Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4366

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
15.1502 ea
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking inzake afkoop levensverzekering. Schuldenaar heeft zich verzet tegen afkoop levensverzekering. De rechter-commissaris heeft toestemming verleend de levensverzekering af te kopen nu een volledige AOW-uitkering in beginsel wordt aangemerkt als een voldoende voorziening voor het levensonderhoud na pensionering.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 22a
Faillissementswet 295
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

insolventienummer: C/10/16/1025 R

Beschikking in de schuldsaneringsregeling van:

[schuldenaar]

[adres]

[woonplaats]

schuldenaar

rechter-commissaris: mr. A.M. van Kalmthout,

bewindvoerder: N. Pavljasevic.

1 Het verzoek

Bij brief van 22 maart 2019 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris verzocht over te mogen gaan tot afkoop van een levensverzekering.

Op 16 mei 2019 zijn de schuldenaar en de waarnemend bewindvoerder, de heer T.P.F. Eisses,

gehoord op genoemd verzoek.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek van de bewindvoerder

De bewindvoerder heeft bij brief van 22 maart 2019 bericht dat de afkoopwaarde van de levensverzekering ten name van schuldenaar bij Fortis ASR Levensverzekering N.V. met polisnummer [X] per 29 januari 2019 € 46.290,79 bedraagt. Bij afkoop van de polis zal geen belasting worden ingehouden. De polis is jaarlijks in box 3 in de aangifte inkomstenbelasting verwerkt. Schuldenaar betaalt geen premie meer.

De bewindvoerder meent dat schuldenaar niet onredelijk wordt benadeeld door de afkoop van de verzekering. Schuldenaar is 47 jaar en is gezien zijn leeftijd in staat een nieuwe verzekering af te sluiten. Tevens blijkt uit het door schuldenaar verstrekte pensioenoverzicht dat hij vooralsnog recht heeft op een volledige AOW-uitkering. Tot slot bouwt schuldenaar bij zijn huidige werkgever pensioen op.

3 Het standpunt van schuldenaar

Schuldenaar heeft ter terechtzitting van 16 mei 2019 gemeld niet in staat te zijn om de polis voort te zetten tegen betaling van de afkoopwaarde aan de boedel. Schuldenaar verzet zich tegen de afkoop van de verzekering nu zowel de curator ten tijde van zijn faillissement als de bewindvoerder niet eerder om afkoop van de verzekering hebben verzocht. Daarnaast hebben zowel de schuldeisers als de uitkerende instantie niet verzocht om de polis af te kopen. Schuldenaar heeft de polis afgesloten in de tijd dat hij ondernemer was als pensioenvoorziening. Verder heeft schuldenaar bevestigd dat hij naar verwachting een volledige AOW-uitkering zal ontvangen, en dat hij bij zijn huidige werkgever pensioen opbouwt.

4. De beoordeling

Op grond van artikel 22a van de Faillissementswet (hierna: Fw) jo. artikel 295, lid 6 Fw valt het recht van afkoop van een levensverzekering buiten de boedel voor zover de begunstigde of de verzekeringsnemer door afkoop onredelijk wordt benadeeld.

Voorwaarde voor afkoop is dat schuldenaar een recht op afkoop heeft; artikel 22a Fw geeft de bewindvoerder ook met toestemming van de rechter-commissaris geen zelfstandig recht op afkoop. Tussen partijen is niet in geschil dat afkoop mogelijk is, zodat de rechter-commissaris daarvan uitgaat.

Bij de beoordeling of afkoop onredelijk benadelend is, dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen. Een zwaarwegend element daarbij betreft, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 22a Fw, de vraag of het gaat om een verzekering met een verzorgingskarakter en zo ja, of de begunstigde nog andere aanspraken heeft, zoals ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezen Wet en andere pensioenregelingen, lijfrente en dergelijke. Als de verzekering is bedoeld als oudedagsvoorziening zal in de regel moeten worden aangenomen dat uitwinning zal leiden tot onredelijke benadeling indien er geen andere aanspraken zijn. Zodra de verzekering niet de enige oudedagsvoorziening is, zal afkoop in de regel eerder kunnen worden toegestaan (Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995. 22969, nr. 20, p. 6).

Tegen deze achtergrond overweegt de rechter-commissaris als volgt.

Schuldenaar komt naar verwachting in aanmerking voor een volledige AOW-uitkering. Een volledige AOW-uitkering wordt in beginsel aangemerkt als een voldoende voorziening voor het levensonderhoud na pensionering. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is gesteld noch gebleken. Reeds hierom kan afkoop van de betreffende verzekering niet als onredelijk benadelend voor schuldenaar worden aangemerkt. Daarnaast bouwt schuldenaar in zijn huidige (fulltime) baan ook pensioenrechten op en heeft hij na afloop van de schuldsaneringsregeling nog geruime tijd de mogelijkheid om – desgewenst – een extra voorziening te treffen.

Tot slot is van belang dat er voor ruim € 145.000,- aan voorlopige erkende schuldvorderingen is ingediend bij de bewindvoerder en dat het actief thans circa € 16.000,- bedraagt; het belang bij afkoop voor de boedel is daarom evident.

Een en ander leidt tot het oordeel dat schuldenaar niet onredelijk wordt benadeeld door de afkoop van de betreffende verzekering. Dat afkoop niet in een eerder stadium is voorgesteld, doet daaraan niet af. Het verzoek van de bewindvoerder om deze verzekering af te kopen wordt dan ook toegewezen.

5 De beslissing

De rechter-commissaris:

- bepaalt dat de levensverzekering bij Fortis ASR Levensverzekering N.V. met polisnummer [X] ten name van schuldenaar op grond van artikel 22a Fw jo. artikel 295 lid 5 Fw mag worden afgekocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van Kalmthout, rechter-commissaris, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2019.1

1 Tegen deze beslissing kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende vijf dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de beschikking is gegeven, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de rechtbank die van deze zaak kennis moet nemen.