Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:434

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
C/10/527393 / HA ZA 17-507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen van erven tegen de executeur-afwikkelingsbewindvoerder van een nalatenschap. Samenhang met geschillen over verdeling tussen de erven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0027
Jurisprudentie Erfrecht 2019/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/527393 / HA ZA 17-507

Vonnis van 2 januari 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te Hendrik-Ido-Ambacht,

2. [eiser 2],

wonende te Alphen aan den Rijn,

eisers,

advocaat mr. M.C.J.G. Kathmann te Breda,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H.T. Kernkamp te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden. [eiser 1] c.s. zullen in navolging van partijen afzonderlijk als [eiser 1] en [eiser 2] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 mei 2017, met producties;

  • -

    de exceptio plurium litis consortium, tevens houdende conclusie van antwoord, van 6 september 2017, met producties;

  • -

    de brief van 27 september 2017 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de brieven van 10 oktober 2017, 4 januari 2018 en 26 juni 2018 van de rechtbank inzake het plannen van de comparitie van partijen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 14 augustus 2018;

  • -

    de brief van 17 september 2018 van mr. Kathmann naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de pleitnotities van 14 augustus 2018 van mr. Kathmann;

  • -

    de brief van 15 oktober 2018 van mr. Kathmann, met de producties A en B;

  • -

    de antwoordakte van 31 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. Dit vonnis wordt gewezen op dezelfde dag als het vonnis in de zaak met zaak-/rolnummer C/10/527395 / HA ZA 17-508 tussen (alleen) [eiser 1] als eiser en [gedaagde] als gedaagde, welke zaak eveneens ter comparitie van partijen van 14 augustus 2018 is behandeld.

2 De feiten

2.1.

Mevrouw [naam erflaatster] , geboren op [geboortedatum erflaatster] te Rotterdam (hierna: erflaatster) is op 26 januari 2014 te Rotterdam overleden. Erflaatster was de weduwe van de heer [naam 1] (hierna: de heer [naam 1] ). De heer [naam 1] , geboren op [geboortedatum] te Rotterdam , is te Rotterdam overleden op 17 september 1988. Het huwelijk van erflaatster en de heer [naam 1] is ontbonden door het overlijden van de heer [naam 1] .

2.2.

Erflaatster en de heer [naam 1] hadden samen drie meerderjarige kinderen: [eiser 1] (geboren op 10 april 1949), mevrouw [dochter erflaatster] (hierna: [dochter erflaatster] ) (geboren op 23 december 1950) en [eiser 2] (geboren op 4 maart 1958).

2.3.

Erflaatster had voor haar overlijden een testament gemaakt. Het testament dateert van 6 september 2002. De akte is verleden voor [gedaagde] , destijds notaris te Rotterdam.

2.4.

Erflaatster heeft haar drie kinderen tot enige erfgenamen benoemd (hierna: de erven). Erflaatster heeft [eiser 1] "in de legitieme" gesteld, berekend volgens de wet zoals deze luidt per de dag van haar overlijden.

2.5.

Erflaatster heeft [gedaagde] tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder benoemd. Het testament vermeldt daarover:

"Dit door mij voor dat geval in een gemeenschappelijk belang van de erfgenamen ingesteld bewind, geeft mijn executeur-afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid om binnen twee jaar na de dag waarop mijn nalatenschap is opengevallen, als vertegenwoordiger van mijn erfgenamen een verdeling van mijn nalatenschap tot stand te brengen. Mijn executeur-afwikkelingsbewindvoerder mag bij deze verdeling naar eigen inzicht de betreffende verdeling - ook partieel - tot stand brengen."

2.6.

[gedaagde] heeft de benoeming tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.

2.7.

Tot de nalatenschap behoorde een woning met eenvoudige inboedel, contanten, een effectenportefeuille en een vordering van € 600.000 op Bram Stolk Foodservice V.O.F. en haar vennoten, de heren [naam 2] en [kleinzoon erflaatster] .

2.8.

Over de afwikkeling van de nalatenschap zijn geschillen gerezen tussen de erven. In dat verband is door [eiser 1] en [eiser 2] een procedure voor deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen [dochter erflaatster] . In die procedure is op 24 augustus 2016 een eindvonnis gewezen (productie 1 bij conclusie van antwoord). Bij dat vonnis zijn de over en weer ingestelde vorderingen afgewezen. Het vonnis is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

"I. te bepalen dat [gedaagde] op grond van artikel 4:163 BW jo. artikel 6:74 lid 1 BW jegens [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk is vanwege het verwijtbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder en het niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen van een executeur-afwikkelingsbewindvoerder;

II. te bepalen dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] op grond van artikel 4:146 lid 2 BW jo. artikel 4:160 lid 1 BW een volledige en met stukken onderbouwde boedelbeschrijving dient op te maken en deze dient te verstrekken aan [eiser 1] en [eiser 2] ;

III. te bepalen dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] op grond van artikel 4:148 BW aan [eiser 1] en [eiser 2] alle door hen gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak dient te verstrekken;

IV. te bepalen dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] op grond van artikel 4:151 BW jo. artikel 4:161 lid 1 BW aan [eiser 1] en [eiser 2] volledig, schriftelijk en met stukken onderbouwd rekening en verantwoording [dient] af te leggen, waaronder het herstel door [gedaagde] van de door hem gemaakte fouten moet worden begrepen;

V. [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat hij na betekening van het vonnis niet voldoet aan het gevorderde onder II., III. en IV.;

VI. de verdeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. vast te stellen overeenkomstig artikel 3:185 BW, waarbij de gehele vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1,- wordt toegedeeld aan [eiser 1] , althans te bepalen dat [gedaagde] NautaDutilh de opdracht dient te geven de in december 2014 opgestelde conceptakten waarbij de gehele vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1,- wordt toegedeeld aan [eiser 1] gevolgd door de cessie van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1,- door [eiser 1] aan Ambema B.V. alsnog te passeren;

VII. te bepalen dat [gedaagde] vanwege onterecht ten laste van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] gebrachte kosten (€ 13.560,13 (honorarium Loyens & Loeff en NautaDutilh) + € 318,33 (executeursloon) + p.m. =) € 13.878,46 + p.m. is verschuldigd en dient te betalen aan de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] , althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te betalen binnen één week na de datum van het vonnis van uw rechtbank, althans te betalen binnen een andere termijn als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het vonnis van uw rechtbank tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

VIII. te bepalen dat [eiser 1] vanwege het door [gedaagde] verwijtbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder en de door [eiser 1] als gevolg daarvan geleden schade een vordering heeft op [gedaagde] ten bedrage van € 3.320,64 + p.m. (inkomstenbelasting), zodat [gedaagde] dat bedrag van € 3.320,64 + p.m. is verschuldigd en dient te betalen aan [eiser 1] , althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te betalen binnen één week na de datum van het vonnis van uw rechtbank, althans te betalen binnen een andere termijn als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het vonnis van uw rechtbank tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

IX. te bepalen dat [eiser 2] vanwege het door [gedaagde] verwijtbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder en de door [eiser 2] als gevolg daarvan geleden schade een vordering heeft op [gedaagde] ten bedrage van € 5.539,68 + p.m. (inkomstenbelasting), zodat [gedaagde] dat bedrag van € 5.539,68 + p.m. is verschuldigd en dient te betalen aan [eiser 2] , althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te betalen binnen één week na de datum van het vonnis van uw rechtbank, althans te betalen binnen een andere termijn als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het vonnis van uw rechtbank tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

X. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen en verhoogd met € 68,- in geval van betekening, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening".

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 dagen na het uitspreken van het vonnis.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser 1] c.s. stellen dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van erflaatster op grond van artikel 4:163 BW juncto artikel 6:74 lid 1 BW jegens hen aansprakelijk is vanwege het verwijtbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder en het niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen van een executeur-afwikkelingbewindvoerder. Uit de dagvaarding onder 1 begrijpt de rechtbank dat [eiser 1] c.s. dit aanmerken als de kern van het geschil. Nu de rechtbank echter dient te beslissen op de onder 3.1 hiervoor weergegeven door [eiser 1] c.s. bij dagvaarding geformuleerde vorderingen zal de rechtbank hierna achtereenvolgens die vorderingen en de door [gedaagde] daartegen gevoerde verweren behandelen.

Ad I

te bepalen dat [gedaagde] op grond van artikel 4:163 BW jo. artikel 6:74 lid 1 BW jegens [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk is vanwege het verwijtbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder en het niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen van een executeur-afwikkelingsbewindvoerder

4.2.

Kennelijk beogen [eiser 1] c.s. hiermee een verklaring voor recht te vorderen. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Uit de vordering valt niet af te leiden waarop het gestelde tekortschieten en het gestelde niet voldoen aan wettelijke verplichtingen betrekking heeft. [gedaagde] wijst er terecht op dat deze vordering te onbepaald is. Tegen een dergelijke onbepaalde vordering kan een gedaagde zich niet adequaat verweren. Van [eiser 1] c.s. mocht worden verwacht dat zij hun vordering zo zouden formuleren dat daarin tot uitdrukking was gebracht ten aanzien van welk gesteld concreet tekortschieten van [gedaagde] zij een verklaring voor recht vorderen.

Ad II

te bepalen dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] op grond van artikel 4:146 lid 2 BW jo. artikel 4:160 lid 1 BW een volledige en met stukken onderbouwde boedelbeschrijving dient op te maken en deze dient te verstrekken aan [eiser 1] en [eiser 2]

4.3.

Ook deze vordering zal worden afgewezen. Niet in geschil is dat de bewindvoerder gehouden is een beschrijving op te maken van de goederen waarop het bewind betrekking heeft. [gedaagde] heeft echter onbetwist aangevoerd dat hij een dergelijke beschrijving heeft gemaakt en dat hij die aan [eiser 1] c.s. heeft verstrekt. [gedaagde] heeft dat met de door hem overgelegde stukken bovendien aangetoond. Dat [eiser 1] c.s. niet tevreden waren met die beschrijving doet daar niet aan af. Ter toelichting wijst de rechtbank op het volgende.

4.4.

Op 14 januari 2015 heeft [gedaagde] de erven een beschrijving van de nalatenschap van de erflaatster per overlijdensdatum toegezonden (productie 5 bij conclusie van antwoord). Op 10 februari 2017 heeft [gedaagde] de erven een overzicht van de nalatenschap per overlijden van de erflaatster alsmede de rekening en verantwoording van de financiële afwikkeling van de nalatenschap toegezonden.

4.5.

De conclusie van antwoord vermeldt onder 2.11 dat voornoemd overzicht van 10 februari 2017 als productie 8 is overgelegd. Feitelijk was echter slechts de begeleidende brief van 10 februari 2017 overgelegd. Dit heeft de rechtbank ter comparitie van partijen met partijen besproken.

4.6.

[eiser 1] c.s. hebben ter zitting erkend dat zij meerdere overzichten van [gedaagde] hebben ontvangen. Zij achtten deze echter warrig, onduidelijk en niet gestructureerd.

4.7.

Het proces-verbaal van de zitting van 14 augustus 2018 vermeldt naar aanleiding van hetgeen met partijen is besproken het volgende:

"De rechter bepaalt na overleg met partijen dat gedaagde de rekening en verantwoording inclusief de berekening van het executeursloon en het overzicht van de nalatenschap bij overlijden zo spoedig mogelijk aan eisers toestuurt. De beide zaken zullen worden verwezen naar de rol van – in verband met vakantie – 17 oktober 2018 voor het nemen van een akte overlegging en uitlating producties aan de zijde van de eisende partijen. Bij die akte zullen voornoemde stukken van gedaagde door eisers worden overgelegd, inclusief hun eventuele commentaar daarop. Daarna zullen de beide zaken op de rol komen van 31 oktober 2018 voor antwoordakte aan de zijde van gedaagde, waarbij gedaagden zich over die stukken en dat eventuele commentaar zal kunnen uitlaten. Nadien zal in beide zaken in beginsel vonnis worden bepaald."

4.8.

[eiser 1] c.s. hebben naar aanleiding van deze instructie bij brief van 15 oktober 2018 van hun advocaat twee producties overgelegd. Productie A betreft de stukken die door [gedaagde] zijn verstrekt. Productie B betreft het commentaar van [eiser 1] c.s., althans van [eiser 1] , op de van [gedaagde] ontvangen stukken. [gedaagde] heeft bij antwoordakte van 31 oktober 2018 gereageerd.

4.9.

[gedaagde] wijst er in de visie van de rechtbank terecht op dat van [eiser 1] c.s. mocht worden verwacht dat hun advocaat conform de instructie van de rechtbank naar aanleiding van de overgelegde rekening en verantwoording bij akte uitlating (alsnog) specifiek en concreet zijn eventuele juridisch relevante commentaar zou formuleren. Partijen procederen voor team handel en haven van de rechtbank, met verplichte bijstand van een advocaat. Door partijen zelf opgestelde producties kunnen niet dienen als vervanging van een door de gestelde advocaat in te dienen inhoudelijk processtuk. Uiteraard mogen dergelijke producties worden overgelegd, maar dan zal de advocaat in het begeleidende processtuk dienen aan te geven welke passages uit dergelijke producties dienen ter onderbouwing van concreet ingestelde vorderingen. Zulks opdat de wederpartij precies weet waartegen zij zich dient te verweren en de rechtbank kan bepalen waarover zij dient te oordelen. Dat geldt temeer in een geval als het onderhavige waarin een veelheid aan vorderingen is ingesteld, welke bij dagvaarding (nog) niet zijn voorzien van een voldoende specifieke en concrete onderbouwing.

4.10.

Uit de overgelegde producties en uit de toelichting van de zijde van [gedaagde] blijkt dat [gedaagde] op 10 februari 2017 rekening en verantwoording aan de erven heeft afgelegd. De rekening en verantwoording bestaat uit:

I. Specificatie nalatenschap per overlijdensdatum;

II. Rekening en verantwoording afwikkeling nalatenschap mevrouw [naam erflaatster] ;

III. Berekening van het aan [eiser 1] toekomende na verwerking van nagekomen baten en lasten;

IV. Berekening van het aan mevrouw [dochter erflaatster] en de heer [eiser 2] toekomende na verwerking van nagekomen baten en lasten;

Bijlage A. Ontvangsten per bank na overlijden, exclusief verrekening opbrengst verkoop appartement;

Bijlage B. Betalingen per bank na overlijden;

Bijlage C. Effecten;

Bijlage D. Specificatie ontruimingskosten;

Bijlage E. Opgave uitkeringen.

4.11.

Als bijlage bij het gespecificeerde overzicht had [gedaagde] een groot aantal documenten meegezonden, zodat de erven zich van de juistheid van de opgave konden overtuigen.

4.12.

De rechtbank deelt niet de visie van [eiser 1] c.s. dat het door [gedaagde] opgestelde stuk warrig, onduidelijk en niet gestructureerd is. De rechtbank begrijpt uit de door [eiser 1] c.s. overgelegde productie B echter dat [eiser 1] c.s. niet overtuigd zijn van de juistheid en de volledigheid van de rekening en verantwoording en de daarin vervatte berekening van het executeursloon. Wat daar ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat uit de wet voor [gedaagde] geen verplichting voortvloeit om nog een nadere met stukken onderbouwde boedelbeschrijving op te maken en te verstrekken aan [eiser 1] c.s.

Ad III.

te bepalen dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] op grond van artikel 4:148 BW aan [eiser 1] en [eiser 2] alle door hen gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak dient te verstrekken

4.13.

Artikel 4:148 BW bepaalt dat de executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Nu dit in de wet is bepaald hebben [eiser 1] c.s. reeds om die reden geen belang bij een verklaring voor recht met die inhoud.

4.14.

Indien [eiser 1] c.s. van oordeel waren dat [gedaagde] bepaalde concrete inlichtingen over de uitoefening van zijn taak heeft geweigerd te verstrekken dan had het op hun weg gelegen om dat voldoende concreet en specifiek te stellen. Dan had [gedaagde] zich daarover kunnen uitlaten en had de rechtbank daarover een oordeel kunnen vellen. [eiser 1] c.s. hebben een niet voldoende specifieke vordering ingesteld. Voorts ontbreken voldoende specifieke stellingen ter onderbouwing van de vordering. De vordering zal worden afgewezen.

Ad IV

te bepalen dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] op grond van artikel 4:151 BW jo. artikel 4:161 lid 1 BW aan [eiser 1] en [eiser 2] volledig, schriftelijk en met stukken onderbouwd rekening en verantwoording [dient] af te leggen, waaronder het herstel door [gedaagde] van de door hem gemaakte fouten moet worden begrepen;

4.15.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] reeds rekening en verantwoording heeft afgelegd. Dat die rekening en verantwoording niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, kan de rechtbank uit de stellingen van [eiser 1] c.s. niet opmaken. De vordering zal worden afgewezen.

Ad V

[gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat hij na betekening van het vonnis niet voldoet aan het gevorderde onder II., III. en IV.

4.16.

Nu het gevorderde onder II., III. en IV. zal worden afgewezen, zal uiteraard ook deze vordering worden afgewezen.

Ad VI

de verdeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. vast te stellen overeenkomstig artikel 3:185 BW, waarbij de gehele vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1,- wordt toegedeeld aan [eiser 1] , althans te bepalen dat [gedaagde] NautaDutilh de opdracht dient te geven de in december 2014 opgestelde conceptakten waarbij de gehele vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1,- wordt toegedeeld aan [eiser 1] gevolgd door de cessie van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1,- door [eiser 1] aan Ambema B.V. alsnog te passeren

4.17.

De verdeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. heeft reeds plaatsgevonden. Eerder zijn tussen de erven, dat wil zeggen tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [dochter erflaatster] anderzijds, geschillen gerezen over de door [gedaagde] tot stand gebrachte verdeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. Daarover is tussen de erven geprocedeerd voor deze rechtbank. Die procedure is uitgemond in het hiervoor onder 2.8 genoemde eindvonnis van 24 augustus 2016. Dat vonnis vermeldt onder meer het volgende:

"2.1.3. [gedaagde] , oud-notaris te Rotterdam (hierna: [gedaagde] ), is tot executeur met recht van bezit tevens afwikkelingsbewindvoerder benoemd, met de bevoegdheid als vertegenwoordiger van de erven binnen twee jaren na het openvallen een verdeling vast te stellen. [gedaagde] heeft deze benoeming aanvaard.

2.1.4.

Tot de nalatenschap behoort een (rentedragende) vordering op Bram Stolk Foodservice VOF groot € 600.000,-. Moeder heeft dit bedrag op 7 augustus 2012 uitgeleend aan haar kleinzoon [naam kleinzoon] (zoon van [dochter erflaatster] ) en zijn medevennoot in Bram Stolk foodservice VOF. De lening is op 7 augustus 2022 opeisbaar.

2.1.5.

Bij onderhandse akte van schuldvernieuwing en partiele verdeling van 22 juni 2015 heeft [gedaagde] de vordering omgezet in een vordering van € 100.000,- en twee vorderingen van € 250.000,- ieder en deze vorderingen toegedeeld aan [eiser 1] , [eiser 2] respectievelijk [dochter erflaatster] . Van de toedeling is mededeling gedaan aan Bram Stolk Foodservice VOF.

2.1.6.

[gedaagde] heeft het nog onverdeelde (zuiver) saldo van de nalatenschap op 6 oktober 2015 berekend op een bedrag van € 1.099.729,- (na aftrek van erfbelasting) en heeft hiervan aan [eiser 1] uitgekeerd € 183.289,- en aan ieder van [eiser 2] en [dochter erflaatster] € 458.220,-.

2.2.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen - kort gezegd - dat de partiële verdeling na schuldvernieuwing (splitsing) van de vordering op Bram Stolk Foodservice VOF geen rechtsgevolg heeft omdat voordien reeds tussen alle erven was overeengekomen de vordering voor een bedrag van € 1,- toe te delen aan [eiser 1] althans dat [dochter erflaatster] een boedelvolmacht had verleend aan [eiser 1] en [eiser 2] tot verdeling van de vordering op deze wijze. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] kan deze wilsovereenstemming worden afgeleid uit de mededeling in een e-mail van 23 juli 2014 van [dochter erflaatster] aan [gedaagde] : Voor wat het overige in uw voorstel: ik sluit me geheel aan bij wat [eiser 1] en [eiser 2] hierin besluiten. Bovendien is door toedeling van de gesplitste vorderingen het belang van [eiser 1] en [eiser 2] onvoldoende gewaarborgd.

2.3.

[dochter erflaatster] betwist dat zij heeft ingestemd met deze toedeling. De e-mail van 23 juli 2014 is een antwoord op een
e-mail van [gedaagde] van 23 juli 2014 aan alle erven. In deze e-mail wordt toedeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice VOF aan [eiser 1] en [eiser 2] niet aan de orde gesteld. Uit haar antwoord mail van 23 juli 2014 kan dan ook geen instemming met toedeling aan [eiser 1] en [eiser 2] voor € 1,- dan wel een daartoe strekkende volmacht worden afgeleid, aldus [dochter erflaatster] .

2.4.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. [eiser 1] en [eiser 2] hebben onvoldoende onderbouwd dat reeds vóór de verdeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice VOF bij akte van 22 juni 2015 tussen alle erven overeenstemming was bereikt over toedeling van deze vordering aan [eiser 1] en [eiser 2] voor € 1,-. [eiser 1] en [eiser 2] konden aan de e-mail van [dochter erflaatster] van 23 juli 2014 redelijkerwijze niet de betekenis toekennen dat [dochter erflaatster] akkoord ging met toedeling van de vordering aan [eiser 1] en [eiser 2] voor € 1,- dan wel dat zij een daartoe strekkende boedelvolmacht had verleend aan [eiser 1] en [eiser 2] . De tekst van de e-mail wisseling van [gedaagde] met [dochter erflaatster] van die datum bevat hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Ook overigens hebben [eiser 1] en [eiser 2] onvoldoende toegelicht uit welke andere verklaringen of gedragingen van [dochter erflaatster] zij dan wel toestemming of een volmacht konden afleiden. Uit de gedingstukken valt veeleer op te maken dat de erven in juli 2014 nog in gesprek waren (met [gedaagde] ) over de beste wijze van omgang met de vordering op Bram Stolk Foodservice VOF en dat een oplossing nog niet was uitgekristalliseerd. Evenmin hebben [eiser 1] en [eiser 2] voldoende toegelicht dat [gedaagde] de belangen van de gezamenlijke erven niet deugdelijk heeft behartigd door de splitsing en toedeling van de vordering. In het bijzonder hebben zij niet toegelicht dat het verhaalsrisico voor de rente en te zijner tijd de aflossing door de splitsing is vergroot.

2.5.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben derhalve niet onderbouwd dat [gedaagde] zijn mandaat als afwikkelingsbewindvoerder heeft overschreden door de vordering na splitsing pro rata tussen de erven te verdelen. [eiser 1] en [eiser 2] zijn gebonden aan deze verdeling. De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] strekt ook niet tot vernietiging van de verdeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice VOF."

4.18.

Nu verdeling van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. reeds heeft plaatsgevonden, dient de nieuwe vordering tot verdeling reeds om die reden te worden afgewezen. Nu dit onderdeel van de door [gedaagde] tot stand gebrachte verdeling tussen de erven echter ook van wezenlijk belang lijkt te zijn voor (het ontstaan van) de (overige) geschillen tussen [eiser 1] c.s. en [gedaagde] , zal de rechtbank er niettemin nader op ingaan.

4.19.

De vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. heeft de volgende achtergrond. Op 7 augustus 2012 heeft erflaatster bij onderhandse overeenkomst een geldlening van € 600.000 verstrekt aan Bram Stolk Foodservice V.O.F. Op 9 november 2012 is deze geldlening opgenomen in een notariële akte van geldlening, verleden voor mr. S.W. Stigter, notaris te Capelle aan den IJssel. Firmanten van deze vennootschap onder firma zijn de heren [kleinzoon erflaatster] (hierna: [kleinzoon erflaatster] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [kleinzoon erflaatster] is een kleinzoon van erflaatster en zoon van [dochter erflaatster] . [naam 2] is de (ex-)schoonvader van [kleinzoon erflaatster] .

4.20.

Met het van erflaatster geleende bedrag heeft de vennootschap onder firma onder andere een lening bij de ING Bank en een lening van € 40.000 bij [dochter erflaatster] afgelost. Over het geleende bedrag is de vennootschap onder firma jaarlijks 2% rente verschuldigd, voor het eerst op 7 augustus 2013. Het (restant van het) geleende bedrag dient na 10 jaar door de vennootschap onder firma te worden terugbetaald, derhalve op 7 augustus 2022. Bram Stolk Foodservice V.O.F. had/heeft een negatief eigen vermogen en er zijn ter zake van de geldlening geen zekerheden aan erflaatster verstrekt. Bram Stolk Foodservice V.O.F. heeft de jaarlijks verschuldigde rente echter steeds voldaan.

4.21.

[eiser 1] c.s. stellen dat de waarde in het economisch verkeer van de vordering op de vennootschap onder firma nihil is. Zij stellen dat sprake is van het reële risico van faillissement van de vennootschap onder firma en van mogelijke oninbaarheid van de vordering. [eiser 1] c.s. stellen voorts dat zij op 2 december 2014 gezamenlijk het besluit hebben genomen tot toedeling van de gehele vordering op de vennootschap onder firma voor € 1 aan [eiser 1] . Direct na toedeling voor € 1 aan [eiser 1] , zou [eiser 1] de vordering voor € 1 verkopen aan, althans inbrengen in een door hem beheerste besloten vennootschap (Ambema B.V.).

4.22.

[gedaagde] heeft destijds geweigerd (verdere) medewerking te verlenen aan toedeling van de vordering aan [eiser 1] voor € 1 nadat hem was gebleken dat [dochter erflaatster] daarmee niet instemde. [gedaagde] heeft uiteindelijk besloten om de vordering te verdelen in de verhouding waarin de erfgenamen (in zijn visie) tot de nalatenschap gerechtigd waren.

4.23.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] juist heeft gehandeld door - nadat hem was gebleken dat [dochter erflaatster] niet akkoord was - er niet zijn medewerking aan te verlenen dat de gehele vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1,- zou worden toegedeeld aan [eiser 1] . Niet alleen was [dochter erflaatster] niet akkoord, maar bovendien was aannemelijk dat de vordering een aanzienlijk hogere waarde had dan de waarde van € 1 die [eiser 1] c.s. daar destijds aan wensten toe te kennen (overigens alleen ingeval van toedeling tegen dat bedrag aan [eiser 1] ). Dat er reeds conceptakten waren opgesteld met het oog op de door [eiser 1] c.s. gewenste toedeling aan [eiser 1] doet daar niet aan af. Waar het om gaat is dat [gedaagde] was gebleken dat er tussen de erven geen overeenstemming bestond over die wijze van verdeling en dat [dochter erflaatster] door een dergelijke wijze van verdeling zou worden benadeeld.

4.24.

Met [eiser 1] c.s. kan aangenomen kan worden dat de reële waarde van de vordering niet € 600.000 bedroeg. De vennootschap onder firma had immers een negatief eigen vermogen en er waren geen zekerheden verstrekt. Of de hoofdsom in 2022 volledig zou (kunnen) worden terugbetaald was in de gegeven omstandigheden inderdaad onzeker. Daar stond echter tegenover dat de verschuldigde rente tot dan toe jaarlijks werd voldaan. Bovendien betrof het een vordering op een nog immer actieve vennootschap onder firma en haar (hoofdelijk aansprakelijke) vennoten. Dat deze op enig moment niet meer aan hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst zouden (kunnen) voldoen en vervolgens evenmin (enig) verhaal zouden bieden voor de daaruit voortvloeiende schade kon niet zonder meer worden aangenomen.

4.25.

Dat ook [eiser 1] c.s. er niet werkelijk van uitgingen dat de reële waarde van de vordering slechts € 1,00 bedroeg, kan worden opgemaakt uit het feit dat zij weliswaar wensten dat de vordering voor dat bedrag aan [eiser 1] zou worden toebedeeld, maar dat zij er kennelijk niet mee wensten in te stemmen dat de vordering voor dat bedrag aan [dochter erflaatster] zou worden toebedeeld.

4.26.

Voor [gedaagde] was sprake van een ingewikkeld verdelingsprobleem ten aanzien waarvan geen overeenstemming tussen de erven kon worden bereikt. Dat [gedaagde] uiteindelijk met gebruikmaking van de hem - om die reden - toegekende bevoegdheden heeft gekozen voor de oplossing waarvoor hij heeft gekozen, acht de rechtbank begrijpelijk.

Ad VII

te bepalen dat [gedaagde] vanwege onterecht ten laste van de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] gebrachte kosten (€ 13.560,13 (honorarium Loyens & Loeff en NautaDutilh) + € 318,33 (executeursloon) + p.m. =) € 13.878,46 + p.m. is verschuldigd en dient te betalen aan de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] , althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te betalen binnen één week na de datum van het vonnis van uw rechtbank, althans te betalen binnen een andere termijn als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het vonnis van uw rechtbank tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren

4.27.

[gedaagde] heeft ten laste van de nalatenschap kosten gemaakt in verband met door hem aan Loyens & Loeff en NautaDutilh verstrekte opdrachten. [eiser 1] c.s. stellen bij dagvaarding dat nergens uit blijkt dat zij [gedaagde] toestemming hebben gegeven om "betaald" advies aan Loyens & Loeff te vragen. Zij stellen dat zij ervan uitgingen dat eventuele diensten door Loyens & Loeff "om niet" zouden worden verricht. De door [gedaagde] aan NautaDutilh verstrekte opdrachten achten [eiser 1] c.s. naar de rechtbank begrijpt deels overbodig.

4.28.

De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat hij gerechtigd was om de genoemde externe adviseurs in te schakelen. Uit de stellingen van [eiser 1] c.s. kan de rechtbank niet afleiden dat door [gedaagde] onterecht kosten zijn gemaakt.

4.29.

Ter zake van het executeursloon stellen [eiser 1] c.s. dat [gedaagde] recht had op een executeursloon van € 21.323,67 terwijl hij in rekening heeft gebracht € 21.642. [eiser 1] c.s. vorderen dat [gedaagde] het in hun visie te veel aan zichzelf uitbetaalde executeursloon ten bedrage van € 318,33 dient terug te betalen. [gedaagde] betwist dat hij teveel executeursloon in rekening heeft gebracht. [gedaagde] verwijst naar de berekening die is vervat in de door hem opgestelde rekening en verantwoording. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] c.s. die door [gedaagde] overgelegde berekening in ieder geval niet voldoende gemotiveerd hebben weersproken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat per overlijdensdatum ook de niet door [gedaagde] verdisconteerde waarde van de vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. deel uitmaakte van de nalatenschap. Het saldo van de nalatenschap per overlijdensdatum was derhalve hoger dan door [gedaagde] is gespecificeerd. De executeursbeloning is niet te hoog vastgesteld.

4.30.

Deze vordering zal worden afgewezen.

Ad VIII

te bepalen dat [eiser 1] vanwege het door [gedaagde] verwijtbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder en de door [eiser 1] als gevolg daarvan geleden schade een vordering heeft op [gedaagde] ten bedrage van € 3.320,64 + p.m. (inkomstenbelasting), zodat [gedaagde] dat bedrag van € 3.320,64 + p.m. is verschuldigd en dient te betalen aan [eiser 1] , althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te betalen binnen één week na de datum van het vonnis van uw rechtbank, althans te betalen binnen een andere termijn als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het vonnis van uw rechtbank tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren

Ad IX

te bepalen dat [eiser 2] vanwege het door [gedaagde] verwijtbaar tekortschieten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder en de door [eiser 2] als gevolg daarvan geleden schade een vordering heeft op [gedaagde] ten bedrage van € 5.539,68 + p.m. (inkomstenbelasting), zodat [gedaagde] dat bedrag van € 5.539,68 + p.m. is verschuldigd en dient te betalen aan [eiser 2] , althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te betalen binnen één week na de datum van het vonnis van uw rechtbank, althans te betalen binnen een andere termijn als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het vonnis van uw rechtbank tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren

4.31.

[eiser 1] c.s. stellen dat zij inkomstenbelasting zouden hebben kunnen besparen als de gehele vordering op Bram Stolk Foodservice V.O.F. voor € 1 zou zijn toegedeeld aan [eiser 1] . Dat [gedaagde] daaraan geen medewerking heeft verleend, levert in de visie van de rechtbank echter geen tekortschieten op. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij met betrekking tot dat aan [gedaagde] gemaakte verwijt hiervoor onder 4.17 tot en met 4.26 heeft overwogen. Deze vorderingen zullen reeds om die reden worden afgewezen.

4.32.

De slotsom is dat alle vorderingen van [eiser 1] c.s. zullen worden afgewezen.

4.33.

[eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.191,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.191,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2019.

[1729;2221]