Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:420

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
C/10/541267 / FA RK 17-10462
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag na misbruik DigiD voor aantekening in gezagsregister?

De rechtbank moet nog beslissen op het aanvullend verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Daarbij zal de rechtbank betrekken dat de vader, als gevolg van verschillende standpunten destijds over gezamenlijk gezag en een gebrek aan financiële middelen voor het beginnen van een rechtszaak, in augustus 2016 heeft besloten zonder haar toestemming de DigiD-code te gebruiken van de moeder voor het laten aantekenen van gezamenlijk gezag in het gezagsregister en betrekken dat hij dit misbruik jarenlang heeft ontkend, ook in de rechtbank (hierna: het misbruik van de DigiD-code).

Naast de directe sanctie die bestaat uit het doorhalen van de aantekening in het gezagsregister, betrekt de rechtbank deze feiten dus ook bij de beoordeling van het verzoek tot gezamenlijk gezag. Door het bepalen dat de inschrijving in het gezagsregister moet worden doorgehaald, herleeft de situatie zoals die was voor de inschrijving. De moeder heeft alleen het gezag over de minderjarige.

In deze zaak krijgt de vader het gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/541267 / FA RK 17-10462

Beschikking van 3 januari 2019 betreffende het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderbijdrage

in de zaak van:

[naam vader] , de vader,

wonende te Maassluis,

advocaat mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen,

t e g e n

[naam moeder] , de moeder,

wonende te Rotterdam,

advocaat mr. D.N. van Wensen te Rotterdam,

ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2012 te [geboorteplaats minderjarige] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van 26 februari 2018;

  • -

    de brief van de zijde van de moeder, gedateerd 12 juni 2018, met als
    aangehechte bijlage de door partijen op 22 mei 2018 getekende
    vaststellingsovereenkomst;

  • -

    de brief van de zijde van de vader, gedateerd 12 juni 2018, met als aangehechte
    bijlage de door partijen op 22 mei 2018 getekende vaststellingsovereenkomst;

  • -

    het aanvullend (zelfstandig) verzoek van de moeder met bijlagen, ingekomen op 5 december 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de moeder, gedateerd 10 december 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de vader, gedateerd 17 december 2018.

1.2.

De behandeling is voortgezet ter zitting van 18 december 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    partijen en advocaten voornoemd;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij (tussen) beschikking van 26 februari 2018 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald.

2.2.

Tijdens de zitting zijn partijen het eens geworden over:

  • -

    het verzoek van de vader tot het vaststellen van een definitieve zorgregeling;

  • -

    het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een kinderbijdrage en

  • -

    het verzoek van de moeder tot het doorhalen van de aantekening in het gezagsregister.

De vader heeft zijn verzoek tot opname in de beschikking van de vaststellingsovereenkomst ingetrokken.

De rechtbank zal hierna beslissen zoals partijen zijn overeengekomen.

Het ouderlijk gezag

2.3.

De rechtbank moet nog beslissen op het aanvullend verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] .

Daarbij zal de rechtbank betrekken dat de vader, als gevolg van verschillende standpunten destijds over gezamenlijk gezag en een gebrek aan financiële middelen voor het beginnen van een rechtszaak, in augustus 2016 heeft besloten zonder haar toestemming de DigiD-code te gebruiken van de moeder voor het laten aantekenen van gezamenlijk gezag in het gezagsregister en betrekken dat hij dit misbruik jarenlang heeft ontkend, ook in de rechtbank (hierna: het misbruik van de DigiD-code).

Naast de directe sanctie die bestaat uit het doorhalen van de aantekening in het gezagsregister, betrekt de rechtbank deze feiten dus ook bij de beoordeling van het verzoek tot gezamenlijk gezag. Door het bepalen dat de inschrijving in het gezagsregister moet worden doorgehaald, herleeft de situatie zoals die was voor de inschrijving. De moeder heeft alleen het gezag over [naam minderjarige] .

2.4.

Op grond van artikel 1:253c, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.

Indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Ernstige contra-indicaties voor gezamenlijk gezag worden niet snel aangenomen. De Hoge Raad heeft meerdere keren geoordeeld dat alleen in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het in het belang van het kind is dat eenhoofdig gezag wordt uitgesproken (HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9669 en HR 24 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0237).

2.5.

Vaststaat dat de vader een tot het gezag bevoegde ouder is van [naam minderjarige] , dat hij, oordelend naar vandaag, nimmer het gezag gezamenlijk heeft uitgeoefend met de moeder en dat de moeder niet instemt met het gezamenlijk gezag.

De rechtbank beoordeelt daarom of voormeld onaanvaardbaar risico bestaat of dat afwijzing anderszins in het belang van [naam minderjarige] noodzakelijk is.

2.6.

De moeder verzet zich tegen het verzoek van de vader en voert een viertal gronden hiervoor aan, te weten:

  • -

    haar gebrek aan vertrouwen in de vader;

  • -

    de passieve rol van de vader;

  • -

    de communicatie tussen partijen;

  • -

    gezamenlijk gezag is niet in het belang van [naam minderjarige] .

Het gebrek aan vertrouwen

2.6.1.

Het vertrouwen van de moeder in de vader is ernstig geschaad. De moeder onderbouwt dit niet alleen door te wijzen op de manier waarop de relatie tussen partijen destijds door de vader is beëindigd, maar ook door te wijzen op het misbruik van de DigiD-code. Met deze onderbouwing is niet onbegrijpelijk dat de moeder weinig tot geen vertrouwen heeft in de vader.

Echter, de rechtbank is van oordeel dat dit gebrek aan vertrouwen geen ernstige contra-indicatie is voor gezamenlijk gezag. Immers, het gedrag van de vader tegenover de moeder heeft wel haar vertrouwen in hem als ex partner geschaad, maar niet in doorslaggevende zin haar vertrouwen in hem als vader van [naam minderjarige] . De moeder – zo vertelt zij eerlijk ter zitting – vindt namelijk wel dat de vader een goede vader voor [naam minderjarige] is en dat hij goed zorgt voor [naam minderjarige] . Overigens spreekt de vader dit ter zitting ook naar de moeder uit. Hij vindt haar een goede moeder. Partijen diskwalificeren elkaar niet als ouder van [naam minderjarige] .

De passieve rol van de vader

2.6.2.

De stellingen van partijen en wat zij hebben verteld tijdens de zitting geven het volgende beeld. De manier waarop de vader in het verleden de relatie met de moeder heeft beëindigd alsmede het misbruik van de DigiD-code, hebben een ongelijkheid in gang gezet in de rol die partijen als ouders hebben. De moeder neemt het voortouw in de beslissingen die moeten worden genomen voor [naam minderjarige] . De vader neemt vaak een afwachtende en passieve houding aan. Die houding zorgt er ook voor dat de vader de moeder bijvoorbeeld niet heeft geïnformeerd over het met [naam minderjarige] passeren van de grens met België en het niet informeren over het ziekmelden van [naam minderjarige] op school. Het is aannemelijk dat deze rolverdeling zwaar is voor in ieder geval de moeder, zo wordt duidelijk tijdens de behandeling ter zitting.

Deze rolverdeling tussen partijen onderbouwt echter niet dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [naam minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders. De vader heeft bijvoorbeeld wel zijn handtekening gezet voor (een geneeskundige behandelovereenkomst met) een kinderpsycholoog zodra hij de papieren daarvoor ter ondertekening kreeg.

Het passeren van de grens met België, beziet de rechtbank in samenhang met de duur van dat verblijf; een kort verblijf voor het afzetten van een familielid. Over het ziekmelden voor school stelt de moeder niet dat de vader met het ziekmelden het belang van [naam minderjarige] heeft geschonden. De rechtbank begrijpt de stellingen van de moeder dan ook niet zo dat zij vindt dat de vader niet in het belang handelt van [naam minderjarige] , maar dat de communicatie met haar daarover, ernstig tekortschiet.

De communicatie

2.6.3.

De communicatie tussen partijen is niet goed. Aan de ene kant is het de reden geweest om de zorg zo te veredelen dat partijen elkaar niet hoeven te spreken bij het overdragen van de zorg. Sinds september 2018 hebben partijen de zorg verdeeld op basis van co-ouderschap met het wisselmoment op school. Aan de andere kant, zo begrijpt de rechtbank uit wat partijen vertellen tijdens de zitting, lukt het partijen bijvoorbeeld wel om op zaterdagen beiden aanwezig te zijn bij de balletles van [naam minderjarige] .

Het is zeker belangrijk voor [naam minderjarige] dat partijen beter communiceren met elkaar. In het algemeen is dit belangrijk van voor [naam minderjarige] en in het bijzonder is dit belangrijk vanwege het co-ouderschap. Zolang de communicatie niet goed is, bestaat er dan ook een risico dat [naam minderjarige] klem en verloren raakt tussen haar ouders. Op zichzelf is dat echter onvoldoende om te oordelen dat er een uitzonderingsgeval is waarin eenhoofdig gezag in het belang van het kind is.

Het belang van [naam minderjarige]

2.6.4.

Het is belangrijk voor [naam minderjarige] dat haar ouders elkaar de ruimte geven om ieder een (kwalitatief) goede band te houden met [naam minderjarige] . Die ruimte geven partijen elkaar met het co-ouderschap. Co-ouderschap betekent ook dat het belangrijk is dat zowel de moeder als de vader nauw betrokken is bij wat er gebeurt in het leven van [naam minderjarige] . Beiden behoren betrokken te zijn bij school en behoren informatie te krijgen van school. Ook behoren zij beiden betrokken te zijn bij de hulp die [naam minderjarige] zal krijgen van de kinderpsycholoog. Het belang van [naam minderjarige] vereist dus eerder dat partijen gezamenlijk het gezag hebben dan dat alleen een van hen het gezag heeft.

2.6.5.

De rechtbank komt tot het oordeel dat voormeld onaanvaardbaar risico niet bestaat en dat afwijzing niet anderszins in het belang van [naam minderjarige] noodzakelijk is.

De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen.

2.7.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

gelast de griffier de aantekening door te halen in het gezagsregister van 10 augustus 2016 met betrekking tot de minderjarige

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2012 te [geboorteplaats minderjarige] ;

3.2.

belast partijen met ingang van vandaag met het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] ;

3.3.

bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 januari 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] , voor de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 250,- per maand;

3.4.

veroordeelt de vader € 504,- te betalen aan de moeder uiterlijk 31 januari 2019;

3.5.

stelt vast dat [naam minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader zal zijn:

  • -

    eenmaal in de twee weken van maandag tot maandag;

  • -

    de helft van de vakanties, door partijen in onderling overleg nader te bepalen;

3.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier P. Mansveld op 3 januari 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.