Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4151

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
C/10/570762 / KG ZA 19-269 C/10/ 570760 / FA RK 19-2612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond.

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen.

Voldoende gebleken dat aanwezigheid van eiser ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor achterblijvers dan wel dat sprake was van een ernstig vermoeden daarvan.

Verzoeker niet onevenredig in zijn belangen geschaad omdat hij tijdens het huisverbod niet over zijn persoonlijke spullen kon beschikken.

Verweerder was bevoegd tot oplegging van het huisverbod en heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

Verweerder heeft terecht meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van achterblijvers bij een veilige thuissituatie.

Omstandigheid dat achterblijfster tijdelijk bij haar ouders in Eindhoven is ingetrokken, geen grond voor opheffing. Omdat zij haar werk heeft in Rotterdam moet zij op de dagen dat zij werkt over de woning kunnen beschikken. Geen reële aanvang gemaakt met de hulpverlening, zodat ook ter zitting geen aanleiding bestond tot het opheffen van het huisverbod over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/570762 / KG ZA 19-269 (voorlopige voorziening)

C/10/ 570760 / FA RK 19-2612 (beroep)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

29 maart 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

wonende te [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker]

nu verblijvende te [verblijfplaats verzoeker] , [verblijfadres verzoeker]

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. R. Duivenvoorde,

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[naam belanghebbende] , de partner van verzoeker, hierna achterblijfster,

[naam kind] , het kind van verzoeker en achterblijfster, hierna de minderjarige

beiden wonende te [woonplaats belanghebbende] , [adres belanghebbende] .

Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 25 maart 2019 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker van tien dagen, te weten tot 4 april 2019 11:59 uur.

Bij brief van 25 maart 2019 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2019.

Aanwezig waren:

 verzoeker;

 verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Duivenvoorde en [naam vertegenwoordiger 1] ;

 Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] .

Beslissing

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

1.1.

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van het bestreden besluit.

Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek. Het feit dat het huisverbod nog van kracht is, brengt spoedeisendheid met zich.

2.2.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3. Verzoeker betwist dat hij direct fysiek geweld heeft gepleegd jegens achterblijfster. Voorts betoogt hij dat het huisverbod hem in zijn belangen schaadt omdat hij niet kan beschikken over zijn persoonlijke spullen zoals zijn sleutels, zijn (werk)kleding en zijn studiemateriaal. Tot slot is het huisverbod niet langer nodig omdat achterblijfster inmiddels bij haar ouders in Eindhoven verblijft, aldus verzoeker.

3.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

3.2.

De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen.

3.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat op 25 maart 2019 gelet op het verhandelde ter zitting en de door verweerder overgelegde stukken sprake is geweest van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat verzoeker een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor achterblijvers dan wel dat sprake is van een ernstig vermoeden daarvan. Onbetwist staat vast dat achterblijfster door de politie thuis zeer angstig is aangetroffen als gevolg van een uit de hand gelopen ruzie die nacht tussen verzoeker en achterblijfster, terwijl de éénjarige dochter van verzoeker en achterblijfster aanwezig was in de woning. Verzoeker bevestigt voorts ter zitting dat hij ten tijde van het incident onder invloed was van alcohol, dat hij heel erg boos was op achterblijfster en dat hij tegen haar heeft gezegd: “eigenlijk wil ik je slaan en je zou in het bloed moeten liggen”. Verzoeker bevestigt ook ter zitting dat hij achterblijfster fysiek en agressief heeft benaderd en bedreigd. Daarmee staat voor de voorzieningenrechter vast dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar opleverde voor achterblijfster.

Dat de visies van verzoeker en achterblijfster over de mate van fysieke agressie verschillen, volgens verzoeker heeft hij herhaaldelijk alleen met een kussen naar achterblijfster gegooid maar volgens achterblijfster heeft hij haar met vlakke hand in het gezicht geslagen en daarna geslagen met een kussen ertussen om zichtbaar letsel te voorkomen, maakt dit oordeel niet anders.

3.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ten tijde van de oplegging van het huisverbod terecht voornoemd vermoeden van gevaar aangenomen. Aan verweerder kwam daarom de bevoegdheid toe een huisverbod op te leggen.

3.5.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of verweerder, alle belangen afwegend, in redelijkheid gebruik kon maken van deze bevoegdheid het huisverbod op te leggen. Verzoeker heeft in dat verband aangevoerd onevenredig in zijn belangen te zijn geschaad omdat hij door het huisverbod niet kan beschikken over zijn (werk)kleding, studiematerialen, de sleutels van de auto en de sleutel van de woning van zijn ouders.

Uit de stukken van verweerder blijkt niet dat verzoeker eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij voornoemde spullen nodig heeft. Ter zitting deelt verweerder mede dat een huisverbod dergelijke consequenties kan hebben en dat verzoeker met een medewerker van Veilig Thuis afspraken kan maken over het verkrijgen van deze spullen.

3.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht aan het belang van achterblijvers bij een veilige thuissituatie meer gewicht toegekend dan aan het belang van verzoeker te kunnen beschikken over voormelde spullen. Verweerder is in redelijkheid tot oplegging van het huisverbod overgegaan.

3.7.

Tot slot dient beoordeeld te worden of er op dit moment aanleiding is het huisverbod op te heffen. Verzoeker stelt daartoe dat achterblijfster de woning heeft verlaten en tijdelijk bij haar ouders in Eindhoven woont. Met verweerder is voorzieningenrechter van oordeel dat het huisverbod gehandhaafd dient te blijven. Achterblijfster moet kunnen beschikken over de woning op de dagen dat zij werkt in de buurt van de woning. Inmiddels heeft er vandaag een partnergesprek plaatsgevonden en ziet verzoeker in dat hij hulpverlening nodig heeft vanwege zijn alcoholgebruik en het reguleren van zijn emoties. Hierover zijn in het partnergesprek afspraken gemaakt en tevens zijn veiligheidsafspraken gemaakt. Verzoeker wordt zo spoedig mogelijk aangemeld voor de hulpverlening en daarmee staat dus vast dat er nog geen reële aanvang is gemaakt met deze hulpverlening op grond waarvan het huisverbod zou moeten worden opgeheven.

Aldus gedaan door mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: