. De aangever is in de woning gebleven. Nadat éénmaal succesvol was gepind en diverse pogingen hiertoe zijn gedaan (de daglimiet van de opnames was bereikt), heeft de aangever uiteindelijk de woning verlaten. Hij is toen direct naar het politiebureau aan het Doelwater in Rotterdam gegaan.

De rol van de verdachte

De verdediging heeft ten aanzien van de verklaringen van de aangever en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] een betrouwbaarheidsverweer gevoerd. De verklaring van de aangever strookt echter met de verklaring van de medeverdachte voor wat betreft het toegepaste geweld. Voorts past het letsel van de aangever, dat door de politie is geconstateerd op het moment dat de aangever zich op 6 november 2018 meldde bij het politiebureau, bij het door de aangever en medeverdachte [naam medeverdachte 1] in hun verklaringen omschreven geweld. Ook het letsel dat zichtbaar is op de in het dossier gevoegde foto’s past bij het door de aangever en de medeverdachte omschreven geweld. De rechtbank neemt waar dat op de foto’s het volgende letsel zichtbaar is: op zijn arm een afdruk van een rode punt met verkleuringen eromheen en twee bloedende wonden, op zijn borst meerdere rode vlekjes tussen het borsthaar, onder zijn oor en in zijn nek rode verkleuringen en donkere puntjes, op zijn schouder een rode verkleuring.

Reeds hieruit volgt dat zowel de aangever als de medeverdachte [naam medeverdachte 1] in staat waren om waar te nemen en te beschrijven wat er is gebeurd, ongeacht hun drugsgebruik. De rechtbank heeft ook overigens geen reden om aan de door de aangever en de medeverdachte afgelegde verklaringen te twijfelen.

Medeverdachte [naam medeverdachte 1] verklaart dat de vrouw die, onder andere, met de hamer heeft geslagen, de vrouw is die ook met hem is gaan pinnen met de bankpas en pincode van de aangever. Door de verdachte is ter zitting bekend dat zij in de woning was en later met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] is gaan pinnen met de bankpas en de pincode van de aangever. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen twijfel over dat het de verdachte was die de aangever met de hamer heeft geslagen en ook anderszins een aandeel heeft gehad in het geweld dat is toegepast.

Wat de raadsman nog heeft opgemerkt over de enkelvoudige fotoconfrontatie met betrekking tot de verdachte en over de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] , kan aan dit oordeel niet afdoen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Zowel de verdachte als de medeverdachte [naam medeverdachte 1] hebben geweld toegepast op de aangever en gezegd dat hij zijn pincode moest geven. Het handelen van de verdachten moet dan ook worden aangemerkt als een gezamenlijk optreden, gericht op de afgifte van de pincode van de aangever.

Op grond van het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het medeplegen van het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

zij op 6 november 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van

de pincode,

die aan die [naam slachtoffer] toebehoorde,

door (meermalen)

- te slaan tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] en

- met een hamer te slaan op een arm, van die

[naam slachtoffer] en

- die [naam slachtoffer] te overgieten met heet water en kaarsvet

en

- een brandende sigaret te duwen in de nek van die [naam slachtoffer] en

- te prikken met een mes in het lichaam van die [naam slachtoffer] ;

2.

zij op 6 november 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

geld (ten waarde van 50 euro),

dat geheel aan een ander dan aan verdachte en

haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en haar mededader(s) dat weg te nemen geld

onder hun bereik hebben gebracht door

middel van een valse sleutel, te weten door bij een geldautomaat van de

Rabobank aan het Binnenwegplein gebruik te maken van een bankpas

en pincode van die [naam slachtoffer] waartoe zij

verdachte en haar medeverdachten, niet gerechtigd waren om die

te gebruiken;

3.

zij op 6 november 2018 te Rotterdam

(meermalen) tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

ter uitvoering van het door verdachte en

haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om

een of meer geldbedrag(en),

dat/die aan een ander dan aan verdachte en

haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] ,

weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en die/dat weg te nemen geldbedrag(en)onder

hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel,

met een bankpas en pincode van die [naam slachtoffer] heeft getracht

geld te pinnen bij

- een geldautomaat van de Rabobank aan de Peppelweg en het

Binnenwegplein te Rotterdam en

- een geldautomaat van de ABN-AMRO aan de Peppelweg te Rotterdam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

3. poging diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met anderen de aangever in een woning te Rotterdam gedwongen tot de afgifte van zijn pincode. Om de pincode te verkrijgen is de aangever mishandeld, waarbij door de verdachte verschillende vormen van buitensporig geweld zijn toegepast. Daarbij heeft zij onder meer gebruik gemaakt van een hamer, brandende sigaretten en heet water. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte niet alleen de pincode van de aangever wilde verkrijgen, maar de aangever ook veel pijn wilde bezorgen. Naar de ervaring leert ondervinden slachtoffers van dit soort gewelddadige berovingen vaak nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan. De verdachte is voornamelijk verantwoordelijk voor het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen en de angst die hem die avond ongetwijfeld is aangejaagd. De verdachte heeft hierbij slechts oog gehad voor haar eigen geldelijke gewin en heeft daarbij geen rekening gehouden met de eventuele gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Nadat de aangever onder dwang zijn pincode had afgegeven, is door de verdachte samen met haar medeverdachte(n) geprobeerd bij verschillende geldautomaten met de bankpas en pincode van aangever geld op te nemen. Alleen omdat de daglimiet was bereikt, is dit slechts eenmaal gelukt. Aangever is dus ook nog financiële schade berokkend.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en een mishandeling.

7.3.1.1. Rapportage

GGZ Reclassering Inforsa Utrecht heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 mei 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De levensstijl van de verdachte bevindt zich al jarenlang in een negatieve spiraal, waarbij middelengebruik centraal staat. Zij kampt al jaren met een excessieve drugsverslaving en er zijn aanwijzingen dat er in het verleden een borderline persoonlijkheidsstoornis is geconstateerd. Eerder is de verdachte door een toenmalige behandelaar omschreven als zorg mijdend bij een levensstijl met veel onderliggende problematiek. Een psychologisch onderzoek wordt door de reclassering aanbevolen om een beter zicht te krijgen op het psychisch functioneren van de verdachte en om eventuele gevarenrisico's beter in beeld te krijgen. De verdachte zegt open te staan voor reclasseringsbegeleiding waarbij ze zegt ondersteund te willen worden bij praktische zaken, zoals het vinden van een dagbesteding en hulp bij de financiële situatie. Haar middelengebruik wordt daarbij niet genoemd en de verdachte lijkt gedurende het gesprek met rapporteur de indruk te hebben willen wekken, dat zij, nu ze 'de laatste tijd' 'minder' drugs gebruikt, haar middelengebruik onder controle heeft. Er is geen inhoudelijke hulpvraag terwijl sprake is van verslavingsproblematiek die op de voorgrond staat in haar leven, waarvan dakloosheid, financiële problemen, criminaliteit en justitiële contacten al jarenlang deel uitmaken. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden nu de verdachte niet beschikt over een verblijfsadres waardoor een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden onuitvoerbaar is.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten is het opleggen van een gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voorts weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat zij het zwaarste aandeel heeft gehad in het op de aangever uitgeoefende geweld en dat zij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen op 6 november 2018.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij mee wil werken aan bijzondere voorwaarden en dat zij na haar detentie kan verblijven bij een vriend waar zij zich ook in kan schrijven. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij goed functioneert in detentie.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de rapportage van de reclassering dat er bij de verdachte onvoldoende inzicht bestaat in haar drugsgebruik en alle problemen die daarmee samenhangen. Ook is in het verleden gebleken dat de verdachte zich niet aan voorwaarden hield. Al met al acht de rechtbank in dit geval het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling meer aangewezen voor de door de verdachte gewenste begeleiding en zij zal daarom geen voorwaardelijk strafdeel opleggen. Gelet hierop zal de rechtbank – zoals door de verdediging subsidiair is bepleit - een gevangenisstraf opleggen voor de door de officier van justitie geëiste duur, maar dan geheel onvoorwaardelijk.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 20 september 2016 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 3 weken, waarvan een gedeelte groot 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 19 juli 2017.

8.2.

Standpunt officier van justitie/standpunt verdediging

De officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van voornoemd vonnis van 20 september 2016.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat zij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 57, 311, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 1 week, van de bij vonnis van 20 september 2016 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf (parketnummer 10/741268-16).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. G.A. Bouter-Rijksen en D.I. Hendriks- van Wel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koreneef, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 6 november 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn

bankpas/creditcard gegevens en/of pincode,

althans ter beschikking stellen van gegevens,

in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan die aan die [naam slachtoffer] of aan een derde toebehoorde,

door (meermalen)

- te slaan en/of te stompen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of

- met een hamer te slaan op een arm, althans het lichaam, van die

[naam slachtoffer] en/of

- die [naam slachtoffer] te overgieten met heet en/of kokend water en/of kaarsvet

en / of

- een brandende sigaret te duwen in de nek van die [naam slachtoffer] en/of

- te prikken met een mes in het lichaam van die [naam slachtoffer] ;

(art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1

Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2.

zij op of omstreeks 6 november 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

geld (ten waarde van 50 euro), in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of

zijn haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of haar zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld

en/of goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van een valse sleutel, te weten door bij een geldautomaat van de

Rabobank aan het Binnenwegplein gebruik te maken van een bankpas

en/of creditcard plus bijbehorende bankpas / creditcardgegevens /

pincode van die [naam slachtoffer] , waartoe zijhij,

verdachte en/of haar zijn medeverdachten, niet gerechtigd was/waren om die

te gebruiken;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

3.

zij op of omstreeks 6 november 2018 te Rotterdam

(meermalen) tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of

haar zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of

haar zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] ,

weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

dat/die weg te nemen geldbedrag(en)/goed/goederen onder

zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel,

met een bankpas/creditcard en/of

bankpas / creditcardgegevens /pincode van die [naam slachtoffer] heeft getracht

geld op te nemen/te pinnen bij

- een geldautomaat van de Rabobank aan de Peppelweg en/of het

Binnenwegplein te Rotterdam en/of

- een geldautomaat van de ABN-AMRO aan de Peppelweg te Rotterdam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1Wetboek van Strafrecht)