Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:448

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
10/960078-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Aanvulling op het op 20 februari 2018 gegeven bevel tot gevangenneming ter uitlevering aan Nederland (ECLI:NL:RBROT:2018:2821) van een vrouwelijke verdachte die vast zit in een kamp in het noordoosten van Syrië. Zij wordt verdacht van deelname aan een terroristische organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960078-16

Lurisnummer: OVL-U-2016033676

Raadkamernummer: 18/6

Aanvulling op het bevel gevangenneming van 20 februari 2018

De meervoudige raadkamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam heeft zich beraden over een nadere formulering en precisering van de beslissing van de rechtbank van 20 februari 2018 ten aanzien van de gevangenneming van:

[Naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

domicilie kiezende te [adres] , op het kantoor van haar raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma,

verder te noemen: de verdachte.

De officier van justitie mr. A.M.F. van Veghel en de raadsvrouw van de verdachte mr. T.M.D. Buruma zijn bij de behandeling in raadkamer op 8 januari 2019 gehoord.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 2 januari 2018 heeft de verdachte bij monde van haar toenmalige raadsman mr. B. Stapert op grond van artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verzocht een verklaring af te geven dat haar strafzaak is geëindigd. Subsidiair werd verzocht de officier van justitie de opdracht te geven haar naar Nederland te doen overbrengen teneinde haar vervolging te realiseren.

De rechtbank heeft, op vordering van de officier van justitie en na de raadsman hierover te hebben gehoord, op 20 februari 2018 een bevel tot gevangenneming ter uitlevering (lees: feitelijke overdracht) van de verdachte afgegeven. De rechtbank heeft in dit bevel aangegeven op welke wijze aan dit bevel uitvoering dient te worden gegeven.

De officier van justitie heeft op 28 februari 2018 een brief naar de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) gezonden met een afschrift van het bevel gevangenneming. De Minister heeft het bevel gevangenneming vervolgens op 6 juni 2018 aan de Koerdische autoriteiten in Noord-Syrië doen toekomen.

Voor zover bekend, is er nog geen gevolg gegeven aan het bevel tot gevangenneming en zit de verdachte nog steeds gevangen in een vluchtelingenkamp in het noorden van Syrië, namelijk het vluchtelingenkamp in [plaats 1] waarnaar zij enige tijd geleden vanuit het kamp [kamp] is overgebracht. Het vluchtelingenkamp in [plaats 1] staat onder controle van de Koerdische volksbeschermingseenheden (de YPG). De verdachte zou daar verblijven met twee minderjarige kinderen, van wie er één in dit kamp zou zijn geboren.

Voor zover thans is gebleken, zijn er door de Nederlandse autoriteiten ook geen verdere inspanningen verricht met het oog op het bewerkstelligen van een gecontroleerde overdracht van de verdachte aan de Nederlandse autoriteiten en begeleiding naar Nederland.

De raadsvrouw heeft gewezen op de recente internationale ontwikkelingen in het gebied, in het bijzonder op de aangekondigde terugtrekking van Amerikaanse strijdkrachten uit het gebied. Door het wegvallen van de Amerikaanse steun aan de Koerdische strijdkrachten zouden de machtsverhoudingen in het gebied ten nadele van de Koerden kunnen verschuiven, met als gevolg dat de verdachte uit beeld verdwijnt.

Alles afwegende ziet de rechtbank thans aanleiding om, in aanvulling op het eerder gegeven bevel tot gevangenneming, concrete aanwijzingen te geven ten aanzien van de inspanningen die moeten worden verricht om de uitlevering dan wel de feitelijke overdracht van de verdachte aan Nederland mogelijk te maken.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING

De rechtbank:

draagt de officier van justitie op al het nodige te doen om het er toe te leiden dat door of in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid voor zover mogelijk alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om te bewerkstelligen dat

- (1) (1) de verdachte zal worden overgebracht naar de grens met Irak, naar de Koerdische Autonome Regio,

(2) de autoriteiten van de Koerdische Autonome Regio daar gereed zullen staan en de verdachte daar op basis van de internationale signalering aan zullen houden en vervolgens zullen overbrengen naar het Nederlandse consulaat-generaal in [plaats 2] ,

(3) de verdachte vervolgens via het Nederlandse consulaat-generaal in [plaats 2] zal worden overgebracht naar Nederland,

met het doel de aanhouding, strafrechtelijke vervolging en berechting van de verdachte in Nederland mogelijk te maken;

- en hierbij door de Nederlandse autoriteiten met de Iraakse autoriteiten zal worden overeengekomen dat (in verband met de mogelijkheid van oplegging van de doodstraf in Irak) wordt gegarandeerd dat de verdachte niet in Irak zal worden vervolgd.

Aldus gedaan met gesloten deuren op 8 januari 2019 door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier.

De jongste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Afschrift raadsman/vrouw d.d.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikkingen brengt deze ter kennis van verdachte.

Rotterdam, de OvJ

Gezien op: dir. HvB/PI