Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4303

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
10/731000-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens tweemaal poging zware mishandeling. Oplegging van de PIJ-maatregel. Overwegingen met betrekking tot noodweer, voorbedachte raad en psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/731000-19

Datum uitspraak: 21 mei 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2002 te [geboorteplaats minderjarige] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres minderjarige] , [woonplaats minderjarige] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

Intermetzo JJI Lelystad,

raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 7 mei 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.M. Scheer heeft gevorderd:

- vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair en 2 subsidiair (met voorbedachten
rade) ten laste gelegde;

- oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling (feit 1)?

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte door met een mes met een aanzienlijk lemmet te steken in de buikstreek van de aangever, een plek van het lichaam waar zich vitale organen bevinden, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever die messteek niet zou overleven.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank acht onder verwijzing naar de uitgewerkte bewijsmiddelen in bijlage II op grond van de aangifte, de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2] en de camerabeelden bewezen dat de verdachte aangever [naam aangever] heeft gestoken met een puntig voorwerp in de buikstreek.

De rechtbank kan aan de hand van de bewijsmiddelen echter niet vaststellen dat de verdachte opzet had om de aangever [naam aangever] van het leven te beroven. Vanwege het ontbreken van relevante informatie over het steekvoorwerp (bijvoorbeeld de aard en afmetingen daarvan) kan verder niet worden vastgesteld dat het daarmee steken een poging tot doodslag oplevert, ook omdat niet kan worden vastgesteld op welke wijze nu precies gestoken is (getuigenverklaringen daarover lopen uiteen). Een steek met een puntig voorwerp in de buikstreek zonder nadere informatie zoals hiervoor bedoeld, levert niet zonder meer een aanmerkelijke kans op dat de aangever zal overlijden. Van voorwaardelijk opzet hierop is dan ook evenmin sprake. De verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van het impliciet primair ten laste gelegde.

Gelet op de steekwond op een kwetsbare plek van het lichaam, de buikstreek, is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, welke kans door de verdachte gelet op diens feitelijk handelen bewust moet zijn aanvaard.

De rechtbank acht daarom de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen.

4.2.3.

Conclusie

Het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Voorbedachte raad (feit 2)?

Ten aanzien van feit 2 subsidiair ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de ten laste gelegde voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van voorbedachte raad; de raadsman heeft ten aanzien van feit 2 een verweer gevoerd dat ziet op een schulduitsluitingsgrond.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ vast komen te staan dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De aangever heeft verklaard dat hij gezeten op een stoel onverhoeds van achteren werd overgoten met heet water. De aangever zag toen hij zich omdraaide, de verdachte met een grote bak in zijn handen staan. De aangever had de verdachte daarvoor meerdere keren de keuken in en uit zien lopen, waar de (heet)waterautomaat zich bevond.

De verdachte heeft wisselend verklaard over de positie van het slachtoffer. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat de aangever tegenover hem stond en hem bedreigde met een mes en dat de verdachte toen in paniek een bekertje thee over de aangever heeft gegooid.

Aangezien de meeste brandwonden op de rug en het hoofd van de aangever zijn ontstaan, acht de rechtbank deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig . Voorts zijn er na onderzoek ook geen theevlekken op de kleding van de aangever aangetroffen. Na het incident werd bovendien door de groepsleider een aanzienlijke plas water op de grond aangetroffen, waarvan zij de hoeveelheid inschat op meer dan een halve liter. Ook is na uitvoerig onderzoek geen mes of steekwapen aangetroffen, waarmee de verdachte stelt bedreigd te zijn.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II uitgewerkte bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het hete water waarmee de aangever is overgoten in een beslagkom heeft gezeten. Uit het feit dat de verdachte de tijd heeft genomen om in de keuken een beslagkom te pakken, die met heet water te vullen om die vervolgens in de gemeenschappelijke leefruimte over de rug en het hoofd van de aangever heen te gooien, komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat de verdachte planmatig te werk is gegaan en van de consequenties van zijn handelen doordrongen was. Er is ten slotte niet gebleken van contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 20 september 2018 te Haarlem

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet met een scherp en/of puntig voorwerp,

heeft gestoken in de buik van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Subsidiair,

hij op 03 februari 2019 te Sassenheim, gemeente Teylingen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk en met voorbedachten rade

aan [naam slachtoffer 2]

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

het hoofd en/ de rug van die [naam slachtoffer 2] heeft

overgoten met (zeer) heet water,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 impliciet subsidiair
Poging tot zware mishandeling.

2 subsidiair
Poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

5.1.

Strafbaarheid

5.1.1.

Standpunt verdediging/ officier van justitie

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, aangezien de verdachte uit noodweer heeft gehandeld.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen enkele grond is voor het aannemen van een beroep op noodweer.

5.1.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Pas op zitting heeft de verdachte bekend die bewuste dag op station Haarlem te zijn geweest en in een handgemeen te zijn beland met aangever [naam aangever] en diens vrienden. De verdachte ontkent echter een steekvoorwerp bij zich te hebben gehad (en dat hij daarmee heeft gestoken). Uit de verklaring(en) van de verdachte zelf kan naar het oordeel van de rechtbank (mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor reeds is overwogen) dus geen aannemelijk noodweerscenario gedestilleerd worden. Ook uit de camerabeelden kan niet worden opgemaakt dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaraan de verdachte zich niet kon onttrekken. De door de raadsman gestelde noodweersituatie is daarmee niet aannemelijk geworden nu deze noodweersituatie niet ondersteund wordt door de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting.

5.1.3.

Conclusie

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging/officier van justitie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 2 dient te worden ontslag van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op psychische overmacht toekomt.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen enkele grond is voor het aannemen van psychische overmacht.

6.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

Een beroep op psychische overmacht kan alleen dan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. De verklaring van de verdachte dat de aangever hem na eerdere verbale bedreigingen, bedreigde met een mes en dat de verdachte daardoor dusdanig angstig werd, hij dusdanige druk ervoer en zijn geestelijk evenwicht dusdanig in onbalans raakte dat hij daardoor zijn zelfbeheersing verloor, vindt nergens steun in het dossier. Integendeel, door groepsleider [naam] wordt gerelateerd dat de verdachte na het incident heel rustig bleef en het deed voorkomen alsof hij zelf het slachtoffer was geworden. Voorts zijn op dezelfde dag alle cellen en andere ruimtes van afdeling [naam] doorzocht en werden alle gedetineerden van afdeling [naam] gevisiteerd. Hierbij zijn geen steekvoorwerpen of andere strafbare voorwerpen gevonden. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de verdachte sprake was van psychische overmacht.

De verdachte is dus strafbaar, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

6.3.

Conclusie

De verdachte is strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich op 15-jarige leeftijd op station Haarlem schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling. Het slachtoffer [naam slachtoffer 1] en zijn vrienden kregen zonder een voor de rechtbank duidelijke aanleiding ruzie met de verdachte en diens vriend. Er werd in de stationshal en in de gang naar de perrons over en weer geduwd, geschopt en geslagen. De verdachte heeft vervolgens die [naam slachtoffer 1] met een steekvoorwerp in diens onderbuik gestoken en is samen met zijn vriend het station uit gevlucht.

Enkele maanden daarna, de verdachte was inmiddels 16 jaar, heeft hij zich wederom schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling, ditmaal met voorbedachte raad. Het slachtoffer was een groepsgenoot in [naam jeugdinrichting], waar de verdachte verbleef in het kader van voorlopige hechtenis voor het hiervoor vermelde incident op station Haarlem.

De verdachte heeft deze groepsgenoot op lafhartige wijze met (zeer) heet water overgoten. Hij heeft het slachtoffer die op een stoel zat, van achteren aangevallen door een grote kom heet water over diens rug en hoofd te gooien, vermoedelijk vanwege een incident tussen die twee een dag daarvoor. Het slachtoffer heeft hier (diepere) tweedegraadsbrandwonden aan overgehouden.

Het feit dat in beide gevallen het letsel relatief beperkt is gebleven, is zeker niet toe te schrijven aan het handelen van de verdachte. Diens agressieve en onaanvaardbare gedrag had tot veel ernstiger gevolgen kunnen leiden. Door zijn gedrag heeft hij blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 april 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportages

I.T.M. Nurmohamed, (kinder- en jeugd)psychiater, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 april 2019. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. Er is bij de verdachte sprake van een autismespectrumstoornis (hoofddiagnose), een normoverschrijdende gedragsstoornis, een licht verstandelijke beperking (LVB) en een ernstig bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken.

Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, dan waren deze ten tijde daarvan aanwezig. Geadviseerd wordt de verdachte het ten laste gelegde feit 2 verminderd toe te rekenen. Verondersteld kan worden bij een bewezen verklaring van feit 2, dat er vanuit de bij feit 2 geschetste gedragingen vanuit zijn psychiatrische problematiek, mogelijk ook sprake is geweest van een doorwerking in het tot stand komen van ten laste gelegde feit 1.

De kans op recidive in crimineel en gewelddadig delict-gedrag wordt als hoog ingeschat als

onderzochte geen afdoende en passende gesloten klinische behandeling ondergaat voor

zijn psychiatrische problematiek en weglopen geen optie meer is.

Er zal een plafond zijn aan zijn mogelijkheden vanuit autisme en LVB, daarmee ook in de

beïnvloeding van het recidive-risico. Er komen uit het klinisch onderzoek, ondersteund door de risicotaxatie-instrumenten geen beschermende factoren naar voren bij de verdachte.

De gesloten klinische behandeling van de verdachte moet omvatten: motiverende gesprekken, gezag leren accepteren, hulp leren accepteren en vragen, spanningen leren herkennen en graderen, agressie- en emotie-regulatie trainingen, LVB psycho-educatie, autismebehandeling (zoals psycho-educatie, specifieke autismetrainingen, onderkennen van de letterlijke communicatie en dus korte en duidelijk boodschappen hanteren, leren werken met een dagschema en weekprogramma), diagnostiek naar PTSS (pestverleden, trauma’s), behandeling gericht op de gewetensontwikkeling, behandeling met betrekking tot relatievorming met willekeurige anderen, delict-analyse, medicatie (voor agressie en overprikkeling: zoals antipsychotica) ter ondersteuning in zijn functioneren en de behandeling, en dit alles binnen een gesloten justitieel behandelkader met kennis van autisme en LVB. Zodra mogelijk is starten met een gefaseerde resocialisatie, op termijn, naar begeleid of beschermd wonen of kamertraining met passende dagbesteding en vrijetijdsbesteding en onder intensieve begeleiding met een signalerings- en begeleidingsplan. De rechtbank wordt geadviseerd de verdachte, bij een bewezen ten laste gelegde, de voorgestelde klinische behandeling binnen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Geadviseerd wordt plaatsing in een kleinschalige zeer gestructureerde setting zoals een VIC (very intensive care) met expertise in autisme en een LVB-methodiek en -klimaat, gezien de forse agressie-regulatieproblematiek en snelle overprikkeling met het rap van 0 naar10 gaan bij spanningen, zoals ook gebleken is in grotere groepen, met recent overplaatsing naar een LVB-gestructureerde verblijfgroep in JJI Intermetzo.

Er is sprake van ernstige psychopathologie met een gedragsstoornis en disfunctioneren

op alle terreinen. Een PIJ-maatregel is nodig ter vermindering van de hoog geschatte kans

op recidive. Het netwerk is niet bij machte om hem met zijn problematiek te kunnen helpen. Ambulante behandeling is niet haalbaar gebleken en ook onvoldoende voor zijn complexe problematiek. Hij is niet gemotiveerd voor behandeling.

Drs. K.T.E. Zászlós, GZ-psycholoog, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 april 2019. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke

stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een autismespectrumstoornis,

een norm-overschrijdende gedragsstoornis, LVB en een bedreigde persoonlijkheids-ontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was hiervan sprake. Gezien zijn ontkennende houding met betrekking tot feit 1 is het niet mogelijk geweest te onderzoeken welke gedachtes en emoties, bij bewezenverklaring, een

rol hebben gespeeld in zijn handelswijze. Indien bewezen was de verdachte weliswaar in staat het ontoelaatbare van zijn handelswijze in te zien, maar was hij onvoldoende in staat zijn wil conform dit besef te bepalen op grond van factoren (zoals zijn impuls- en agressie-regulatie problemen, beperkt sociaal begrip en inzicht, zijn geringe copingvaardigheden in conflictsituaties, zijn rigide denkpatronen en zijn gebrekkige gewetensontwikkeling waarbij sprake is van een egocentrische houding en een gebrekkig inlevingsvermogen en informatieverwerkingsproblemen), passend bij zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het advies luidt dan ook om de verdachte, bij bewezenverklaring, het ten laste gelegde feit 1 in een verminderde mate toe te rekenen.

Met betrekking tot feit 2 is de verdachte tevens in staat het ontoelaatbare van zijn

handelswijze in te zien, maar hij is niet in staat zijn wil conform dit besef te bepalen op grond van factoren (zoals zijn impuls- en agressie-regulatie problemen, beperkt sociaal begrip en inzicht, zijn geringe copingvaardigheden in conflictsituaties, zijn rigide denkpatronen en zijn gebrekkige gewetensontwikkeling waarbij sprake is van een egocentrische houding en een gebrekkig inlevingsvermogen en informatieverwerkings-problemen) passend bij zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Geadviseerd wordt de verdachte het hem ten laste gelegde feit 2 in een verminderde mate toe te rekenen.

De kans op recidive van gewelddadig gedrag wordt door de psycholoog als hoog ingeschat. Beschermende factoren worden op dit moment niet aangetroffen. De verdachte heeft een omgeving nodig waarin hij een duidelijke structuur, toezicht en ondersteuning krijgt. Juridisch toezicht en opgelegde behandeling is noodzakelijk. Om de kans op recidive te beperken en om zijn ontwikkeling in gunstige zin te bevorderen, is bij de verdachte een langdurig behandeltraject in een gesloten instelling noodzakelijk. De verdachte heeft de afgelopen jaren in zowel open als gesloten JeugdzorgPlus instellingen doorgebracht. Er was sprake van veel gedragsproblemen en weglopen. De verdachte kreeg de mogelijkheid geboden bij zijn moeder vorm te geven aan zijn leven zonder bemoeienissen van de hulpverlening. In de maanden dat hij bij zijn moeder verbleef, is hij aangehouden op

verdenking van een ernstig geweldsdelict. Na zijn aanhouding en plaatsing in de JJI heeft hij op de groep een ernstig geweldsdelict gepleegd. Gezien de complexiteit van zijn problematiek, het onvoorspelbare karakter van zijn gedrag, het gewelddadig aspect van de feiten, het gegeven dat hij niet gemotiveerd is voor behandeling en de kans groot is dat hij zich aan een behandeltraject zal onttrekken, wordt een langdurige behandeling in een gesloten kader geadviseerd alwaar men ervaring heeft met en kennis van autisme en LVB. Het is van belang dat men tijdens dit traject middels proces-diagnostiek tot een verfijning van het autismespectrum-beeld komt dat bij betrokkene tijdens het huidige onderzoek

wordt gezien. Vervolgens is psycho-educatie van belang en behandeling in verband met zijn impuls- en agressieregulatieproblemen. Middels een delictanalyse dient meer zicht te worden verkregen op de factoren die een rol hebben gespeeld in zijn handelswijze. Het inslijpen van adequate gedragspatronen middels een spiegelende behandelingswijze is noodzakelijk om zijn inzicht en probleemoplossend vermogen in uiteenlopende situaties te

verbeteren. Een plaatsing van de verdachte in een kleine groep is van belang, omdat hij snel overprikkeld kan raken en zichzelf onvoldoende in de hand heeft. Een kleinschalige zeer gestructureerde setting zoals een VIC is derhalve wenselijk maar ook noodzakelijk.

De verdachte disfunctioneert op alle levensgebieden en loopt hierdoor vast in de thuissituatie, in zijn schoolse ontwikkeling en op straat. Indien bewezen is er sprake van twee ernstige geweldsdelicten en de kans op een nieuw geweldsdelict wordt als hoog ingeschat. Tevens is sprake van een gevaar voor verder crimineel ontsporen en een ernstig gevaar voor anderen. Een adequaat steunend netwerk is niet aanwezig. Moeder is geneigd haar zoon te veel in bescherming te nemen en ziet de ernst van zijn gedragsproblematiek

niet. Zijn behandelmogelijkheden en leerbaarheid zijn beperkt. Een langdurige justitiële behandeling in een gedwongen kader is noodzakelijk om de recidivekans op soortgelijke misdrijven te voorkomen. Er is geen andere mogelijkheid om gevaar voor personen af te wenden en geen alternatief meer voor beïnvloeding. Ook kan de noodzakelijke behandeling niet op andere wijze worden georganiseerd. Op basis van bovenstaande argumenten wordt

geadviseerd betrokkene een behandeltraject in een onvoorwaardelijk PIJ-kader op te leggen.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 mei 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De Raad adviseert de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De ernst van de delicten waarvan de verdachte wordt verdacht neemt toe en de Raad heeft zorgen op vrijwel alle domeinen. Er is sprake van complexe psychopathologie. Hij vormt een gevaar voor de maatschappij om hem heen ten gevolge van de combinatie van factoren, te weten een zelfbepalende houding die niet aan te sturen is door volwassenen, het gebrekkige geweten waardoor hij niet intern geremd wordt door passende gedachtes, het gebrek aan reflectievermogen en probleeminzicht, het hebben van beperkte pro-sociale emoties waardoor hij moeite heeft om zich te verplaatsen in de binnenwereld van een ander in combinatie met ernstige regulatieproblemen wat al snel ontvlamt in ernstig impulsief en agressief gedrag, waarbij hij en zichzelf en zijn mogelijkheden ernstig overschat. Gezien het feit dat er al vele soorten hulpverlening zijn ingezet, het ontbreken van motivatie van de verdachte, het feit dat hij zichzelf meermaals heeft onttrokken aan behandeling en het beperkte steunende netwerk, wordt een ambulant traject of een voorwaardelijk strafdeel niet meer passend geacht. Zodoende adviseert de Raad geen gedragsbeïnvloedende maatregel of voorwaardelijke PIJ-maatregel. Het strafrechtelijk kader in de vorm van een PIJ-maatregel biedt de mogelijkheid om de verdachte langdurig residentieel te behandelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door wat ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Straf

Gezien de ernst van de feiten, dient naast een noodzakelijke langdurige justitiële behandeling in een gedwongen kader, ook gereageerd te worden met het opleggen van een stevige jeugddetentie van na te noemen duur.

PIJ-maatregel

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van wat de psycholoog, de psychiater en de Raad in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Anders dan de raadsman heeft bepleit ziet de rechtbank conform de adviezen van de deskundigen geen alternatieven om de noodzakelijk geachte behandeling anders dan binnen het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , wonende te Haarlem, ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 690,- aan materiële schade en een bedrag van € 1500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal dient te worden toegewezen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen tot een bedrag van € 540,- (€ 385,- eigen risico zorgverzekering, € 90,- broek en € 65,- shirt). Het overige deel van de (materiële) vordering van de benadeelde partij (ten aanzien van de schoenen), levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 september 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.040,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht .

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 2.040,- (zegge: tweeduizend en veertig euro), bestaande uit € 540,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.040,- (hoofdsom, zegge: tweeduizend en veertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. Stalenberg, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.A.J. de Nijs en E. Huls, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 mei 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 september 2018 te Haarlem

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

heeft gestoken in de buik van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 februari 2019 te Sassenheim, gemeente Teylingen,

aan een persoon (te weten [naam slachtoffer 2] ),

opzettelijk en met voorbedachten rade,

zwaar lichamelijk letsel

(te weten brandwonden aan hoofd en rug variërend tussen oppervlakkig en dieper

tweede graads met een totaal verbrand lichaamsoppervlak van 8%),

heeft toegebracht,

door het hoofd en/of de rug, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 2]

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

te overgieten met (zeer) heet water;

(art. 303/302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 februari 2019 te Sassenheim, gemeente Teylingen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk en met voorbedachten rade

aan [naam slachtoffer 2]

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

het hoofd en/of de rug, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 2] heeft

overgoten met (zeer) heet water,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 303/302/45 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 februari 2019 te Sassenheim, gemeente Teylingen,

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld

door het hoofd en/of de rug, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 2] te

overgieten met (zeer) heet water,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel,

te weten (brandwonden aan hoofd en/of rug variërend tussen oppervlakkig en

dieper tweede graads met een totaal verbrand lichaamsoppervlak van 8%) ten

gevolge heeft gehad;

(art. 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht