Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:4058

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
17-05-2019
Zaaknummer
10-203375-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een stekende beweging met een mes (met een lemmet van 10,5 centimeter) gemaakt in de richting van de borst van het slachtoffer. Dat levert een poging doodslag op. Oplegging van TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-203375-18

Datum uitspraak: 7 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het

Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Zwolle,

raadsman mr. M.R. de Kok, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging doodslag;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging en met vermelding dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag. De verdachte heeft aangeefster [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ) met een mes in haar linkerborst gestoken waardoor een wond van acht millimeter is ontstaan. Het ging daarbij om een scherp keukenmes met een lemmet van 11,5 cm. Omdat zich vitale organen bevinden in de buurt van de plek waar de verdachte [naam slachtoffer] heeft gestoken, is sprake van een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op een dodelijke afloop. De uiterlijke verschijningsvorm duidt erop dat verdachte zonder daar veel bij na te denken een stekende beweging heeft gemaakt naar aangeefster met een mes. Hiermee had de verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van [naam slachtoffer] .

4.1.2.

Standpunt verdediging

Betoogd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de poging doodslag en de poging zware mishandeling omdat er primair geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood dan wel van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft gestoken met een klein keukenmesje waarmee alleen dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht door met veel kracht en herhaaldelijk op vitale delen in te steken. Dat is hier niet aan de orde geweest.

Mocht de aanmerkelijke kans wel aanwezig worden geacht, dan is subsidiair aangevoerd dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard. Door zijn vinger bij het uiteinde van het mes te houden, heeft hij geprobeerd om het letsel beperkt te houden.

Ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.3.

Beoordeling

[naam slachtoffer] heeft verklaard dat zij na de lunch een medebewoner aansprak op zijn gedrag en dat de verdachte zich vervolgens met dat gesprek bemoeide. Toen [naam slachtoffer] in de richting van de verdachte liep, heeft de verdachte een mes uit zijn jas gepakt en [naam slachtoffer] in haar linkerborst gestoken. Deze aangifte wordt ondersteund door getuige [naam getuige] , die op dat moment op de woongroep bij verpleeghuis [naam verpleeghuis] aan het werk was. Zij heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte plotseling een mes uit zijn zak haalde, dat hij een stekende beweging maakte in de richting van de borst van [naam slachtoffer] en dat [naam slachtoffer] daarbij in haar borst werd geraakt.

Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte hierover zelf verklaard dat hij het mes uit zijn binnenzak heeft gepakt, met het mes met gestrekte hand naar [naam slachtoffer] heeft gewezen, dat [naam slachtoffer] toen doorliep, dat hij uiteindelijk ook een stekende beweging heeft gemaakt op het moment dat zij vlakbij de verdachte was en dat hij merkte dat het mes bij haar naar binnen ging.

Ter zitting heeft de verdachte verklaard helemaal geen mes te hebben gepakt, maar die verklaring is in het licht van de aangifte, de getuigenverklaring en de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris die hij direct na gebeurtenis heeft afgelegd, niet geloofwaardig geworden.

De vraag die aan de rechtbank voorligt is of de stekende beweging die de verdachte met het mes heeft gemaakt en waarbij hij [naam slachtoffer] in de linkerborst heeft geraakt, een poging doodslag, een poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of een mishandeling oplevert.

Daarbij is verder van belang of de verdachte ook het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [naam slachtoffer] van het leven te beroven/zwaar lichamelijk letsel/pijn toe te brengen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Enkele wetenschap van die kans volstaat niet. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het moet daarbij gaan om de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

In dit geval heeft de verdachte met een mes (met een lemmet van 10,5 centimeter) een stekende beweging gemaakt in de richting van de borst en daarbij de linkerborst/de onderrand van het borstbeen ook daadwerkelijk geraakt. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op een dodelijke afloop aanwezig is. Zoals ook uit de FARR-verklaring van 29 november 2018 blijkt, bevinden zich onder de ribbenboog vitale organen, zoals de lever, de maag, de linkerlong en het onderste deel van het hart. Wanneer een vitaal orgaan wordt geraakt, kan dat levensbedreigend zijn. Verder valt in deze verklaring te lezen dat indien de verwonding dieper in de borstkas zou hebben gereikt dan bij de beschreven verwonding ingeschat, de kans zou bestaan op beschadiging van deze onder de ribbenkas liggende vitale organen. Hiermee is sprake van op zijn minst voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. De verdediging heeft hierover aangevoerd dat de verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zijn hand op het lemmet hield, zodat hij [naam slachtoffer] niet ernstig kon verwonden maar dit onderdeel van zijn verklaring vindt geen enkele ondersteuning in het dossier en is daarmee niet aannemelijk geworden. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair, impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 14 oktober 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam slachtoffer] met een mes in de borst heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag van [naam slachtoffer] , die op dat moment op dezelfde zorgafdeling in verpleeghuis [naam verpleeghuis] verbleef als de verdachte. Wat begon als een woordenwisseling tussen [naam slachtoffer] en een derde, eindigde in een situatie waarbij de verdachte een mes uit zijn zak heeft gehaald waarmee hij [naam slachtoffer] in haar borst heeft gestoken. Dit is een zeer ernstig feit en is extra kwalijk omdat het feit zich heeft afgespeeld op een zorgafdeling waar diverse patiënten op dat moment verbleven en waar je je veilig zou moeten kunnen voelen. Het letsel van [naam slachtoffer] is gelukkig beperkt gebleven, maar dat is niet aan het handelen van de verdachte te danken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

15 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages /en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Psychiater dr. B.A. Blansjaar heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

7 december 2018. Dit rapport houdt – kortweg – het volgende in.

De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van het syndroom van Korsakov c.q. een neurocognitieve stoornis door alcohol. Daarnaast is ook sprake van stoornissen in het gebruik van opiaten en cocaïne, in remissie in gereguleerde omstandigheden. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van genoemde ziekelijke stoornissen van de geestvermogens en werden de gedragskeuzen en gedragingen van de verdachte hierdoor beïnvloed. De verdachte heeft door zijn chronische cognitieve stoornissen ernstige geheugendefecten en beperkingen van onder meer oordeel en kritiek, gewetensfuncties en invoelingsvermogen. Daardoor is hij voor een belangrijk deel het begrip van en de controle op zijn omgeving en zijn eigen wedervaren verloren en is hij geneigd tot achterdocht en impulsieve agressieve reacties. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Klinische items geven een hoog recidiverisico aan door ontbrekend ziekte- en probleeminzicht en defensief gewelddadige denkbeelden vanuit affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit door het ernstige Korsakov syndroom van de verdachte, wat slechts zeer ten dele behandelbaar is. Geadviseerd wordt het eventuele recidivegevaar te beperken door de verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Gezien het chronische beloop van zijn aandoening en de beperkte behandelmogelijkheden is waarschijnlijk in het kader van die maatregel plaatsing in een long stay afdeling aangewezen.

Psycholoog drs. G.J.W. Pol heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd

31 december 2018. Dit rapport houdt het – kortweg – volgende in.

Er kan bij de verdachte worden gesproken van een ongespecificeerde uitgebreide neurocognitieve stoornis met gedragsstoornissen en een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, opioïde en cocaïne (in remissie in een gereguleerde omgeving). Naar de mening van de psycholoog kan worden gesproken van een duidelijk verband tussen het ten laste gelegde feit en de bij de verdachte bestaande neurocognitieve stoornis. Aangenomen kan worden dat het verband tussen het ten laste gelegde en de bij de verdachte op dat moment bestaande stoornis zodanig was dat zijn gedragskeuzemogelijkheden daardoor in aanzienlijke mate werden beperkt. Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde in (sterk) verminderde mate dan wel in het geheel niet toe te rekenen.

Aangenomen mag worden dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake is geweest van een doorwerking van de bij de verdachte bestaande stoornis in het hem ten laste gelegde gedrag, ofwel dat de gedragskeuze-mogelijkheden van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit in aanzienlijke mate door genoemde stoornis werden bepaald. Hij had nog wel enig weet van het ontoelaatbare van zijn (delict)gedrag maar door de bij hem aanwezige stoornis – de forse cognitieve beperkingen, met name ook de gebrekkige impulscontrole - waren zijn mogelijkheden tot zelfsturing beperkt, was hij in (sterk) verminderde mate in staat om zijn gedrag bij te sturen. Het recidive-risico wordt ingeschat als hoog. De bij de verdachte bestaande neurocognitieve stoornis kent een chronisch beloop en is (zeer) beperkt behandelbaar. De verdachte is vanwege deze stoornis (en zijn lichamelijke aandoeningen) niet in staat om zelfstandig te functioneren en dient sowieso te worden opgenomen. De desbetreffende setting behoeft niet alleen een hoog zorgniveau, maar, gezien de kans op gevaarlijk gedrag van de verdachte, ook een voldoende hoog niveau van beveiliging. Gedacht wordt derhalve aan een forensisch-psychiatrische setting. Wat betreft het kader (waarin de opname/behandeling plaats moet vinden) dient te worden opgemerkt dat een voorwaardelijk kader niet haalbaar lijkt; de verdachte is (bij gebrek aan zelfreflecterend vermogen) niet intrinsiek gemotiveerd en (als gevolg van zijn cognitieve onvermogen) ook niet in staat zich aan voorwaarden te houden. Het geheel overziend - de ernst van het ten laste gelegde, de ernst van de stoornis, het grote verband tussen de stoornis en het ten laste gelegde en het hoge recidive-risico - wordt geadviseerd de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Aangezien de behandelmogelijkheden uiterst beperkt zijn en de verdachte vermoedelijk niet zal kunnen worden geresocialiseerd naar de reguliere zorg, zal uiteindelijk waarschijnlijk plaatsing op een long stay afdeling volgen.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

11 januari 2019. Dit rapport houdt in dat de reclassering het advies van de psychiater en de psycholoog onderschrijft.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapportages en neemt de conclusies mee in haar overwegingen bij het opleggen van de nader te noemen maatregel.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in (sterk) verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Voorts onderschrijft de rechtbank de conclusie dat oplegging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit en het gevaar voor herhaling.

Vastgesteld wordt dat het bewezen verklaarde feit, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr.

Vastgesteld wordt ook dat het strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend.

De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Aan de verdachte zal gelet op het voorgaande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

De officier van justitie heeft gevorderd om daarnaast aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Hoewel de ernst van het feit zonder meer een gevangenisstraf rechtvaardigt ziet de rechtbank daar, gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de toegevoegde waarde niet van. De deskundigen hebben in hun rapportages duidelijk uiteengezet dat voor de verdachte een hoog zorgniveau noodzakelijk is gelet op de chronische (en daardoor slechte behandelbare) stoornis van de verdachte en zijn beperkte mogelijkheden tot zelfredzaamheid, waardoor hoogst waarschijnlijk zijn behandeling zal moeten plaatsvinden op een long stay afdeling. De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte op korte termijn een plaats krijgt in een zorginstelling met het veiligheidsniveau dat passend is bij het recidiverisico dat bij de verdachte is vastgesteld.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder primair, impliciet primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. A.M. van der Leeden en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 oktober 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [naam slachtoffer] met een mes in de / een borst heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 oktober 2018 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] met een mes in de / een borst te steken.