Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:478

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
18/1019
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de Wet WIA is niet voorzien in een bevoegdheid voor verweerder om in een situatie als deze de WGA-uitkering te verhalen op een overnemend omslaglid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/1019

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2019 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: R.T. van Baarlen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: W.M.G. van Nieuwburg.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) de aan [naam 1] toekomende WGA-uitkering over de maand juli 2017 ten bedrage van € 1.393,13 op eiseres verhaald.

Bij besluit van 8 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit deels herroepen door bij het verhaal per 18 juli 2017 uit te gaan van een uitkeringspercentage van 50,75%.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. T. Rook.

Overwegingen

1. Mevrouw [naam 1] was in dienst van [naam administratiekantoor] , die voor de uitvoering van de Wet WIA eigenrisicodrager was. In 2014 is aan mevrouw [naam 1] een WGA-uitkering toegekend. In 2016 is de dienstbetrekking van mevrouw [naam 1] beëindigd en is [naam administratiekantoor] overgenomen door

[naam 2] , eigenaar van de eenmanszaak [naam eiseres] . Eiseres is geen eigenrisicodrager, maar een zogenoemd publiek verzekerde werkgever (omslaglid).

2. Bij besluit van 6 maart 2017 heeft verweerder de WGA-uitkering van mevrouw [naam 1] vanaf 1 maart 2017 aan eiseres toegerekend. Bij het primaire en bestreden besluit heeft verweerder deze uitkering op eiseres verhaald. Verweerder meent daartoe gehouden te zijn op grond van artikel 84, derde lid, van de Wet WIA en omdat uit artikel 82, derde lid, van de Wet WIA volgt dat het risico van de betaling van de WGA-uitkering op eiseres rust.

3. De meest verstrekkende beroepsgrond van eiseres is dat in artikel 84 van de Wet WIA aan verweerder niet de bevoegdheid is toegekend om WGA-uitkeringen te verhalen op een omslaglid.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4. Artikel 82, derde lid, van de Wet WIA luidt:

“In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, wordt het risico van de betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde, die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, alsmede het risico van betaling van de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in dat lid, in afwijking van het tweede lid gedragen door de werkgever die de onderneming verkrijgt, indien:

a. de werkgever die de onderneming overdraagt geen eigenrisicodrager is en de werkgever die de onderneming verkrijgt eigenrisicodrager is;

b. de werkgever die de onderneming overdraagt eigenrisicodrager is; of

c. de werkgever die de onderneming overdraagt een werkgever is wiens eigenrisicodragen is beëindigd of geëindigd als bedoeld in het tweede lid.”

Artikel 84, derde lid, van de Wet WIA luidt:

“Indien de eigenrisicodrager de uitkering en de overlijdensuitkering niet betaalt, betaalt het UWV deze uitkering en deze overlijdensuitkering en verhaalt het UWV de uitkering en de overlijdensuitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering en deze overlijdensuitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering en deze overlijdensuitkering in mindering kunnen worden gebracht en de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering en deze overlijdensuitkering, op de eigenrisicodrager. Op de eigenrisicodrager wordt evenwel niet verhaald hetgeen deze, als hij de uitkering en de overlijdensuitkering wel had betaald, op grond van het tweede lid op het UWV had kunnen verhalen.”

5. In beroep (verweerschrift van 8 januari 2018) heeft verweerder te kennen gegeven het bestreden besluit niet volledig te kunnen handhaven, omdat het te verhalen uitkeringspercentage reeds vanaf 17 januari 2017 dient te worden verlaagd.

6. Nu verweerder het bestreden besluit niet langer volledig handhaaft is het beroep gegrond en komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal beoordelen of zij zelf in de zaak kan voorzien.

7. In beroep betoogt verweerder (verweerschrift van 11 september 2018) dat volgens artikel 82, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA eiseres het risico van de WGA-uitkering draagt en dat, hoewel een expliciete regeling van de verhaalsbevoegdheid ontbreekt, deze bevoegdheid uit het wettelijke stelsel voortvloeit.

8. Verweerder kan niet in dit betoog worden gevolgd. Eiseres wijst er terecht op dat in de Wet WIA niet is voorzien in een bevoegdheid voor verweerder om in een situatie als deze de WGA-uitkering te verhalen op een overnemend omslaglid. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 84 van de Wet WIA, waarin wordt verwezen naar de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, vindt de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het ervoor te houden dat het de onmiskenbare bedoeling van de wetgever is geweest om deze bevoegdheid wel aan verweerder toe te kennen.

9. Uit overweging 8 volgt dat verweerder niet bevoegd is om de WGA-uitkering op eiseres te verhalen, zodat er geen grondslag is voor het primaire en bestreden besluit. Andere beroepsgronden van eiseres kunnen daarom buiten bespreking blijven.

10. Eiseres verzoekt om restitutie van verhaalde WGA-uitkering, met vergoeding van wettelijke rente. Dit verzoek dient te worden toegewezen. Voor zover eiseres verhaalde WGA-uitkering aan verweerder heeft betaald, is ingevolge artikel 4:102, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verweerder de wettelijke rente over dat bedrag verschuldigd vanaf de dag dat feitelijk onverschuldigd is betaald tot de terugbetaling.

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift,1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit word herroepen;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de schade die deze lijdt, zoals onder 10 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.048,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr. H. Bedee en

mr. C.L.G.F.H. Albers, leden, in aanwezigheid van mr. A.L.M. van der Meer-van ‘t Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 januari 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.