Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:377

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
10/690436-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietpartij voor café in Rotterdam-Zuid. Herkenning door verbalisant betrouwbaar. Voorwaardelijk opzet poging tot zware mishandeling bewezen. Slachtoffers gewond door afketsende kogels. Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690436-17

Datum uitspraak: 9 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Marokko) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de PI Zuid West – De Dordtse Poorten te Dordrecht,

gemachtigd raadsman, mr. D.C.E. Timmermans, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 december 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. E. van Veen, heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair en onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair ten laste gelegde (medeplegen poging doodslag) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met zijn medeverdachte zwaar lichamelijk letsel heeft proberen toe te brengen aan [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] . De officier van justitie baseert zich daarbij op de diverse camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte met zijn medeverdachte vanuit café [naam horecagelegenheid 1] naar café [naam horecagelegenheid 2] is gelopen en voor café [naam horecagelegenheid 2] met een wapen heeft geschoten. Op een foto afkomstig van de camerabeelden uit café [naam horecagelegenheid 1] herkent verbalisant [naam verbalisant 1] de man met de zwarte pet, zwarte jas en lichte broek als de verdachte. De officier van justitie wijst verder op het signalement dat in de verklaringen van aangevers en van [naam getuige] is gegeven.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging bepleit integrale vrijspraak wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij dit schietincident berust uitsluitend op de herkenning door wijkagent [naam verbalisant 1] . Deze herkenning bevat geen specifieke, onderscheidende persoonskenmerken, waardoor deze herkenning onvoldoende betrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Dat deze herkenning onbetrouwbaar is, wordt ondersteund door de verklaring van verbalisant [naam verbalisant 2] die na het zien van camerabeelden heeft verklaard dat de man op de beelden gelijkenis vertoond met de hem ambtshalve bekende [naam] .

4.2.3.

Beoordeling

Op 17 oktober 2017 heeft er voor café [naam horecagelegenheid 2] in Rotterdam-Zuid een schietpartij plaatsgevonden. Bij deze schietpartij zijn [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] gewond geraakt.

De verdenking dat de verdachte één van de daders van deze schietpartij is geweest, is gebaseerd op een proces-verbaal van herkenning van wijkagent [naam verbalisant 1] , die de verdachte op een still van camerabeelden afkomstig uit café [naam horecagelegenheid 1] heeft herkend als de verdachte.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of deze herkenning voldoende betrouwbaar is.

Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt temeer indien de herkenning het voornaamste bewijsmiddel vormt. De herkenning van een persoon op beeld kan, in het algemeen gesproken, plaatsvinden op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen. Wetenschappers hebben aangetoond dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch, in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistische herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces (vgl. Hof Amsterdam, 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1632).

De rechtbank stelt vast dat de in kleur afgebeelde still van de camerabeelden uit café [naam horecagelegenheid 1] van goede kwaliteit is. Op deze still is het gehele gezicht van de persoon goed zichtbaar. De rechtbank acht de still van voldoende kwaliteit om daar een herkenning op te kunnen baseren.

Voorts is van belang hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter iemand de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang.

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft verklaard dat hij werkzaam is als operationeel expert wijkagent in de wijk [naam wijk] , dat hij zeven jaar werkzaam is als wijkagent in deze wijk, dat de verdachte hem bekend is geworden in verband met verlof aanvragen voor de woning waar zijn partner woont ( [adres verdachte] te Rotterdam), dat hij tevens bekend is met de rest van de familie van de verdachte in verband met enkele incidenten waarbij familieleden betrokken waren en dat de familie en dus ook de verdachte goed bij hem bekend zijn qua gezicht.

Van feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden maken, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank vindt de herkenning van verbalisant [naam verbalisant 1] betrouwbaar, gezien de kwaliteit van de still van de camerabeelden en gezien de ontmoetingen die hij met de verdachte als wijkagent heeft gehad. Aan deze herkenning komt dan ook voldoende bewijskracht toe om vast te kunnen stellen dat de persoon op de beelden de verdachte is.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat verbalisant [naam verbalisant 2] zijn verklaring niet heeft gebaseerd op de kleurenbeelden uit café [naam horecagelegenheid 1] , maar op zwart/wit beelden van twee personen die op de Putselaan liepen. Nu de verklaring van verbalisant [naam verbalisant 2] is gebaseerd op andere beelden wordt de betrouwbaarheid van de herkenning door verbalisant [naam verbalisant 1] , anders dan de verdediging heeft gesteld, hiermee niet onderuit gehaald.

Op basis van de overige camerabeelden die zich in het dossier bevinden en die door de verbalisanten zijn uitgekeken, blijkt dat de verdachte samen met zijn medeverdachte omstreeks 21.21 uur vanuit café [naam horecagelegenheid 1] (gevestigd aan de [adres delict 1] ), langs de [adres 1] in de richting van café [naam horecagelegenheid 2] (gevestigd aan de [adres delict 2] ) is gelopen. Vervolgens is op beelden te zien dat de verdachte en zijn medeverdachte café [naam horecagelegenheid 3] (gevestigd aan de [adres 3] ) voorbij lopen en rechtstreeks op de ingang van café [naam horecagelegenheid 2] aflopen om 21.27 uur. Omstreeks 21.28 uur komt de verdachte aanlopen en gaat hij café [naam horecagelegenheid 2] binnen. Ongeveer een minuut later is te zien dat de verdachte buiten voor café [naam horecagelegenheid 2] staat, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vasthoudt, zijn arm strekt en richt. Op de bewegende beelden is een wolkje stof, dan wel een verstoring in het beeld, te zien die lijkt op een kogelinslag in het trottoir. Vrijwel tegelijkertijd is zichtbaar dat een man (later blijkt dit [naam slachtoffer 2] te zijn) hinkend richting de ingang van café [naam horecagelegenheid 2] loopt. Vervolgens is te zien dat de verdachte wegrent in de richting waar hij vandaan kwam. Op de camerabeelden van café [naam horecagelegenheid 3] is dan te zien dat de verdachte en zijn medeverdachte een vuurwapen in hun handen hebben en dat de verdachte zijn vuurwapen in een tasje wegstopt.

De rechtbank heeft de camerabeelden ook bekeken en stelt vast dat de twee mannen die op de camerabeelden in café [naam horecagelegenheid 1] te zien zijn, grote uiterlijke gelijkenissen (kleding, schoenen) vertonen met de mannen die enkele minuten later voor café [naam horecagelegenheid 2] schoten hebben gelost. Tevens voldoet de verdachte aan de door aangevers opgegeven signalementen van de personen die de schoten hebben gelost.

De rechtbank is verder van oordeel dat er in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet op het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde. Verdachte en zijn medeverdachte hebben immers, in een nauwe en bewuste samenwerking, door met vuurwapens op een trottoir naar de grond te schieten de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kogels af zouden ketsen, met zwaar lichamelijk letsel bij omstanders als gevolg. Het is volgens de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat, door naar de grond te schieten, de schutter bij een dergelijk schot alle controle over de kogel kwijt raakt en daarmee het risico aanvaardt dat de kogels alle mogelijke kanten op schieten.

4.2.4.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van vorenstaande en in samenhang met de overige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging zware mishandeling van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , alsmede aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 17 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer 1] door (een van) die kogel(s) gewond is geraakt in een knie, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 17 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer 2] door (een van) die kogel(s) gewond is geraakt in een voet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 17 oktober 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie en/of een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, en voor die wapens geschikte munitie voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen poging tot zware mishandeling;

2.

medeplegen poging tot zware mishandeling;

3.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en

munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een

vuurwapen van categorie III;

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en

munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is samen met zijn medeverdachte op 17 oktober 2017 betrokken geweest bij een schietpartij in Rotterdam-Zuid. Zij zijn vanaf het nabijgelegen café [naam horecagelegenheid 1]

bewapend naar café [naam horecagelegenheid 2] gegaan om op zoek te gaan naar een persoon met wie

kennelijk een conflict bestond. Bij de daarop volgende confrontatie hebben de verdachte en

zijn medeverdachte beiden in het wilde weg met een (semi)automatisch wapen op het trottoir naar de grond geschoten, waarbij twee slachtoffers verwondingen hebben opgelopen.

Dit zijn ernstige feiten. Vuurwapengeweld is niet alleen voor de mensen die er direct mee geconfronteerd worden angstaanjagend, het heeft ook grote maatschappelijke gevolgen. Dergelijke openlijk gepleegde feiten brengen onrust in de maatschappij teweeg en zorgen voor gevoelens van onveiligheid. Bovendien zorgt vuurwapengeweld ervoor dat mensen hun vertrouwen in de ander verliezen en het brengt het risico met zich dat ook anderen vuurwapens aanschaffen omdat zij denken zich te moeten verdedigen. Het voorhanden hebben en het gebruik van vuurwapens is dan ook maatschappelijk onaanvaardbaar.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

16 november 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De verdachte liep bovendien nog in meerdere proeftijden voor geweldsdelicten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, de documentatie van de verdachte, alsmede op de straf die aan de medeverdachte is opgelegd.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het brutale en niets ontziende

karakter van de gepleegde feiten. De verdachte is willens en wetens, doelgericht en

bewapend met zijn medeverdachte op pad gegaan om een kennelijk probleem met een ander uit de wereld te helpen. De verdachte heeft door zijn handelen, dat plaatsvond op de openbare weg, voor een uitermate angstaanjagende en gevaarlijke situatie gezorgd die voor

omstanders veel slechter had kunnen aflopen.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan het bewezenverklaarde. De rechtbank zal dan ook een straf opleggen zoals deze door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gesteld dat bij de insluitingsfouillering een bedrag van € 700,- van de verdachte in beslag is genomen en verzoekt om teruggave van dit bedrag.

8.2.

Beoordeling

De rechtbank heeft op basis van het dossier niet kunnen vaststellen dat er een geldbedrag van de verdachte in beslag is genomen en kan om die reden geen beslissing hierover nemen.

9 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 1

ten laste gelegde. De benadeelde partij [naam benadeelde] vordert een vergoeding van € 1.190,00 aan

materiële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de

benadeelde partij [naam benadeelde] in zijn geheel niet ontvankelijk dient te worden verklaard,

aangezien deze niet is onderbouwd.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte dient te worden

vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

9.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de gevorderde materiele schadevergoeding zal de benadeelde partij in de

vordering niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het betreft ambulancekosten, kleding en glazen, nu deze niet is onderbouwd.

De vordering zal worden afgewezen voor zover het betreft schade ten gevolge van beweerdelijk uit de kassa gestolen geld, nu die schade, niet in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde.

9.4.

Conclusie

Uit dit vonnis vloeit voor de verdachte geen betalingsverplichting voort.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair en onder 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade aan ambulancekosten, kleding en glazen;

wijst af de door de benadeelde partij [naam benadeelde] gevorderde vergoeding van schade met betrekking tot beweerdelijk uit de kassa gestolen geld;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

en mrs. A.A.T. Werner en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.W.J. Cramer en D.J. Boogert, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer 1] (door (een van) die kogel(s)) (gewond) is geraakt in een knie, in elk geval een been, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer 2] (door (een van) die kogel(s)) (gewond) is geraakt in een voet en/of een been, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 17 oktober 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie en/of een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, en/of voor dat/die wapen(s) geschikte munitie voorhanden heeft gehad.