Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4081

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
10/018087-19, 10/215005-18, 10/048345-19 en 10/197632-17 (ter rechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging voorwaardelijke ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/018087-19, 10/215005-18, 10/048345-19 en 10/197632-17

(ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 16 mei 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres Koddeweg 100 ,

3194 DH Hoogvliet Rotterdam ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan,

raadsman mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 mei 2019.

De zaak met parketnummer 10/197632-17 (waarbij op een eerdere terechtzitting de zaak met parketnummer 10/247762-17 is gevoegd) is op de terechtzitting van de politierechter van diezelfde datum verwezen naar de terechtzitting van de meervoudige kamer.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de in de zaken met parketnummers 10/018087-19, 10/215005-18 (onder 1, 2 en 3), 10/048345-19 en 10/197632-17 (op de dagvaardingen met parketnummers 10/197632-17 en 10/247762-17) ten laste gelegde feiten;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar, met eventueel een tussentijdse toets na 6 maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering in de zaak met parketnummer 10/018087-19

Standpunt verdediging

De verdachte moet van de in deze zaak ten laste gelegde diefstal van een koptelefoon bij de Action worden vrijgesproken, omdat de verdachte niet het oogmerk heeft gehad zich de koptelefoon wederrechtelijk toe te eigenen. Hij was net in vrijheid gesteld en had een oplaadsnoertje nodig om zijn telefoon op te laden, zodat hij zijn moeder kon bellen om te vragen of hij bij haar kon verblijven en hij bereikbaar kon zijn voor de reclassering. Nadat hij de koptelefoon op zijn hoofd had gezet, wilde hij daarover nog in gesprek gaan bij de servicebalie. Uit het dossier blijkt dat hij daar ook daadwerkelijk heeft gestaan. Hij was behoorlijk onder invloed van de hem toegediende medicatie, zodat hij zich niet realiseerde wat hij aan het doen was.

Beoordeling

De opzettelijke wegnemingshandeling van de diefstal is voltooid als de verdachte zich als heer een meester over de koptelefoon heeft gedragen. De verdachte heeft op de terechtzitting bekend dat hij de koptelefoon in de Action op zijn hoofd heeft gezet en vervolgens zijn muts eroverheen heeft gedaan. Bij de politie heeft hij ook verklaard dat hij de koptelefoon uit de verpakking heeft gehaald. Die verklaring wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Medewerkers van de Action hebben verklaard dat zij hebben gezien wat hij deed en dat hij daarna de verpakking terug in het schap gooide. Alleen al deze handelingen betreffen handelingen die er naar uiterlijke verschijningsvorm op zijn gericht om de koptelefoon te stelen. Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen staat bovendien ook vast dat de verdachte, met de koptelefoon op en zijn muts daaroverheen, van het schap is weggelopen en vervolgens de kassa’s is gepasseerd zonder te betalen.

Gelet hierop heeft de verdachte zich als heer en meester over de koptelefoon gedragen en is bewezen dat hij de koptelefoon met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. De aangevoerde omstandigheden doen hier niets aan af. Het verweer wordt daarom verworpen.

4.2.

Bewijswaardering in de zaak met parketnummer 10/215005-18, feit 1

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde geweldshandeling. Hij heeft bekend dat hij de diefstal bij de Jumbo heeft gepleegd, maar er is onvoldoende bewijs dat hij de aangever heeft geslagen. De verklaring van de getuige [naam getuige] hierover, zoals vermeld in het proces-verbaal van bevindingen van de politie, kan niet worden gebruikt voor het bewijs, nu deze getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat de verdachte de aangever heeft geslagen en dat zijn verklaring door de politie verkeerd is opgeschreven. Dat betekent dat alleen de verklaring van de aangever overblijft en dat is onvoldoende om de geweldshandeling bewezen te verklaren.

Beoordeling

Anders dan de raadsman kennelijk heeft bedoeld is het geen wettelijk vereiste dat elk onderdeel van de tenlastelegging door twee bewijsmiddelen wordt bewezen. De regels van bewijsminima van de artikelen 388 en verder van het Wetboek van Strafvordering gelden ten aanzien van de gehele tenlastelegging. De verklaring van de aangever volstaat daarom als bewijs ten aanzien van de geweldshandeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan dit onderdeel van de verklaring van de aangever te twijfelen en acht deze verklaring dan ook voldoende betrouwbaar, mede gelet op het feit dat de aangever nog specifiek heeft verklaard dat zijn kunstgebit losschoot als gevolg van de vuistslag.

Op basis van diens verklaring wordt vastgesteld dat de aangever, nadat die hem had aangehouden, door de verdachte met de vuist in zijn gezicht is geslagen. Mede op basis van zijn eigen verklaring staat ook vast dat de verdachte vervolgens is weggevlucht. De ten laste gelegde diefstal met geweld is daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/018087-19 ten laste gelegde feit en het in de zaak met parketnummer 10/215005-18 onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10/215005-18 onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en de in de zaken met parketnummers 10/048345-19 en 10/197632-17 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Parketnummer 10/018087-19

hij op 22 januari 2019 te Rotterdam een koptelefoon, die aan een ander toebehoorde, te weten aan Action, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 10/215005-18

1.

hij op 28 oktober 2018 te Rotterdam levensmiddelen (Roti kip massala en Tonkatsu Chicken), die aan een ander toebehoorden ,te weten aan de Jumbo, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemde de [naam slachtoffer] eenmaal, te stompen in het gezicht;

2.

hij op 26 oktober 2018 te Rotterdam parfum (Dsquared2 Wood Pour Homme), dat aan een ander toebehoorde, te weten aan Ici Paris XL, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op 25 oktober 2018 te Rotterdam een scheerapparaat/gezichtsborstel (Luna for men gezichtsborstel) dat aan een ander toebehoorde, te weten aan Ici Paris XL, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 10/048345-19

hij op 19 oktober 2018 te Rotterdam meerdere levensmiddelen, die aan een ander toebehoorden, te weten aan Albert Heijn (vestiging [adres delict] ) heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 10/197632-17

feit op de dagvaarding met parketnummer 10/197632-17

hij op 7 oktober 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen axe spray en 6 verpakkingen sensodyne en 5 verpakkingen rexona max

(totale verkoopwaarde van €86,47 euro), toebehorende aan Albert Heijn;

feit op de dagvaarding met parketnummer 10/247762-17

hij op 7 december 2017 te Rotterdam vijf, flessen elvive oil en corned beef en een zalm sushi rol, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan De Albert Heijn (gelegen aan de [plaats delict] )

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/018087-19

diefstal;

Parketnummer 10/215005-18

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

diefstal;

3.

diefstal;

Parketnummer 10/048345-19

diefstal;

Parketnummer 10/197632-17

feit op de dagvaarding met parketnummer 10/197632-17

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit op de dagvaarding met parketnummer 10/247762-17

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeven winkeldiefstallen, waarvan één met geweld en één samen met een mededader. Door het plegen van deze misdrijven heeft de verdachte financieel nadeel en overlast voor de betrokken winkeliers veroorzaakt. Bij één van de winkeldiefstallen heeft hij ook een beveiliger van de winkel in het gezicht gestompt. De beveiliger kreeg daardoor niet alleen pijn aan zijn kaak, maar hij had ook enige tijd erna nog last van slaaproblemen en is nog steeds wat angstig in zijn dagelijks werk. De verdachte heeft kennelijk geen oog gehad voor al deze gevolgen, maar alleen voor zijn eigen financieel gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 april 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recent is veroordeeld voor vermogensdelicten (voor het laatst in 2012). Ook blijkt hieruit dat hij is veroordeeld voor diverse andere delicten. Dit betreffen ook recentere veroordelingen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport dat Antes GGZ, afdeling reclassering, over de verdachte heeft opgemaakt, gedateerd 15 april 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De instabiele en marginale leefstijl van de verdachte, waarbij verschillende criminogene factoren elkaar negatief beïnvloeden, wordt in verband gebracht met het plegen van de delicten. De verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, noch dagbesteding of inkomen. Hij heeft een (grotendeels) negatief sociaal netwerk. Er is sprake van problematisch middelengebruik en er worden aanwijzingen gezien voor persoonlijkheidsproblematiek. Dit in combinatie met zijn pro-criminele houding en gewenning aan een criminele levenswijze lijkt ertoe te leiden dat de verdachte makkelijk terugvalt in delinquente patronen. Het recidiverisico wordt daarom ingeschat als hoog.

Tot op heden is het niet mogelijk gebleken om vanuit justitieel kader interventies in te zetten op de bovengenoemde criminogene factoren. Twee reclasseringstoezichten (in het kader van schorsing van de preventieve hechtenis) zijn niet uitvoerbaar gebleken, omdat de verdachte zich onvoldoende aan zijn bijzondere voorwaarden hield. Op andere momenten kwam het contact met de verdachte niet van de grond omdat hij te kennen gaf dat hij niet wilde meewerken of omdat hij onbereikbaar was.

In het huidige contact met de reclassering heeft de verdachte wel meegewerkt aan het opstellen van het onderhavige rapport en toont hij zich gemotiveerd voor hulpverlening. Hij laat hierbij wel weten dat hij deze hulpverlening alleen op het gebied van praktische zaken nodig vindt. De reclassering is van mening dat bij hem probleeminzicht ontbreekt.

De reclassering ziet wel degelijk noodzaak voor een intensief traject dat zich richt op alle leefgebieden om gedragsverandering, en daarmee recidivevermindering, te bewerkstelligen.

Onderzocht is of het kader van de ISD-maatregel nodig is om dit te bereiken, of dat er ook nog minder ingrijpende alternatieven zijn. De mogelijkheid van een traject bij Stichting Exodus is onderzocht, maar de medewerkers van Stichting Exodus concluderen dat de begeleiding die zij bieden niet passend is, aangezien de verdachte weinig zelfinzicht toont ten aanzien van zijn (dis-)functioneren en zijn motivatie zich beperkt tot het op orde krijgen van praktische zaken. Zij raden aan meer in te zetten op een behandeltraject. Omdat diagnostiek echter ontbreekt, kan de reclassering niet inschatten óf en welke (intensiteit van) behandeling nodig is.

De verdachte staat negatief tegenover de ISD-maatregel. Het feit dat er geen concreet plan van aanpak is in combinatie met de problemen op bijna alle leefgebieden en een hoog recidiverisico, maakt echter toch dat het kader van de ISD-maatregel op dit moment het meest passend wordt geacht. Geadviseerd wordt daarom om deze maatregel op te leggen.

Voorts weegt de rechtbank mee hetgeen de rapporteur, in aanvulling op dit rapport, bij e-mail van 1 mei 2019 aan de officier van justitie, heeft bericht. Deze e-mail houdt onder meer het volgende in.

De casemanager heeft meegedeeld dat de verdachte in de PI Alphen aan den Rijn goed gedrag heeft laten zien. Hij had werkzaamheden als reiniger, toonde zich gemotiveerd en was aanspreekbaar. De urinecontrole bij binnenkomst was positief, maar de controle daarna op 14 maart 2019 (tevens de laatste) was negatief. Uit een via zijn advocaat ontvangen getuigenschrift blijkt dat de werkzaamheden van de verdachte binnen de PI zijn beoordeeld als goed.

De verdachte hoopte in aanmerking te kunnen komen voor een woontraject bij De Hoop GGZ. Zij zijn echter hoofdzakelijk een behandelvoorziening. De behandeling wordt gecombineerd met veilige woonplekken op het terrein, maar cliënten kunnen niet enkel voor begeleid/beschermd wonen worden aangemeld. Om in aanmerking te kunnen komen voor een behandeltraject stelt De Hoop GGZ als voorwaarde dat een cliënt gemotiveerd is.

De reclassering adviseert, voor het geval de ISD-maatregel wel voorwaardelijk wordt opgelegd of een (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd, daarbij de volgende bijzondere voorwaarden op te nemen: een meldplicht, deelnemen aan een gedragsinterventie middelengebruik, ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en een legaal inkomen.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één of meer misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 april 2019 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Er is daarom voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel. Ook is voldaan aan de overige (in de richtlijnen van het OM) gestelde vereisten.

De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd. De onderhavige feiten zijn ook gepleegd in de proeftijden van twee voorwaardelijke veroordelingen.

Gelet daarop en mede gelet op hetgeen de reclassering heeft gerapporteerd, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de ISD-maatregel passend is. Anders dan de reclassering en de officier van justitie ziet de rechtbank echter aanleiding om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Uit de informatie van de PI blijkt dat de verdachte in de PI motivatie heeft getoond en zijn best heeft gedaan. Daarnaast blijkt uit het rapport van de reclassering en uit hetgeen de verdachte op de zitting heeft verklaard ook dat de verdachte veel weerstand heeft tegen het onvoorwaardelijke ISD-traject. Gelet daarop is juist de voorwaardelijke ISD-maatregel mogelijk ook effectief om de verdachte te stimuleren om zijn leven op orde te krijgen en geen strafbare feiten meer te plegen. Uit het rapport van de reclassering blijkt bovendien dat er nog (ambulante) mogelijkheden zijn. De rechtbank wil de verdachte dan ook nog een kans geven om die mogelijkheden te benutten.

De rechtbank zal daarom de ISD-maatregel voorwaardelijk opleggen, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/215005-18 onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 11,40 aan materiële schade (reiskosten in verband met het gesprek met Slachtofferhulp) en een vergoeding van € 450,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 211,40, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vergoeding van € 11,40 aan materiële schade (de reiskosten) is geheel toewijsbaar. Voor de geleden immateriële schade is een vergoeding van € 200,- toewijsbaar. Voor het overige moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, als de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de geweldshandeling en heeft zich subsidiair aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het in de zaak met parketnummer 10/215005-18 onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De verdachte heeft in verband met de onderhavige vordering een gesprek gehad met Slachtofferhulp en heeft daarvoor reiskosten moeten maken voor een bedrag van € 11,40. De vordering is onderbouwd en is door de verdachte niet weersproken. De vordering tot vergoeding van deze schade zal daarom worden toegewezen.

Ook is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door dit feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht (namelijk pijn en psychische gevolgen, bestaande uit gevoelens van angst en onveiligheid). Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 oktober 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 261,40, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38m, 38n, 38p, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de in de zaken met parketnummers 10/018087-19, 10/215005-18 (onder 1, 2 en 3), 10/048345-19 en 10/197632-17 (op de dagvaardingen met parketnummers 10/197632-17 en 10/247762-17) ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de na te melden voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden,

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. de veroordeelde zal zich melden bij Antes GGZ, afdeling reclassering, zo lang en zo vaak als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  2. de veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie ‘Leefstijl 24/7’ of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik, te bepalen door de reclassering, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door de trainer/begeleider worden gegeven;

  3. de veroordeelde zal meewerken aan diagnostiek en zich onder ambulante behandeling stellen van een nader te bepalen instelling gericht op middelengebruik en psychosociaal functioneren, te bepalen door de reclassering, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de duur van proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling verantwoord vindt;

  4. de veroordeelde zal zich, indien dit in verband met zijn problematiek wordt geïndiceerd, klinisch laten opnemen voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven, gedurende een periode van maximaal 7 weken of zoveel korter als de (geneesheer)-directeur van die instelling in overleg met de reclassering verantwoord vindt;

  5. de veroordeelde zal verblijven in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de duur van de proeftijd, of zoveel korter als de

directeur van die instelling in overleg met de reclassering verantwoord vindt;

6. de veroordeelde zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en een legaal inkomen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het in de zaak met parketnummer 10/018087-19 gegeven bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 10/215005-18;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 261,40 (zegge: tweehonderdeenenzestig euro en veertig eurocent), bestaande uit € 11,40 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 261,40 (hoofdsom, zegge: tweehonderdeenenzestig euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 261,40 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. A. van Luijk en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/018087-19

hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Rotterdam

een koptelefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan Action, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen;

(artikel art 310 Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 10/215005-18

1

hij op of omstreeks 28 oktober 2018 te Rotterdam

levensmiddelen (Roti kip massala en/of Tonkatsu Chicken), in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten

aan de Jumbo,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, door voornoemde de [naam slachtoffer] meermalen,

althans eenmaal, te slaan en/of te stompen in/op/tegen het

gezicht/hoofd, althans het lichaam;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te Rotterdam

parfum (Dsquared2 Wood Pour Homme), in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Ici Paris XL,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)

3

hij op of omstreeks 25 oktober 2018 te Rotterdam

een scheerapparaat/gezichtsborstel (Luna for men gezichtsborstel), in

elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde,

te weten aan Ici Paris XL,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 10/048345-19

hij op of omstreeks 19 oktober 2018 te Rotterdam

een of meerdere levensmiddelen, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die

geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Albert Heijn

(vestiging [adres delict] ) heeft weggenomen, met het oogmerk

om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 10/197632-17

Dagvaarding met parketnummer 10/197632-17

hij op of omstreeks 7 oktober 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen axe

spray en/of 6 verpakkingen sensodyne en/of 5 verpakkingen rexona max

(totale verkoopwaarde van €86,47 euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)

Dagvaarding met parketnummer 10/247762-17

hij op of omstreeks 7 december 2017 te Rotterdam

vijf, in elk geval meerdere, flessen elvive oil en/of corned beef en/of een

zalm sushi rol, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan De Albert Heijn (gelegen aan de [plaats delict] )

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)