Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4604

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
C/10/558709 / HA ZA 18-890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortduren hoofdelijke verbondenheid voor hypotheek woning ex-partner naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/558709 / HA ZA 18-890

Vonnis van 29 mei 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.J. Hendriks te 's-Gravenzande.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 september 2018, met producties 1 t/m 3,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de brief van deze rechtbank van 5 december 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald op 19 februari 2019,

  • -

    de brief aan de zijde van de man van 9 januari 2019 met producties 1 t/m 9,

  • -

    de brieven van deze rechtbank van 18 en 26 februari 2018 waarbij de comparitie is afgelast respectievelijk is bepaald op 18 april 2019,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden 18 april 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2006 hebben partijen een affectieve relatie gekregen. Zij zijn vervolgens samen gaan wonen in de koopwoning van de man te Vlaardingen aan het [adres] .

2.2.

Eind 2006 is voor de uitbouw van voormelde koopwoning van de man een nieuwe hypotheeklening - in de vorm van een aflossingsvrije hypotheek zonder enige vorm van vermogensopbouw - voor een bedrag van € 279.500,00 - bij de Postbank afgesloten waarbij de vrouw als hoofdelijk (mede)schuldenaar heeft meegetekend.

2.3.

Medio 2007 is de relatie tussen partijen verbroken.

2.4.

Bij brief van 28 oktober 2016 heeft de vrouw de man verzocht om medewerking aan haar ontslag uit de hypotheekverplichting, zo nodig door middel van verkoop van de woning.

2.5.

Bij brief van 18 november 2016 heeft de man geantwoord dat hij bereid is tot overname van de hypotheek, doch dat zulks helaas onmogelijk is gebleken. Wat betreft de verkoop heeft de man aangegeven daaraan geen medewerking te willen geven.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, om:

I. de man te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis al het nodige in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de vrouw zo spoedig mogelijk wordt ontslagen uit haar hypotheekverplichtingen, eventueel door middel van het afsluiten van een nieuwe hypotheek en, mocht dit binnen een periode van drie maanden niet mogelijk blijken, zo nodig door middel van het verkopen en leveren van de woning aan een derde die bereid is de woning te kopen voor de taxatiewaarde van de woning zoals vastgesteld door een onafhankelijk makelaar die door beide partijen is aangewezen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat niet aan de vordering wordt voldaan met een maximum van € 100.000,00,

II. te bepalen dat de man in de interne verhouding met de vrouw draagplichtig is voor de hypotheekschuld op zijn woning en bijbehorende kosten en aldus de vrouw volledig wordt gevrijwaard voor deze hypotheekschuld.

3.2.

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, een en ander te voldoen binnen veertien na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw legt aan haar vordering als hiervoor weergegeven onder 3.1. sub I ten grondslag de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 juncto artikel 6:8 BW die in het bijzonder ex-partners jegens elkaar behoren te betrachten. Zij stelt daartoe dat de man weliswaar heeft aangegeven bereid te zijn tot het afsluiten van een nieuwe hypotheek zonder de vrouw maar dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen deze te verkrijgen, nu hij kennelijk uitsluitend bij zijn hypotheekadviseur van de ING heeft geïnformeerd. Voorts stelt de vrouw dat zij belang heeft bij het beëindigen van de hoofdelijke verbondenheid zo nodig door verkoop, nu zij inmiddels al weer jaren een gezin vormt met haar nieuwe partner, met wie zij ook is gehuwd, en met wie zij wenst te gaan samenwonen. Daartoe is een geschikt appartement gevonden dat door haar nieuwe partner is aangekocht. Zij wilde zelf een klein appartement er naast kopen, zodat er ruimte zou zijn voor alle kinderen. Dat is tot op heden echter onmogelijk gebleken. Als gevolg van de hoofdelijke verbondenheid voor de hypotheek van haar ex-partner heeft zij, ondanks een toereikend inkomen, zelf geen hypotheeklening kunnen verkrijgen voor de aankoop van dat kleine appartement. Er is een tijdelijke oplossing gevonden door middel van een constructie waarbij haar echtgenoot en zijn moeder een derde deel hebben bijgedragen en het resterende deel is gefinancierd met een lening van haar vader en een financiële bijdrage van haar echtgenoot en zijn moeder. Dit is echter een noodoplossing; zij wenst nog steeds zelf het appartement te kopen. Ten slotte heeft zij gewezen op het financiële risico dat zij loopt zolang zij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire lening van de man. De man heeft een zeer laag inkomen. Door de lage rentestand kan hij thans nog wel voldoen aan de hypothecaire verplichtingen. Dat dit zo blijft is geenszins zeker. Bij stijging van de rente is er een reëel risico dat de man niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen en de vrouw zal worden aangesproken. Daarnaast kan de vrouw worden aangesproken bij overlijden van de man.

4.2.

De man verzet zich tegen toewijzing van de vordering. Hij voert daartoe aan dat op grond van de redelijkheid en de billijkheid gekeken moet worden naar de inspanningsverplichting van de man. De man doet zijn best maar kan niet bewerkstelligen dat de bank de vrouw ontslaat uit haar hypotheekverplichtingen. Herfinanciering van de woning is op basis van het inkomen van de man niet mogelijk gebleken. Bovendien zou dat alleen maar leiden tot onnodige kosten. Van hem kan niet worden verwacht dat hij zijn woning verkoopt, dat is een te grote inbreuk op zijn eigendomsrecht. Bovendien zal het vinden van een ander onderkomen voor hem na verkoop vrijwel onmogelijk zijn, omdat zijn inkomen thans zeer laag is, ongeveer € 1.000,00 netto per maand. De vrouw heeft destijds bewust gekozen voor het medeschuldenaarschap en daarmee heeft zij aanvaard dat deze situatie is ontstaan. Het financieel risico dat de vrouw loopt is volgens de man niet groot: de rente is al jaren laag en als de man komt te overlijden zal bij verkoop alsdan de overwaarde van de woning genoeg zijn om de hypotheek af te lossen.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de man altijd enig eigenaar is geweest van de woning waarop de hypotheek rust, waarvoor de vrouw zich hoofdelijk heeft verbonden. Inbreuk op dit eigendomsrecht is slechts onder bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd. Daarnaast is van belang dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat partijen als hoofdelijk schuldenaren en gewezen partners over en weer rekenschap dienen te geven van elkaars belangen. Het belang van de man is gelegen in handhaving van de status quo, nu het hem vooralsnog niet is gelukt de hypotheek met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijkheid over te sluiten op zijn naam en het vooralsnog onduidelijk is of hij – mede gelet op zijn geringe inkomen – na verkoop een gelijkwaardige andere woning kan vinden. Daar staat tegenover het belang van de vrouw een nieuwe start met haar huidige partner te kunnen maken en een eigen bijdrage te leveren aan de huisvesting van het samengestelde gezin zonder daarbij afhankelijk te zijn van tijdelijke leningen van wederzijdse ouders. De hoofdelijke gebondenheid aan de hypotheek van de man belet haar dat thans. Weliswaar is dit de consequentie van het destijds in 2006 tijdens de kortstondige affectieve relatie tussen partijen aangaan van de overeenkomst, maar inmiddels zijn meer dan tien jaar verstreken. Het komt de rechtbank niet onredelijk voor te verlangen dat eens een einde komt aan deze situatie. Dit geldt te meer nu aan de vrouw moet worden toegegeven dat – juist gelet op de belangen van beide partijen – het moment daartoe thans bij uitstek geschikt lijkt. Niet in geschil is dat de woningmarkt op dit moment gunstig is. Zoals ter zitting is gebleken, gaan beide partijen daarom uit van enige overwaarde van de woning, waardoor het in de lijn der verwachting ligt dat bij verkoop na aflossing van de hypotheek een bedrag voor de man zal resteren, dat hij mogelijk zal kunnen aanwenden voor een nieuwe woning. Voorts dient mee te wegen dat het enkele feit dat sprake is van overwaarde – anders dan de man betoogt – nog niet betekent dat de vrouw dus geen enkel financieel risico loopt. Of de woningmarkt zo gunstig zal blijven, is immers onzeker. Daarbij komt dat zelfs bij gelijkblijvende omstandigheden in de markt – gelet op het geringe netto-inkomen dat de man thans met de werkzaamheden via zijn bedrijf weet te generen, terwijl onzeker is of de situatie zal verbeteren bij het uitsluitend ‘on line’ voortzetten van de zaak – het niet ondenkbaar is dat de man op enig moment niet meer aan zijn financiële verplichtingen zal kunnen voldoen en de vrouw alsnog wordt aangesproken. Het financiële risico dat zij loopt is derhalve niet gering.

De hiervoor weergegeven omstandigheden afwegende - met name gelet op de uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico’s en belemmeringen voor de vrouw, terwijl de relatie reeds meer dan tien jaar geleden is beëindigd - is de rechtbank van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de huidige situatie te laten voortduren. Het belang van de vrouw bij het beëindigen van de hoofdelijke verbondenheid voor de hypotheek op de woning van de man, zo nodig door verkoop, prevaleert daarom boven het belang van de man bij handhaving van de huidige situatie.

4.4.

Het voorafgaande leidt er toe dat de vordering van de vrouw als weergegeven onder 3.1. sub I zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna bepaald.

4.5.

De vordering als hiervoor weergegeven onder 3.1. sub II heeft de man niet gemotiveerd betwist, zodat ook deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

4.6.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man om binnen twee weken na betekening van dit vonnis al het nodige in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de vrouw zo spoedig mogelijk wordt ontslagen uit haar hypotheekverplichtingen, eventueel door middel van het afsluiten van een nieuwe hypotheek en, mocht dit binnen een periode van drie maanden niet mogelijk blijken, zo nodig door middel van het verkopen en leveren van de woning aan een derde die bereid is de woning te kopen voor de taxatiewaarde van de woning zoals vastgesteld door een onafhankelijk makelaar die door beide partijen is aangewezen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat niet aan de vordering wordt voldaan met een maximum van € 50.000,00,

5.2.

bepaalt dat de man in de interne verhouding met de vrouw draagplichtig is voor de hypotheekschuld op zijn woning en bijbehorende kosten en aldus de vrouw volledig wordt gevrijwaard voor deze hypotheekschuld,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.

11515/2438

1 type: coll: