Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4318

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
C/10/519799 / HA ZA 17-120
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:2052, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure. De oorspronkelijke wederpartij van eiseres heeft een toewijzend arrest geëxecuteerd, op grond waarvan eiseres ruim € 240.000 heeft voldaan. Na vernietiging van het arrest in cassatie vordert eiseres het onverschuldigd betaalde zonder resultaat terug. Eiseres legt daarop ten laste van haar wederpartij derdenbeslag onder gedaagde, procesfinancier van de wederpartij. De wederpartij heeft op grond van de procesfinancieringsovereenkomst aan gedaagde 40% van de opbrengst van de procedure voldaan.

Uitleg van die overeenkomst brengt mee dat de opbrengst van de betreffende procedure een voorlopige is zolang het toewijzend arrest niet onherroepelijk is, en dat gedaagde gehouden was deze voorlopige opbrengst terug te betalen in geval van vernietiging van het arrest. Dat heeft zij niet gedaan. Wederpartij heeft op de gedaagde een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling ten bedrage van € 111.154,-. Gedaagde is ten gevolge van het derdenbeslag gehouden dit bedrag aan eiseres te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/519799 / HA ZA 17-120

Vonnis van 15 mei 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IBIS B.V.,

gevestigd te Leidschendam,

eiseres,

advocaat mr. K.C. Mensink te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

LIESKER LEGAL N.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. S.M.J. Heeren te Breda.

Partijen zullen hierna Ibis en Liesker genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 18 januari 2017 van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 12 april 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van Ibis van 24 oktober 2017;

  • -

    de brief van Liesker van 27 oktober 2017 met productie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie in beide zaken, gehouden op 7 november 2017;

  • -

    de conclusie na voeging van Ibis;

  • -

    de antwoordconclusie van Liesker;

  • -

    de akte vermeerdering van eis van Ibis;

  • -

    de antwoordakte van Liesker;

  • -

    het proces-verbaal van de voortgezette comparitie in beide zaken, gehouden op 1 april 2019;

  • -

    de pleitnotities van mr. Mensink;

  • -

    de brief van12 april 2019 van mr. Heeren naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ter zitting is de gevoegde zaak onder rolnummer 16/912 ( [naam] versus Liesker) op eenstemmig verzoek verwezen naar de parkeerrol. In de onderhavige zaak is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Naar aanleiding van een zakelijk geschil is de heer [naam] (hierna: [naam] ) gedagvaard door (de rechtsvoorganger van) Ibis. Naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg is hoger beroep ingesteld.

2.2.

[naam] heeft zich in verband met dat ingestelde hoger beroep gewend tot Liesker. Liesker is een onderneming die zich bezig houdt met procesfinanciering, waarbij zij – kort gezegd – de kosten van een procedure financiert en daarvoor een deel van de eventuele opbrengst van de procedure ontvangt. Op 12 juli 2011 hebben [naam] en Liesker een ‘Overeenkomst inzake Procesfinanciering’ gesloten. Daarin is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

3 Verplichtingen van Liesker Legal

3.1

Liesker Legal betaalt vanaf de totstandkoming van de overeenkomst tot aan wederopzegging alle kosten, die gemaakt moeten worden om de vordering te incasseren. […]

4 Opbrengstverdeling

4.1

Uit de opbrengst van een Vordering ontvangt Liesker Legal eerst het Voorschot als bedoeld in artikel 3.1

4.2

De resterende opbrengst, na betaling van het Voorschot wordt tussen partijen verdeeld, waarbij aan Liesker Legal toekomt 40 % en aan de Cliënt 60 %.

4.3

De aanspraak op vergoeding komt Liesker Legal toe, zodra een opbrengst daadwerkelijk tot uitkering komt. […]

9 Opzegging van de overeenkomst

[…]

9.2

Liesker Legal is gerechtigd om de overeenkomst middels opzegging tussentijds te beëindigen indien en voor zover naar het oordeel van Liesker Legal een voortgezette behandeling niet langer kan leiden tot een aanvaardbaar resultaat.

In geval van opzegging door Liesker Legal blijven alle tot dan toe gemaakte kosten voor rekening van Liesker Legal.

2.3.

Bij arrest van 20 mei 2014 van het Hof Den Haag (hierna: het arrest) is Ibis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van € 211.050,-, te vermeerderen met rente en kosten. [naam] is vervolgens overgegaan tot executie, waarna Ibis in juli 2014 een bedrag van € 244.920,68 heeft voldaan. Ibis heeft cassatie ingesteld.

2.4.

Bij factuur van 12 augustus 2014 heeft Liesker aan [naam] een bedrag van € 140.579,10 in rekening gebracht, bestaande uit een bedrag van € 111.154,31 aan honorarium en € 29.424,79 ten aanzien van de terugbetaling van een voorschot en een verstrekte geldlening. Deze factuur is door [naam] voldaan.

2.5.

Bij e-mail van 22 augustus 2014 heeft Liesker [naam] per e-mail medegedeeld:

“Hierbij de kostenopgave van de cassatie advocaat. […]

Wij als Liesker Legal zijn bereid op 40 % bij te dragen in deze kosten (alhoewel we daartoe niet langer verplicht zijn op basis van onze overeenkomst)

[naam] heeft in reactie daarop aangegeven dat hij niet in staat is de verdere kosten te dragen. Hij heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2.6.

Bij arrest van 6 november 2015 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof Den Haag van 20 mei 2014 vernietigd en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar het Hof Amsterdam. Ibis heeft daarop [naam] verzocht het reeds voldane bedrag terug te betalen. Toen betaling uitbleef heeft zij hem in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van 5 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant [naam] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 255.190,48. [naam] heeft dit bedrag niet voldaan.

2.7.

Op 10 oktober 2016 heeft Ibis derdenbeslag gelegd onder Liesker. Op 11 oktober 2016 heeft Liesker een verklaring derdenbeslag afgelegd, waarin kort gezegd is opgenomen dat [naam] niets van Liesker te vorderen heeft.

2.8.

De verwijzingsprocedure bij het Hof Amsterdam staat thans op de rol voor het bepalen van een (nieuwe) zittingsdatum.

3 Het geschil

3.1.

Ibis vordert, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:

“primair:

Liesker Legal N.V. te veroordelen aan Ibis B.V. te betalen € 244.920,69, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 242.633,29 vanaf 21 juli 2014, en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.287,39 vanaf 28 juli 2014.

subsidiair:

Liesker Legal N.V. te veroordelen

1. aan Ibis B.V. een afschrift te verstrekken van

a) de overeenkomst van procesfinanciering gesloten tussen Liesker Legal N.V. en de heer [naam] , en

b) facturen en/of bankafschriften en/of andere documenten waaruit blijkt welke bedragen de heer [naam] (onverschuldigd) heeft betaald aan Liesker Legal N.V. uit hoofde van de overeenkomst van procesfinanciering.

2. een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen met inachtneming van hetgeen Ibis B.V. in deze dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen Liesker Legal N.V, van de heer [naam] onder zich heeft en/of aan de heer [naam] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van de heer [naam] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan de heer [naam] verschuldigd zal worden;

3. nadat Liesker Legal NV die verklaring heeft afgelegd en uw Rechtbank zal hebben bepaald wat Liesker Legal B.V. onder zich heeft en/of aan de heer [naam] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan de heer [naam] verschuldigd zal worden, tot het ter tenuitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden en/of goederen, voor zover deze niet het totale bedrag dat Ibis B.V. in totaal van de heer [naam] te vorderen heeft op grond van het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 5 februari 2016 en het arrest van de Hoge Raad d.d. 6 november 2015, overtreffen;

meer subsidiair

4. te verklaren voor recht dat Liesker Legal N.V. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ibis B.V. en/of ongerechtvaardigd is verrijkt ten kosten van Ibis B.V.;

5. Liesker Legal N.V. op grond van art. 843a Rv. te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis afschriften te verstrekken van:

1) de overeenkomst van procesfinanciering tussen Liesker Legal N.V. en de heer [naam] , en

2) bewijsstukken waaruit volgt welke bedragen Liesker Legal N.V. sinds 20 mei 2014 van de heer [naam] heeft ontvangen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag;

6. Liesker Legal te veroordelen aan Ibis B.V. te betalen alle bedragen die zij op of na 20 mei 2014 van [naam] heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

primair en subsidiair

7. Liesker Legal N.V. te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis.”

3.2.

Liesker voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Ibis in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal recht doen op de gewijzigde eis. Het aanvankelijk tegen de wijziging van eis gemaakte bezwaar is ter zitting ingetrokken. Ook ambtshalve acht de rechtbank de wijziging van eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

4.2.

Ibis legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat Liesker onrechtmatig heeft gehandeld, danwel heeft geprofiteerd van de onrechtmatige daad van [naam] . Daartoe stelt zij – kort samengevat – het volgende. Tenuitvoerlegging van een later vernietigde uitspraak levert per definitie een onrechtmatige daad op van de executant. Liesker heeft, ondanks dat zij bekend was met de ingestelde cassatie, toch de executie doorgezet. Bovendien was zij op grond van de overeenkomst exclusief bevoegd om de incassobeslissing te nemen. Daarmee heeft Liesker de (mede)verantwoordelijkheid naar zich toegetrokken. Subsidiair geldt dat Liesker heeft geprofiteerd van de onrechtmatige daad van [naam] , hetgeen op zichzelf ook onrechtmatig is.

Subsidiair legt Ibis aan haar vorderingen ten grondslag dat de door Liesker afgelegde verklaring derdenbeslag onjuist is. Zij stelt – kort samengevat - dat [naam] op Liesker een vordering heeft uit hoofde van onverschuldigde betaling. Als gevolg van de vernietiging van het arrest van het Hof Den Haag door de Hoge Raad is de rechtsgrond aan de betaling van Ibis aan [naam] komen te ontvallen, zodat er sprake is van onverschuldigde betaling. [naam] moet hetgeen hij heeft ontvangen dus terugbetalen en is daartoe ook veroordeeld door de voorzieningenrechter. Daarmee is er geen sprake van een opbrengst zoals bedoeld in de overeenkomst, omdat deze zo moet worden uitgelegd dat met opbrengst wordt bedoeld een betaling op grond van een onherroepelijk toewijzend vonnis. Nu er geen sprake is van een opbrengst, heeft [naam] een bedrag van € 113.637,52 onverschuldigd aan Liesker betaald en dient Liesker dit aan hem terug te betalen. De uitkomst van de verwijzingsprocedure is niet van belang, omdat de vordering van Ibis op [naam] opeisbaar is en processueel liquide.

4.3.

Liesker heeft allereerst aangevoerd dat de relatie tussen Liesker en [naam] in deze procedure niet aan de orde is. De bespreking en beoordeling daarvan hoort thuis in de andere, gevoegde procedure. Liesker heeft de rechtbank verzocht geen acht te slaan op hetgeen Ibis over die relatie heeft opgemerkt.

Liesker betwist primair dat er sprake is van een onrechtmatige daad. Zij voert daartoe – kort samengevat – aan dat [naam] heeft aangedrongen op executie van het arrest van het Hof Den Haag. Dat Liesker dat bericht heeft overgebracht aan de advocaat van [naam] is geen grond voor een beschuldiging van medeplegen van een onrechtmatige daad. Er is ook geen sprake van het profiteren van een onrechtmatige daad van [naam] . Voor zover er al sprake van een onrechtmatige daad is, was deze er op het moment van executie nog niet. In de aangehaalde jurisprudentie is er steeds sprake van dat de derde er vooraf van op de hoogte was dat met zijn doelbewuste medewerking een onrechtmatige daad zou worden gepleegd. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft Liesker betwist dat [naam] op haar een vordering heeft uit hoofde van onverschuldigde betaling. Zij voert daartoe – kort samengevat – aan dat uit de overeenkomst geen terugbetalingsverplichting voortvloeit. Die overeenkomst houdt in dat Liesker proceskosten financiert ter incassering van de vordering van [naam] . Op het moment dat een opbrengst tot uitkering komt kan Liesker aanspraak maken op een onvoorwaardelijke vergoeding. Uit de overeenkomst vloeit ook geen terugbetalingsverplichting voort. Evenmin is er sprake van onverschuldigde betaling, omdat er op het moment van betalen een rechtsgrond aanwezig was voor die betaling, te weten de overeenkomst. Verder dient de afloop van de verwijzingsprocedure te worden afgewacht, nu pas na afloop daarvan zal blijken welk bedrag Ibis is verschuldigd aan [naam] , en daarmee de precieze terugbetalingsverplichting van [naam] .

Verhouding beide gevoegde procedures

4.4.

Ter gelegenheid van de eerste comparitie na voeging heeft de rechtbank Liesker bevolen om aan Ibis de processtukken van de procedure tussen Liesker en [naam] ter beschikking te stellen. Daarmee zijn die stukken ook onderdeel geworden van deze procedure. Voor zover Liesker betoogt dat de beoordeling van haar relatie met [naam] niet in deze procedure thuishoort, slaagt dat verweer niet. De vraag of Liesker haar verklaring derdenbeslag juist heeft afgelegd, kan immers slechts worden beantwoord aan de hand van een oordeel over hetgeen Liesker al dan niet aan [naam] is verschuldigd. Daarmee staat de relatie tussen Liesker en [naam] ook in deze procedure centraal.

Onrechtmatige daad

4.5.

Op grond van vaste rechtspraak moet worden aangenomen dat de partij die door dreiging met executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de wederpartij heeft gedwongen tot nakoming van dat vonnis voordat dit in kracht van gewijsde is gegaan, in beginsel onrechtmatig handelt en schadeplichtig is wanneer het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd.

4.6.

Uit die jurisprudentie volgt echter niet dat de aansprakelijkheid voor dat onrechtmatige handelen zich uitstrekt tot de adviseurs of financiers van de partij die tot executie overgaat. Dat een dergelijke verruiming van de kring van aansprakelijke personen in dit geval wel aan de orde zou moeten zijn, heeft Ibis slechts onderbouwd door te stellen dat Liesker zelf heeft aangedrongen op executie en dat Liesker daartoe met uitsluiting bevoegd zou zijn op grond van de overeenkomst. Op grond van het dossier en het verhandelde ter comparitie staat echter vast dat [naam] zelf executie van het arrest verlangde. Liesker heeft ter uitvoering daarvan de advocaat van [naam] geïnstrueerd, zoals van haar mocht worden verwacht in haar relatie met [naam] . Onder die omstandigheden komt aan de exclusieve beslissingsbevoegdheid van Liesker op grond van de overeenkomst geen doorslaggevend belang toe, nu niet is gebleken dat zij daarvan gebruik heeft gemaakt. Ibis heeft dan ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die het oordeel dat Liesker zelf onrechtmatig heeft gehandeld kunnen steunen.

4.7.

Voor zover Ibis stelt dat Liesker heeft geprofiteerd van de onrechtmatige daad van [naam] , geldt dat voor een dergelijke aansprakelijkheid noodzakelijk is dat Liesker wist dat [naam] onrechtmatig handelde jegens Ibis door het arrest te executeren. Van die situatie is in dit geval geen sprake. Op het moment dat de executie plaatsvond, geschiedde deze op basis van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest en was deze daarmee rechtmatig. Er was ten tijde van het door Ibis verweten handelen van Liesker dan ook geen sprake van een onrechtmatige daad, zodat van wetenschap daarvan evenmin sprake kan zijn. Dat door de vernietiging van het arrest die executie alsnog met terugwerkende kracht onrechtmatig werd, maakt niet dat die wetenschap eveneens met terugwerkende kracht aanwezig moet worden geacht, zoals Ibis lijkt te betogen. Het criterium van wetenschap strekt er immers toe de aansprakelijkheid te beperken tot derden die ondanks hun bekendheid vooraf met de onrechtmatigheid van het handelen van een ander, daarvan profiteren.

4.8.

De vorderingen zijn derhalve niet toewijsbaar op de gestelde grondslag van onrechtmatige daad.

Onverschuldigde betaling

4.9.

Bij de gestelde grondslag van onverschuldigde betaling staat de vraag centraal of Liesker de verklaring derdenbeslag juist heeft ingevuld. Ibis heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet zo is, omdat [naam] een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling heeft op Liesker. Liesker heeft dit op haar beurt gemotiveerd betwist en heeft daarbij gesteld dat de betaling door [naam] zijn grondslag vindt in de overeenkomst en daarmee niet onverschuldigd is.

4.10.

Voor de beantwoording van de vraag of de betaling door [naam] op grond van de overeenkomst onverschuldigd is, komt het aan op de zin die de partijen bij die overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.11.

Vast staat dat de overeenkomst geen specifieke bepalingen over de looptijd bevat. In artikel 3.1 (zie hiervoor onder 2.2) is slechts opgenomen dat Liesker tot wederopzegging alle kosten betaalt die gemaakt moeten worden om de vordering te incasseren. Voor zover Liesker betoogt dat de duur van de overeenkomst is beperkt tot één instantie, volgt dat niet uit de tekst van de overeenkomst. Op voorhand is dit - zo heeft de rechtbank ter comparitie begrepen - evenmin door Liesker met [naam] besproken. [naam] heeft het destijds ook niet zo begrepen. Ook een redelijke uitleg van de overeenkomst leidt niet tot een dergelijke conclusie. Daarbij is mede de onderlinge verhouding van partijen mede van belang. Liesker is een ervaren en deskundige partij op het gebied van juridische procedures en procesfinanciering, terwijl [naam] niet over juridische kennis beschikt. Liesker mocht dan ook niet van [naam] verwachten dat hij op grond van de aan hem voorgelegde tekst van de overeenkomst zou begrijpen dat de overeenkomst slechts voor de duur van één instantie gold en dat het risico van een eventueel rechtsmiddel geheel bij [naam] zou liggen. Bovendien mocht van Liesker worden verwacht dat zij een dergelijke – substantiële – beperking van de looptijd van de overeenkomst expliciet zou opnemen indien zij deze wenste te bedingen. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt dan ook mee dat deze, behoudens opzegging, voortduurde totdat onherroepelijk op de vordering was beslist. De overeenkomst duurde dus ook voort nadat de betaling van Ibis was ontvangen.

4.12.

Liesker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat partijen de overeenkomst na ontvangst van de betaling met wederzijds goedvinden hebben ontbonden. Deze stelling heeft Liesker echter onvoldoende onderbouwd. Zij heeft daartoe slechts verwezen naar een e-mail waarin [naam] niet heeft geprotesteerd tegen de mededeling van Liesker dat zij niet gehouden was de cassatieprocedure te financieren. In dat bericht wordt niet ondubbelzinnig over ontbinding van de overeenkomst gesproken. Met de mededeling dat zij niet gehouden was de cassatieprocedure te financieren heeft Liesker [naam] bovendien onjuist geïnformeerd over de rechten die hij aan de overeenkomst kon ontlenen. [naam] heeft ter comparitie gesteld dat hij ten aanzien van zijn rechten op dit punt destijds is afgegaan op de mededelingen van Liesker, die hij deskundig achtte. Indien hij juist was geïnformeerd dan zou hij graag in cassatie verweer hebben gevoerd. Het gebrek aan protest van de zijde van [naam] kan op grond van het voorgaande dan ook niet gelden als instemming met een ontbinding van de overeenkomst. De stelling van Liesker dat sprake is van ontbinding met wederzijds goedvinden faalt.

4.13.

De mededeling van Liesker dat zij niet gehouden was de procedure in cassatie te financieren, kan in de gegeven omstandigheden in de visie van de rechtbank niet anders worden begrepen dan als een eenzijdige opzegging als bedoeld in artikel 9.2 van de overeenkomst. Dit brengt met zich dat Liesker gehouden is de kosten van de procedure tot het moment van de opzegging te dragen en dat zij geen aanspraak (meer) kan maken op de (eventuele) toekomstige opbrengst.

4.14.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de reeds gerealiseerde opbrengst een voorlopige opbrengst betrof. Er stond immers nog een rechtsmiddel open en de overeenkomst duurde voort. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt wel mee dat Liesker het haar toekomende deel van die voorlopige opbrengst aan zich uit mocht laten betalen. Van Liesker kan niet worden gevergd dat zij, na betaling, afwacht tot de uitspraak onherroepelijk is, en daarmee het risico loopt dat zij uiteindelijk geen betaling meer van haar klant weet ter verkrijgen. Die redelijke uitleg brengt echter ook mee dat Liesker het door haar ontvangen bedrag of een deel daarvan terug dient te betalen indien haar klant de voorlopige opbrengst dient terug te betalen. Die situatie doet zich in dit geval voor. Door vernietiging van het arrest van het Hof Den Haag is de rechtsgrond aan de betaling door [naam] aan Liesker weggevallen, waardoor deze betaling onverschuldigd is geschied. Dat er ten tijde van betaling wel een rechtsgrond bestond, doet daar niet aan af. [naam] heeft derhalve een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op Liesker ter hoogte van het betaalde honorarium, te weten een bedrag van € 111.154,31. De door Liesker afgelegde verklaring derdenbeslag is daarmee onjuist.

4.15.

Liesker is over dit bedrag de wettelijke rente verschuldigd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Liesker de betaling niet te kwader trouw heeft ontvangen zoals bedoeld in artikel 6:205 BW. Zij is dus niet direct bij ontvangst in verzuim komen te verkeren. Nu niet is gesteld dat Liesker op enig moment in gebreke is gesteld en vervolgens in verzuim is komen te verkeren, zal de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding in de procedure tussen [naam] en Liesker, te weten 5 september 2016.

4.16.

Liesker heeft nog verzocht de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van de verwijzingsprocedure bij het Hof Amsterdam. Daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding. Zoals hiervoor onder 4.13 is overwogen, is de overeenkomst geëindigd en kan Liesker geen aanspraak maken op de toekomstige opbrengst. De uitkomst van de verwijzingsprocedure heeft dan ook geen invloed op de terugbetalingsverplichting van Liesker aan [naam] .

4.17.

Ten gevolge van het derdenbeslag is Liesker gehouden hetgeen zij aan [naam] verschuldigd is te voldoen aan Ibis. De rechtbank zal Liesker daartoe veroordelen.

4.18.

Tot slot heeft Liesker bezwaar gemaakt tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. De rechtbank verwerpt dit bezwaar. Voor zover Liesker vreest dat [naam] geen verhaal biedt wanneer in hoger beroep zou worden geoordeeld dat Liesker geen terugbetalingsverplichting heeft, is niet in te zien waarom Liesker zich in een dergelijk geval niet rechtstreeks tot Ibis zou kunnen wenden. Voor zover Liesker vreest dat Ibis geen verhaal zal bieden, geldt dat die vrees niet is onderbouwd en dat een afweging van belangen er op basis van het over en weer gestelde niet toe leidt dat uitvoerbaar bij voorraadverklaring achterwege dient te blijven. Ten aanzien van een mogelijk positief resultaat voor [naam] in de verwijzingsprocedure geldt hetgeen hiervoor is overwogen over de beëindiging van de overeenkomst. Liesker kan geen aanspraak meer maken op een eventuele opbrengst.

4.19.

De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.

4.20.

Liesker zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ibis worden begroot op:

- dagvaarding € 82,54

- overige explootkosten 80,42

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 5.974,50 (3,5 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 6.756,46

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Liesker om aan Ibis te betalen een bedrag van € 111.154,31 (éénhonderdelfduizendéénhonderdvierenvijftig euro en éénendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 5 september 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Liesker in de proceskosten, aan de zijde van Ibis tot op heden begroot op € 6.756,46, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Liesker in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.

[1729;3190]