Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:419

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
C/10/551727 / FA RK 18-4280
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek wijziging kinderalimentatie met proceskostenveroordeling; achtergronden en overwegingen bij oordeel dat het compenseren van de proceskosten in deze zaak in strijd is met de redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/551727 / FA RK 18-4280

Beschikking van 7 januari 2019 betreffende de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] gemeente Binnenmaas , [adres vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.E. Koopmans te Oud-Beijerland,

t e g e n

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man] , gemeente Binnenmaas , [adres man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H.J. van Smaalen te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 1 juni 2018;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 juli 2018;

  • -

    het F-formulier, met bijlage, van de zijde van de man, van 16 november 2018

  • -

    het F-formulier, met bijlagen, van de zijde van de vrouw, van 30 november 2018.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 december 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat;

  • -

    de man met zijn advocaat.

1.3.

Het minderjarige kind van partijen is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft zijn mening schriftelijk aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2002 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 24 oktober 2007 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 13 november 2007 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 25 maart 2009 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] een bedrag tussen de € 160,- en 170,- per maand dient te betalen.

In een op 22 mei 2009 door de vrouw en op 1 juni 2009 door de man ondertekende overeenkomst hebben partijen – voor zover hier van belang – vastgelegd dat de man met ingang van 1 april 2009 ten behoeve van [naam minderjarige] een bijdrage van € 160,- per maand zal voldoen.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2016 zijn – voor zover hier van belang – de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 25 maart 2009 en de daaropvolgende overeenkomst gewijzigd, in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] met ingang van 1 mei 2015 is bepaald op € 25,- per maand.

3 De beoordeling

3.1.

Onderhoudsbijdrage

3.1.1.

De vrouw verzoekt – naar de rechtbank begrijpt: met wijziging van voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2016 op dit punt – te bepalen dat de man met ingang van 1 maart 2018 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] dient te betalen van € 188,74 per maand.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende het levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.

3.1.4.

Dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2016 staat vast. Eind 2016 is de man – om te voorkomen dat hij op termijn afhankelijk zou worden van een bijstandsuitkering – begonnen met zijn eenmanszaak [naam bedrijf] , en in de loop van 2017 is een einde gekomen aan de WW-uitkering die de man ten tijde van de beschikking van 22 januari 2016 nog ontving.

Partijen verschillen van mening over de vraag of deze gewijzigde omstandigheden ook rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, met andere woorden: partijen zijn het niet eens over de vraag of de eenmanszaak van de man betekent dat hij een hogere bijdrage voor [naam minderjarige] kan betalen.

Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat niet in geschil is dat [naam minderjarige] behoefte heeft aan de nu door de vrouw verzochte kinderbijdrage.

3.1.5.

Voor zijn draagkracht heeft de man overgelegd zijn fiscale rapporten over 2016 en 2017, en de winst- en verliesrekening van zijn eenmanszaak over de maanden januari tot en met september 2018. Op basis van de in deze stukken opgenomen gegevens berekent de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) over 2017 op € 1.012,- per maand (op basis van winst en WW) dan wel € 671,- (op basis van uitsluitend de winst), en over het eerste kwartaal van 2018 op € 442,- per maand. De juistheid van deze berekeningen is door de vrouw niet betwist.

3.1.6.

Het huidige NBI van de man is daarmee lager dan het NBI van € 1.216,- per maand waarvan in de beschikking van 22 januari 2016 is uitgegaan en op basis waarvan de draagkracht van de man destijds is bepaald op € 25,- per maand. Dit betekent dat de man met zijn huidige inkomen niet in staat is een hogere kinderbijdrage voor [naam minderjarige] te betalen dan de bijdrage die bij beschikking van 22 januari 2016 is vastgesteld.

Dat de man een eenmanszaak is begonnen, is dus geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden.

3.1.7.

Met haar nadere stellingen dat de man zijn verdiencapaciteit niet benut en dat hij (weer) in loondienst zou moeten/kunnen gaan werken, komt de vrouw te laat. Namelijk pas tijdens de zitting. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stellingen.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

3.1.8.

Tijdens de zitting is nog ter sprake gekomen dat het voor de vrouw lastig en frustrerend is dat de man, zonder daarover iets te laten weten, de kinderbijdrage niet altijd op tijd betaalt. Dit is voor haar het belangrijkste in deze procedure, zo verklaart zij desgevraagd.

Daarop zegt de man toe dat hij zal proberen om de kinderbijdrage op tijd te betalen. Hij was zich er niet van bewust dat de vrouw het ook belangrijk vindt dat hij het haar laat weten als hij toch niet op tijd kan betalen. Hij zal dat voortaan direct doorgeven aan de vrouw.

Daarbij zegt de man toe ieder jaar vóór 1 maart de jaarcijfers van zijn eenmanszaak aan de vrouw – en, naar de rechtbank aanneemt: aan [naam minderjarige] , zodra hij meerderjarig is – ter inzage te geven, om te bekijken of de bijdrage van de man voor [naam minderjarige] moet worden verhoogd.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot het betalen van het griffierecht dat hij

heeft betaald, € 79,-. Om hem moverende redenen verzoekt de man niet tot het betalen van een verdere vergoeding voor het voeren van verweer.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man.

3.2.2.

Op grond van artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten inhouden.

Over artikel 289 Rv oordeelt de Hoge Raad in zijn arrest van 18 januari 2013 dat de rechter bevoegd is ten gunste van elke partij een proceskostenveroordeling uit te spreken ten laste van een andere partij, als die partij ten opzichte van de andere partij kan worden aangemerkt als in het ongelijk gesteld (ECLI:NL:HR:2013:BY0572).

Bij haar oordeel betrekt de rechtbank ook het juridisch kader zoals het hof Arnhem-Leeuwarden dat verwoordt in zijn arrest van 19 november 2008 (ECLI:NL:GHARN:2008:BG4803):

“Zoals bekend wordt in zaken tussen ex-partners in het algemeen besloten tot compensatie van kosten. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De gedachte daarachter is dat de afwikkeling van een scheiding tussen de partners dikwijls met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat niet te snel tot een kostenveroordeling ten laste van een der partijen wordt overgegaan. Een zakelijk 'gelijk' van de een op een of meer onderdelen van de rechtsstrijd tussen partijen betekent immers niet zonder meer dat de ander, de aard van de geschilpunten in aanmerking genomen, de zaak zonder behoorlijke gronden aanhangig heeft gemaakt of verweer heeft gevoerd tegen de verzoeken van de ander. Die gronden kunnen deels gelegen zijn in de emotionele geladenheid van de problematiek. De rechter in familierechtelijke aangelegenheden zou zijn taak miskennen, indien hij uitsluitend toegankelijk zou zijn voor een zakelijke en juridische argumentatie. Om die reden behoren geen te hoge drempels te worden opgeworpen voor de toegang tot de rechter. Dit brengt onder meer mee dat bij de beslissing omtrent de kosten in het algemeen niet kan worden volstaan met de vaststelling dat het zakelijke gelijk geheel of in overwegende mate bij een van de partijen ligt. De noodzakelijke terughoudendheid van de rechter wordt ook ingegeven door de overweging dat partijen in vele gevallen nog met elkaar verder moeten, al was het maar omdat zij gezamenlijke kinderen hebben. Een kostenveroordeling ten laste van de een ten gunste van de ander kan de verdere relatie belasten, omdat deze veroordeling als prestigewinst kan worden opgevat.

Ook in familierechtelijke zaken kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn de kosten te compenseren”.

3.2.3.

De vrouw kan worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank is dus bevoegd ten gunste van de man een proceskostenveroordeling uit te spreken. Omdat het een familierechtelijke zaak betreft, is het uitgangspunt dat de rechtbank dat niet doet. Gelet op het verzoek van de man beoordeelt de rechtbank of het juist in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn de kosten te compenseren.

3.2.4.

Daarbij betrekt de rechtbank ten eerste de plicht van (ook) de vrouw als verzoeker om zo tijdig mogelijk in de procedure stellingen en onderbouwingen naar voren te brengen en niet het spreekwoordelijke kruit droog te houden. Zie hiervoor ook de memorie van toelichting bij de Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (26 855) en de artikelen 21, 22, 22b Rv.

Naar de man onweersproken stelt heeft hij in juni 2018 inhoudelijk gereageerd op het verzoek van de vrouw tot het sturen van financiële stukken. Pas ter zitting (11 december 2018) neemt de vrouw het standpunt in dat deze stukken onvoldoende zijn. Een goede reden geeft de vrouw niet voor het tijdstip van haar reactie. Zij heeft dus niet tijdig haar stellingen en onderbouwingen naar voren gebracht.

3.2.5.

Bij de beoordeling of er strijd is met de redelijkheid en billijkheid, betrekt de rechtbank ten tweede dat de vrouw lichtvaardig omgegaan is met het belang van de man om kosten te voorkomen. De dikwijls vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden – zoals het hof Arnhem-Leeuwarden het verwoordt – rechtvaardigen naast terughoudendheid bij een veroordeling in de proceskosten, een actieve houding om tot een oplossing te komen en zodoende ook kosten te beperken. Ter vergelijking wijst de rechtbank erop dat in familiezaken een vergelijkbare norm geldt voor advocaten die op basis van toegevoegde rechtsbijstand hun diensten verlenen (Bijlage 4 van de Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2013 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, onder 1, 5, 6 en 7).

Naar de man onweersproken stelt heeft hij in juni 2018 de vrouw - bij het desgevraagd naar haar sturen van financiële stukken en onder verwijzing naar die stukken - gevraagd het verzoek in te trekken zodat hij geen kosten zou hoeven maken voor griffierecht. Om die reden heeft de man op 29 juni 2018 kennelijk ook uitstel gevraagd voor het indienen van een verweerschrift. Naar de vrouw erkent tijdens de zitting, heeft zij op dit verzoek geen enkele reactie gegeven aan de man.

3.2.6.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het in deze familierechtelijke zaak in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn de kosten te compenseren en zal het verzoek van de man toewijzen.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst af het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderbijdrage voor de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2002 te [geboorteplaats minderjarige] ;

4.2.

veroordeelt de vrouw € 79,- te betalen aan de man.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 7 januari 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.