Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3943

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
KTN-7535591_15052019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Onregelmatige opzegging arbeidsovereenkomst. Daarmee verband houdende verzoeken toegewezen, w.o. een billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0612
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7535591 VZ VERZ 19-2130

uitspraak: 15 mei 2019

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

woonplaats: [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. W.F.C. van Megen,

tegen

[verweerder] , h.o.d.n. [handelsnaam],

woonplaats: [woonplaats verweerder] ,

verweerder,

in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “ [verweerder] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift van [verzoekster] , met producties, ontvangen op

14 februari 2019;

- de aantekeningen van de zitting en het bij die gelegenheid overgelegde schriftelijke verweer, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2019. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Megen. [verweerder] is verschenen, in het bijzijn van zijn boekhouder [naam] .

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft [verzoekster] voor [verweerder] parttime werkzaamheden verricht als huishoudelijke hulp, tegen een salaris van

€ 310,00 per maand.

2.2

Op 8 juni 2016 is [verzoekster] uitgevallen voor haar werkzaamheden wegens ziekte.

2.3

Bij beslissing van 9 april 2018 heeft het UWV bepaald dat [verweerder] aan [verzoekster] salaris dient door te betalen tot 8 juni 2019, vanwege niet voldoen aan

re-integratieverplichtingen. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt.

2.4

Op 12 december 2018 is [verzoekster] door de bedrijfsarts hersteld gemeld per

7 januari 2019.

2.5

Bij e-mailbericht van 2 januari 2019 heeft [verzoekster] aan [verweerder] meegedeeld zich beschikbaar te houden voor het verrichten van werkzaamheden vanaf de datum waarop zij daarvoor geschikt is verklaard door de bedrijfsarts. Tevens is verzocht om betaling van haar salaris van december 2018.

2.6

In reactie hierop heeft [verweerder] bij e-mailbericht van 3 januari 2019 geschreven dat het openstaande loon is voldaan.

2.7

Bij e-mailbericht van 15 januari 2019 heeft [verzoekster] nogmaals meegedeeld zich beschikbaar te houden voor het verrichten van werkzaamheden. Tevens is erop gewezen dat zij de afgelopen maanden geen salarisspecificaties heeft ontvangen.

2.8

Op 23 januari 2019 heeft [verweerder] een e-mailbericht verzonden, waarin als onderwerp wordt vermeld:

“Re: [verzoekster] is uitdienst bij [handelsnaam] , [handelsnaam] heeft verder geen personeel nodig , wenst mevrouw [verzoekster] veel succes , gr”

2.9

In reactie hierop heeft [verzoekster] bij e-mailbericht van 23 januari 2019 aan [verweerder] de vraag voorgelegd of [handelsnaam] het dienstverband met mevrouw [verzoekster] heeft beëindigd.

2.10

Bij e-mailbericht van 28 januari 2019 heeft [verzoekster] - zakelijk weergegeven - erop gewezen geen antwoord te hebben gekregen op haar e-mail van 23 januari 2019. Tevens heeft zij meegedeeld dat zij zich vrij voelt om [handelsnaam] in rechte te betrekken als het salaris over januari 2019 niet tijdig is voldaan.

3 Het verzoek

3.1

[verzoekster] verzoekt - na wijziging van het verzoek ter zitting, en zoals begrepen door de kantonrechter - bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair,

  1. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over haar salaris van januari 2019, alsmede de wettelijke rente over dat salaris, een en ander vanaf 28 januari 2019;

  2. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van vakantiegeld van 8% over de periode juli 2018 - 28 januari 2019 ten bedrage van € 300,00;

  3. [verweerder] te veroordelen tot uitbetaling aan [verzoekster] van opgebouwde maar niet verzilverde vakantie-uren ten bedrage van € 300,00;

  4. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van wettelijke schadevergoeding van € 620,00 vanwege het niet in acht nemen van de geldende opzegtermijn van twee maanden;

  5. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van € 892,80 aan transitievergoeding;

  6. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding van € 5.000,00;

  7. [verweerder] te veroordelen tot afgifte aan [verzoekster] van loonstroken over de periode van januari 2018 tot en met januari 2019, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat [verweerder] hiermee in gebreke blijft na het geven van de beschikking;

subsidiair,

voor het geval dat de arbeidsovereenkomst niet tot een einde is gekomen,

8. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over haar salaris van januari 2019, alsmede de wettelijke rente over dat salaris, een en ander vanaf 31 januari 2019;

9. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van haar salaris vanaf april 2019 tot het moment waarop aan de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig een einde is gekomen;

primair en subsidiair,

10. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2

Aan het verzoek legt [verzoekster] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [verweerder] haar salaris van januari 2019 niet tijdig heeft betaald en daarnaast dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd. Gelet op de wijze waarop dat is gegaan heeft [verzoekster] ernstig verwijtbaar gehandeld. In verband hiermee maakt [verzoekster] aanspraak op betaling van genoemde bedragen.

3.3

[verweerder] voert verweer.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de verzoeken nader besproken.

4 De beoordeling

4.1

[verzoekster] verzoekt in verband met beëindiging van haar arbeidsovereenkomst door [verweerder] gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding. Daarnaast een eindafrekening en verstrekking van salarisspecificaties. Oorspronkelijk is ook om betaling van haar salaris over januari 2019 verzocht, maar dat verzoek is niet gehandhaafd omdat dat salaris hangende de procedure is uitbetaald. Het verzoek om de wettelijke verhoging en rente over dat salaris is niet ingetrokken.

4.2

Aan de verzoeken ligt ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst onregelmatig is opgezegd en dat, gelet op de wijze waarop dit heeft plaatsgevonden, [verweerder] zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen. [verweerder] voert hiertegen aan dat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, maar voortduurt. Dit standpunt valt echter niet te rijmen met het onder 2.8 vermelde e-mailbericht dat onweersproken door [verweerder] is verzonden. De tekst

“Re; [verzoekster] is uitdienst bij [handelsnaam] , [handelsnaam] heeft verder geen personeel nodig , wenst mevrouw [verzoekster] veel succes , gr” heeft [verzoekster] redelijkerwijs kunnen opvatten als een opzegging van haar arbeidsovereenkomst. De tekst is wat dat aangaat voldoende duidelijk en ondubbelzinnig.

4.2.1

Voor zover [verweerder] hierop wil terugkomen, geldt dat een opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever alleen worden ingetrokken met instemming van de werknemer. Anders zou [verweerder] eenzijdig de arbeidsovereenkomst weer tot stand kunnen brengen. Daarvoor is echter wilsovereenstemming tussen beide partijen nodig en die is er niet. [verzoekster] heeft niet om vernietiging van de opzegging verzocht. Zij heeft zich neergelegd bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.2.2

De omstandigheid dat [verweerder] na de indiening van het verzoekschrift het salaris voor de maand januari 2019 heeft betaald en later ook bedragen voor de maanden februari en maart 2019, alsmede ter zitting salarisspecificaties heeft overgelegd, ook met betrekking tot de betaalde bedragen in genoemde laatste twee maanden, doet er niet aan af dat de arbeidsovereenkomst door opzegging is beëindigd op 23 januari 2019.

4.3

Voor de opzegging is geen reden aangevoerd, althans geen reden die een redelijke grond daarvoor oplevert. De enkele mededeling dat [handelsnaam] geen personeel nodig heeft, valt niet te scharen onder één van de gronden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

4.4

Niet bestreden is dat bij regelmatige opzegging een termijn van twee maanden in acht had moeten worden genomen. Daarom verzoekt [verzoekster] betaling van € 620,00, welk bedrag gelijk is aan het bedrag van het loon over de termijn dat de arbeidsovereen-komst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dit bedrag aan gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen, omdat hierop aanspraak bestaat op grond van artikel 7:672 lid 9 BW.

4.5

Ook heeft [verzoekster] recht op € 892,80 aan transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW.

4.6

Tevens verzoekt [verzoekster] om een billijke vergoeding. Toekenning daarvan is mogelijk, gelet op het bepaalde in artikel 7:681 lid 1 gelezen in samenhang met artikel 7:671 BW. De arbeidsovereenkomst is immers opgezegd in strijd met het bepaalde in laatstgenoemd artikel. Ook los daarvan geeft de wijze waarop [verweerder] heeft gemeend de arbeidsovereenkomst van acht jaar te moeten beëindigen, geen pas. De handelwijze is ernstig verwijtbaar. Het is dan ook begrijpelijk dat [verzoekster] niet om vernietiging van de opzegging heeft verzocht. Dit kan [verweerder] worden toegerekend. Zonder voormelde handelwijze zou de arbeidsovereenkomst naar verwachting nog wel enige tijd hebben voortgeduurd. Immers steekhoudende gronden om deze op korte termijn volgens de regels te hebben kunnen beëindigen, zijn gesteld noch gebleken. En als dit al had kunnen worden gerealiseerd, dan zouden daarmee juridische kosten gemoeid zijn geweest. Daarom zal een vergoeding worden toegewezen, zij het niet het verzochte bedrag van € 5.000,00. De reden daarvoor is dat de andere omstandigheden die [verzoekster] ter onderbouwing van dit verzoek heeft gesteld weinig gewicht in de schaal leggen.

Dat [verzoekster] een minder gunstige arbeidsmarktpositie heeft, gelet op haar leeftijd en lichamelijke gesteldheid, is misschien zo, maar dit betreft geen uitzonderlijke omstandigheid, laat staan dat de gevolgen daarvan (zonder meer) op de werkgever zouden moeten worden afgewenteld. De arbeidsmarkt fluctueert en is een gegeven, waaraan in dit soort zaken niet op gezaghebbende wijze conclusies kunnen worden verbonden.

Duidelijk is dat [verzoekster] door het onregelmatige ontslag nu op zoek moet naar ander werk, met mogelijkerwijs inkomensverlies tot gevolg, maar dat wordt, in ieder geval voor een deel, ondervangen met voormelde gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. Voorts is van belang dat uit het verzoekschrift blijkt dat [verzoekster] al langdurig aangewezen is op een klein inkomen en aanvullende bijstand ontvangt, zodat het inkomensverlies gering wordt ingeschat.

Onder de gegeven omstandigheden vindt de kantonrechter een bedrag van € 2.500,00 billijk. Dat bedrag wordt toegewezen. Daarbij speelt mee dat [verweerder] vanaf juni 2016 salaris heeft moeten betalen zonder dat [verzoekster] de bedongen arbeid heeft verricht, weliswaar door ziekte en doordat [verweerder] ook wat betreft re-integratie inspanningen steken heeft laten vallen, maar toch.

4.7

Over de maand januari 2019 is € 310,00 aan salaris uitbetaald, zij het te laat. Onweersproken is gesteld dat het salaris op 28 januari 2019 uitbetaald had moeten worden, terwijl het pas op 14 februari 2019 is uitbetaald. Daarom zal [verweerder] worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW. De hoogte hiervan wordt beperkt tot 25% van € 310,00, dus vastgesteld op € 77,50. Ook wordt [verweerder] veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 310,00 vanaf 28 januari 2019.

4.8

Verder verzoekt [verzoekster] [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 300,00 aan vakantiegeld. Hiertegen is geen verweer gevoerd, zodat het bedrag van € 300,00 wordt toegewezen.

4.9

Voorts verzoekt [verzoekster] [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 300,00 aan opgebouwde maar niet genoten vakantie uren. [verweerder] voert hiertegen aan dat [verzoekster] ziek is geweest en in die tijd geen vakantiedagen heeft opgebouwd. Dat verweer wordt echter niet gevolgd, want wat betreft de wettelijke vakantiedagen vindt opbouw ook bij ziekte plaats. Dat [verzoekster] aanspraak heeft op vakantiedagen te waarde van

€ 300,00 is verder niet bestreden, zodat het bedrag zal worden toegewezen.

4.10

Resteert het verzoek om afgifte van salarisspecificaties over de periode van januari 2018 tot en met januari 2019. Ter zitting heeft [verweerder] hiervan afschriften overgelegd aan de kantonrechter, maar niet aan [verzoekster] . Daarom wordt [verweerder] veroordeeld om dat alsnog te doen. Gelet op de bereidheid om de salarisspecificaties te verstrekken, wordt geen dwangsom opgelegd.

4.11

[verweerder] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, die rechtstreeks aan de gemachtigde van [verzoekster] dienen te worden voldaan, omdat zij op basis van een toevoeging procedeert. De gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van:

  • -

    € 620,00 aan gefixeerde schadevergoeding;

  • -

    € 892,80 aan transitievergoeding;

  • -

    € 2.500,00 aan billijke vergoeding;

  • -

    € 77,50 aan wettelijke verhoging;

  • -

    de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 310,00 vanaf 28 januari 2019 tot

14 februari 2019;

  • -

    € 300,00 aan vakantiegeld;

  • -

    € 300,00 aan opgebouwde maar niet genoten vakantie uren;

veroordeelt [verweerder] tot verstrekking aan [verzoekster] van salarisspecificaties over de periode van januari 2018 tot en met januari 2019;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op:

- € 721,00 € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde, welke bedrag rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

en indien [verweerder] niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking vrijwillig aan de veroordelingen heeft voldaan, begroot op:

- € 75,00 € 75,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465