Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3697

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
7548999 VZ VERZ 19-2491
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:3366, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werkneemster wiens (ex-)partner, die bij dezelfde werkgever werkzaam was, wordt verdacht van omvangrijke fraude en benadeling van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7548999 VZ VERZ 19-2491

uitspraak: 7 mei 2019

beschikking ex artikel 7:671B lid 1 Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] .

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster, tevens verweerster in het voorwaardelijke tegenverzoek,

gemachtigde: mr. P. de Boer,

tegen

[verweerster]

wonende te Nieuwerkerk a/d IJssel,

verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. C.S. Schuurink.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met producties ontvangen 19 februari 2019;

  • -

    het verweerschrift, met producties, tevens voorwaardelijk tegenverzoek;

  • -

    de bij brieven van 3 en 5 april 2019 overgelegde aanvullende producties aan de zijde van [verzoekster] ;

  • -

    de bij brief van 4 april 2019 overgelegde aanvullende producties aan de zijde van [verweerster] .

1.2

Op 8 april 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

[verzoekster] is een onderneming die zich bezighoudt met de ontwikkeling, productie en verkoop van farmaceutische grondstoffen en bereidingen.

2.2

[verweerster] is op 17 november 1997 in dienst getreden bij [verzoekster] . Laatstelijk is zij werkzaam geweest als purchasing manager. Het salaris van [verweerster] bedraagt € 3.497,74 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten op basis van 28 uur per week.

2.3

[verweerster] is gedeeltelijk arbeidsongeschikt.

2.4

De levenspartner van [verweerster] is/was dhr. [naam partner verweerster] (hierna: [naam partner verweerster] ). [naam partner verweerster] is van 1 augustus 1998 tot 1 januari 2019 bij [verzoekster] in dienst geweest als business controller en hoofd van de financiële afdeling van [verzoekster] .

2.5

[naam partner verweerster] heeft een tweelingbroer met wie hij gezamenlijk een vennootschap genaamd [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) heeft opgericht. [naam partner verweerster] heeft een (achter)neef die enig bestuurder is van een vennootschap genaamd [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ).

2.6

In december 2018 is [verzoekster] een onderzoek gestart naar mogelijk frauduleuze handelingen van [naam partner verweerster] in de tijd dat hij werkzaam was voor [verzoekster] . Het onderzoek richt zich kort gezegd op betalingen die via boekhoudkundige ingrepen zijn verricht vanuit [verzoekster] aan [naam partner verweerster] en de aan hem gelieerde (rechts)personen. [verzoekster] heeft de financiële benadeling tot op heden begroot op ruim 1,6 miljoen euro en houdt in ieder geval [naam partner verweerster] aansprakelijk voor de geleden schade.

2.7

[verzoekster] heeft in het kader van het onderzoek in december 2018 en januari 2019 beslag laten leggen op onder andere een bankrekening op naam van [verweerster] . Het batig saldo bedroeg op het moment van beslag € 74.482,48. Het banksaldo van een rekening op naam van [naam partner verweerster] bedroeg € 121.238,-. [verweerster] en [naam partner verweerster] hebben een gezamenlijke rekening waarop de door [verzoekster] betaalde salarissen werden gestort.

2.8

[verweerster] en [naam partner verweerster] bezitten gezamenlijk een in 2016 aangekochte woning met een WOZ-waarde (per 1 januari 2017) van € 600.000,-.

2.9

In verband met deze woning hebben [verweerster] en [naam partner verweerster] een geldleningovereenkomst gesloten met [naam bedrijf 1] . In die overeenkomst is, voor zover van belang, opgenomen:

‘(…)

Naar aanleiding van uw verzoek delen wij u mee, dat wij bereid zijn de aan u verstrekte geldlening uit te breiden.

Op dit krediet zal van toepassing zijn:

Doel: Financiering verbouwing en aankoop woning [adres] te Nieuwerkerk a/d IJssel

Kredietnemers: De heer [naam partner verweerster] (…) en [verweerster] (…).

Kredietgever: [naam partner verweerster] (…) namens [naam bedrijf 1]

Hoofdsom: € 480.000,- + € 140.000,- = € 620.000,-

Looptijd: Gedurende relatie van kredietnemers. Bij overlijden van de heer [naam partner verweerster] zal deze overeenkomst nietig zijn.

Rente: (…)

Aflossing: Geen aflossing en vervroegde aflossing volledig toegestaan zonder boete.

Opname: De oorspronkelijke hoofdsom ad 332.500 euro is reeds gestort.

De uitbreiding ad 287.500 euro zal tevens gestort worden op hypotheek rekening door [naam bedrijf 1] (…)

Zekerheid: Als zekerheid voor het krediet en voor al hetgeen de kredietnemer ons schuldig mochten zijn, zal gelden:

Persoonlijke borgstelling van kredietnemers en pandrecht op de woning [adres] te Nieuwerkerk aan den IJssel.

(…)’

2.10

[verweerster] heeft geruime tijd een Mini Cooper Countryman gebruikt, waarvan de verzekeringspremies werden voldaan door [verzoekster] .

2.11

[verweerster] en [naam partner verweerster] hebben tot 4 januari 2019 een Ziggo internet- en tv abonnement gehad dat werd geïncasseerd van de rekening van [verzoekster] .

2.12

Op 21 december 2019 heeft [verzoekster] [verweerster] uitgenodigd voor een gesprek. [verweerster] is per die datum op non-actief gesteld.

2.13

Op 16 januari 2019 heeft opnieuw een gesprek tussen [verzoekster] en [verweerster] plaatsgevonden waarbij ook de gemachtigde van [verweerster] aanwezig is geweest. [verzoekster] heeft in dit gesprek aan [verweerster] een beëindigingsvoorstel gedaan.

2.14

Op 21 januari 2019 is het eigendom van de Mini Cooper overgegaan op [naam bedrijf 3] .

2.15

In een brief van 22 januari 2019 van de gemachtigde van [verweerster] aan [verzoekster] heeft [verweerster] wetenschap van en betrokkenheid bij de vermoedelijke fraude van [naam partner verweerster] ontkend. Zij heeft ook het voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de hand gewezen.

2.16

Op 22 januari 2019 is namens [verzoekster] aan [verweerster] verzocht om de laptop die zij zakelijk tot haar beschikking had, ten behoeve van forensisch onderzoek af te geven. Daarbij is uitdrukkelijk verzocht om geen bestanden van de laptop te verwijderen.

2.17

De reactie van (de gemachtigde van) [verweerster] op dit verzoek luidt, voor zover van belang:

‘(…)

De toegang tot alle systemen van uw cliënte is gelijktijdig met de op non-actiefstelling van cliënte geblokkeerd. De laptop is verder niet voor andere doeleinden te gebruiken dan voor toegang tot diezelfde systemen. Cliënte zou daarom graag willen weten welk belang uw cliënte meent te hebben bij afgifte van de laptop.

Hoewel cliënte in beginsel haar medewerking zou verlenen, heeft cliënte het volgende bezwaar tegen de verstrekking van de laptop. Enige tijd geleden is de privé laptop van cliënte gecrasht. Van de bestanden op de privé laptop is hierdoor tijdelijk een back-up gemaakt op de zakelijke laptop. Hoewel de back-up hierna van de laptop is verwijderd, zal deze met het forensische onderzoek kunnen worden teruggehaald. Inzage in privé-bestanden als familiefoto’s geeft cliënte liever niet.

(…)’

2.18

[verzoekster] heeft hierop nogmaals uitdrukkelijk verzocht om de laptop af te geven in verband met het lopende onderzoek. In reactie daarop heeft [verweerster] te kennen gegeven de laptop af te geven, hetgeen op 23 januari 2019 ook is gebeurd.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

[verzoekster] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden, op grond van artikel 7:669 lid 3 onder g BW dan wel op grond van artikel 7:669 lid 3 onder h BW. [verzoekster] heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerster] op de hoogte was of in ieder geval op de hoogte had moeten zijn van de frauduleuze handelingen van [naam partner verweerster] en daarmee de benadeling van [verzoekster] . Door niet op te treden of hiervan melding te maken aan [verzoekster] heeft [verweerster] het voortduren van de fraude mede mogelijk gemaakt en heeft zij haar verplichtingen als werknemer in grote en ernstige mate veronachtzaamd. Los daarvan heeft [verweerster] in ieder geval geprofiteerd van de handelingen van [naam partner verweerster] . Door de hele zaak is daarnaast grote onrust ontstaan op de werkvloer, zodat van [verzoekster] niet kan worden gevergd [naam partner verweerster] toe te laten tot het werk en de IT-systemen van [verzoekster] . Tot slot is sprake van een loyaliteitsconflict nu [verweerster] de kant van haar ex-partner heeft gekozen. Al met al is sprake van een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk op grond waarvan niet van [verzoekster] kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst met [verweerster] voort te laten duren.

3.2

[verzoekster] heeft voorts verzocht om aan [verweerster] geen transitievergoeding toe te kennen. In dat verband heeft [verzoekster] aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [verweerster] een vergoeding zou krijgen waarvan ook [naam partner verweerster] zou profiteren, terwijl [verzoekster] als gevolg van het handelen van de familie [naam partner verweerster] 1.8 miljoen euro is kwijtgeraakt.

4 Het verweer en voorwaardelijk tegenverzoek

Er is volgens [verweerster] geen sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de door [verzoekster] gestelde fraude door [naam partner verweerster] en ook geen enkele wetenschap daarover heeft gehad. Dat zij [verzoekster] zeer beperkt van informatie heeft voorzien, is omdat [verweerster] simpelweg geen weet had van de zaken waar [verzoekster] naar geïnformeerd heeft. Van een loyaliteitsconflict is dan ook geen sprake. [verweerster] distantieert zich van mogelijk frauduleuze handelingen van [naam partner verweerster] en heeft [naam partner verweerster] niet de hand boven het hoofd gehouden. Dat het onrustig is op de werkvloer zal zo zijn, maar [verweerster] ziet hierin geen belemmering om opnieuw samen te werken met collega’s met wie zij tot 21 jaar lang heeft samengewerkt. Om die reden heeft [verweerster] verzocht het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen. In het geval dat de arbeidsovereenkomst toch zal worden ontbonden, heeft [verweerster] verzocht om toekenning van de wettelijke transitievergoeding.

5 De beoordeling

5.1

Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een verzoek op grond van het eerste lid alleen kan inwilligen indien er geen opzegverboden of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden. Hoewel [verweerster] gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, is niet gebleken dat het verzoek tot ontbinding verband houdt met die arbeidsongeschiktheid. Het opzegverbod staat dan ook in beginsel niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.2

De arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer in een andere passende functie binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, voor zover geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. [verzoekster] heeft aangevoerd dat de grond voor ontbinding is gelegen in een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, dan wel van overige omstandigheden als bedoeld in artikel 669 lid 3 onder h BW, zodanig dat van [verzoekster] als werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.3

Hoewel [verzoekster] in haar verzoekschrift de term ‘medeplichtig’ heeft gehanteerd, wordt vooropgesteld dat [verzoekster] [verweerster] in deze procedure in ieder geval niet verwijt dat zij zelf frauduleuze handelingen heeft gepleegd. [verzoekster] stelt kort gezegd dat [verweerster] van de handelingen van [naam partner verweerster] heeft geweten, althans had moeten weten en dat, nu [verweerster] hiertegen niets te doen of [verzoekster] op de hoogte te stellen, de frauduleuze handelingen dan wel de voortzetting daarvan, mede mogelijk heeft gemaakt.

5.4

Ter onderbouwing van haar stelling dat [verweerster] op de hoogte was van de frauduleuze handelingen, heeft [verzoekster] een aantal concrete omstandigheden omschreven, die hierna besproken zullen worden.

5.4.1

Allereerst zijn er diverse kosten en uitgaven die door [verzoekster] zijn betaald. Zo is gebleken dat de verzekering van de auto waar [verweerster] in reed, op naam van [verzoekster] stond. Als verweer heeft [verweerster] heeft onder verwijzing naar overgelegde rekeningafschriften aangevoerd dat alle verzekeringen via een assurantiekantoor liepen en in één keer werden afgeschreven, zodat het haar niet is opgevallen dat daarin niet de premie voor de autoverzekering was verwerkt. Zij was bovendien niet de eigenaar van de auto. Dit komt de kantonrechter als een plausibele verklaring voor. Dat [verweerster] degene is geweest die de verzekering heeft stopgezet en de restitutie van de premie op een ander rekeningnummer te laten overmaken, is gesteld noch gebleken.

5.4.2

Ook de toelichting van [verweerster] dat zij ervanuit ging dat de kosten van tv en internet door [verzoekster] werden voldaan in verband met de functie van [naam partner verweerster] , is niet op voorhand onwaarschijnlijk. Dat achteraf blijkt dat [verzoekster] dergelijke arbeidsvoorwaarden niet hanteert, maakt dat niet anders.

5.4.3

Ten aanzien van de kosten die door [verzoekster] blijken te zijn betaald voor diverse privé-etentjes en de renovatie van de tuin kan evenmin worden vastgesteld dat [verweerster] wist of had moeten weten dat [naam partner verweerster] de rekeningen bij [verzoekster] indiende dan wel achteraf declareerde. [verweerster] heeft niet betwist dat de diners hebben plaatsgevonden, maar de kosten ervan zijn, zover zij weet, door [naam partner verweerster] voldaan. Dat [naam partner verweerster] ze achteraf heeft gedeclareerd bij [verzoekster] , is een omstandigheid waarvan zij niet op de hoogte was. De tuinwerkzaamheden hebben volgens [verweerster] plaatsgevonden in de periode dat zij ziek was en uitsluitend [naam partner verweerster] heeft zich met zowel het uitvoeren van de werkzaamheden als het voldoen van de nota’s bemoeid. Nu [naam partner verweerster] naast de gezamenlijke rekening ook beschikt over een eigen betaalrekening en zij bovendien ernstig ziek was, heeft [verweerster] niet ten onrechte geen vraagtekens geplaatst bij de gang van zaken, hetgeen haar niet kan worden verweten.

5.4.4

Vast is komen te staan dat [verweerster] en [naam partner verweerster] ten behoeve van de aankoop van hun gezamenlijke woning een leningsovereenkomst hebben gesloten met [naam bedrijf 1] . Daarnaast hebben ook de ouders van [verweerster] enkele maanden later een fors geldbedrag van [naam bedrijf 1] geleend als overbruggingskrediet voor hun woning. Bij de inhoud van de geldleningsovereenkomst tussen [naam bedrijf 1] en [verweerster] en [naam partner verweerster] , die als productie 43 door [verzoekster] is overgelegd, alsmede bij het totale bedrag dat [verweerster] en [naam partner verweerster] van [naam bedrijf 1] hebben geleend, kunnen vraagtekens worden geplaatst. Een bedrag van totaal € 620.000,- is een op zijn minst fors bedrag voor een administratiekantoor dat door twee mensen wordt gerund die daarnaast fulltime banen hebben.

5.4.5

Hoewel [verweerster] heeft erkend dat zij de leningsovereenkomst heeft ondertekend en ook kennis heeft gehad van het krediet dat tijdelijk aan haar ouders ter beschikking is gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat deze kennis onvoldoende is om te concluderen dat [verweerster] jegens [verzoekster] actie had moeten ondernemen. In de eerste plaats is daarbij van belang dat [verweerster] onweersproken heeft gesteld dat [naam partner verweerster] over de financiën ging. Hij runde een administratiekantoor, zodat niet direct alarmbellen bij [naam partner verweerster] hoefden af te gaan op het moment dat [naam partner verweerster] met deze constructies op de proppen kwam. Al zou [verweerster] twijfels hebben gehad over de leningsconstructies, dan ontbrak in ieder geval enige connectie met, laat staan benadeling van [verzoekster] . Het enkele feit dat zij en [naam partner verweerster] beiden werknemer van [verzoekster] waren, is onvoldoende om te concluderen dat [verweerster] een (morele) verplichting had om haar werkgever op de hoogte te stellen van de mogelijk niet zuivere handelingen van [naam partner verweerster] in verband met [naam bedrijf 1] zou zij daarvan op de hoogte zou zijn geweest.

5.4.6

Tot slot heeft [verzoekster] het standpunt ingenomen dat [verweerster] wel kennis moet hebben gehad van de frauduleuze handelingen van [verweerster] omdat zij gezamenlijk een levensstijl hadden die niet in verhouding staat tot het gezamenlijk inkomen. Dat standpunt mist, mede gelet op het verweer van [verweerster] , feitelijke onderbouwing. [verweerster] en [naam partner verweerster] genoten bij [verzoekster] een maandelijks salaris van ruim € 7.000,- netto, ontvingen daarnaast vakantiegeld en bonussen, hadden inkomsten uit het bedrijf van [naam partner verweerster] en huurinkomsten uit het appartement in Ibiza. Daarnaast heeft [verweerster] onweersproken gesteld dat zij in het verleden twee woningen en daarnaast warranten van [verzoekster] met winst heeft verkocht. Met dit bovengemiddelde gezamenlijk inkomen, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat het eigendom van een woning en een auto met een bovengemiddelde maar niet exorbitante waarde, en een comfortabel, maar evenmin exorbitant hoog, spaarsaldo, niet past bij het inkomen. Overige bovenmatige uitgaven heeft [verzoekster] niet gesteld. Dat [verweerster] kennis had van de saldi van de (privé)rekeningen van [naam partner verweerster] , die van zijn broer, [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] is niet gebleken.

5.4.7

Nu er steeds meer informatie bekend wordt uit het onderzoek naar het gedrag van [naam partner verweerster] , en ook [verweerster] inmiddels heeft toegegeven dat het onwaarschijnlijk is dat er niets aan de hand is, is het achteraf makkelijk om te zeggen dat [verweerster] daar wetenschap van had of had moeten hebben. Gelet op het voorgaande is echter onvoldoende concreet gemaakt dat die wetenschap er daadwerkelijk was. De ter zitting uitgesproken redenering van [verzoekster] dat alles overziend de balans uitslaat in het nadeel van [verweerster] gaat dan ook niet op.

5.5

Naast bovengenoemde omstandigheden omtrent de wetenschap van [verweerster] van de handelingen van [naam partner verweerster] , verwijt [verzoekster] [verweerster] dat zij actief het onderzoek heeft tegengewerkt. Dit tegenwerken bestaat volgens [verzoekster] uit de houding van [verweerster] tijdens de gevoerde gesprekken tussen [verweerster] en [verzoekster] en uit de omstandigheid dat [verweerster] aanvankelijk heeft geweigerd om haar laptop voor onderzoek af te geven en daar bovendien bestanden van heeft gewist.

5.5.1

De houding van [verweerster] tijdens de gesprekken op 21 december 2018 en 16 januari 2019 wordt door [verzoekster] omschreven als ‘zich op de vlakte houden’ en ‘geen uitspraken willen over [naam partner verweerster] .’ Aan [verzoekster] kan worden toegegeven dat een dergelijke houding vragen zou kunnen oproepen als vast zou staan dat [verweerster] op de hoogte was van de gedragingen van [naam partner verweerster] . Hiervoor is uitvoerig geoordeeld dat die wetenschap allerminst vaststaat. Aannemend dat [verweerster] inderdaad geen weet had van dit alles, is alleszins voorstelbaar dat [verweerster] zich op de vlakte heeft gehouden en niet naar tevredenheid van [verzoekster] de vragen van [verzoekster] heeft beantwoord, simpelweg omdat zij niet over die informatie beschikte. Van het tegenwerken van het onderzoek is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. Voor zover [verzoekster] heeft willen betogen dat zij van [verweerster] verwachtte dat zij actief zou bijdragen aan het te verrichten onderzoek naar haar partner, wordt dit standpunt verworpen nu dit niet als een redelijk verzoek kan worden gezien, zowel gelet op de affectieve als de zakelijke relatie met [naam partner verweerster] .

5.5.2

Ten aanzien van het afgeven van de laptop, heeft [verweerster] toegelicht waarom zij moeite had met het verzoek van [verzoekster] . Wat er ook zij van die reden, feit is dat de laptop een dag nadat [verzoekster] daar om heeft gevraagd, is afgegeven. De stelling van [verzoekster] dat voorafgaand aan de afgifte bestanden met informatie over de eerder besproken leningsovereenkomst zijn gewist, is een stelling die door [verweerster] gemotiveerd is weersproken en door [verzoekster] niet verder onderbouwd.

5.6

[verzoekster] heeft tot slot aangevoerd dat partijen in een loyaliteitsconflict terecht zijn gekomen vanwege het onderzoek naar de frauduleuze handelingen. Ook dat standpunt van [verzoekster] wordt verworpen. Dat [verweerster] de kant van [naam partner verweerster] kiest is, anders dan [verzoekster] stelt, niet gebleken. Zij heeft aangegeven zich te distantiëren van iedere vorm van frauduleus gedrag van [naam partner verweerster] , heeft ter zitting aangegeven dat de affectieve relatie tussen haar en [naam partner verweerster] inmiddels is verbroken en dat zij op dit moment gescheiden wonen en zij heeft aangegeven dat er vragen zijn gesteld aan [naam partner verweerster] , maar dat [verweerster] van hem geen antwoorden krijgt. Dat er sprake is van enige vorm van een belangenconflict omdat [verzoekster] ook [verweerster] heeft betrokken in het onderzoek naar de frauduleuze handelingen, is onvoldoende om daaruit op dit moment een duurzame verstoring van de arbeidsverhouding af te leiden.

5.7

Alles overziend is weliswaar voorstelbaar dat [verzoekster] moeite heeft met de positie van [verweerster] binnen haar bedrijf terwijl zij de partner is of was van iemand die [verzoekster] mogelijk ernstig benadeeld heeft, maar dat is onvoldoende om vast te stellen dat daarmee de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam en ernstig verstoord is geraakt. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat [verweerster] een zeer lang dienstverband heeft bij [verzoekster] , dat zij ruimschoots eerder in dienst is getreden dan [naam partner verweerster] en dat niet is gesteld of gebleken dat de functies van [naam partner verweerster] en [verweerster] met elkaar samenhingen.

5.8

De omstandigheid dat [verweerster] strikt genomen wellicht voordeel heeft gehad van de mogelijk niet op legale wijze verkregen inkomsten van [naam partner verweerster] , leidt, gelet op de overweging dat niet vaststaat dat sprake was van een voor [verweerster] kenbaar opvallend hoog inkomen of buitengewoon luxueuze levensstijl, niet tot een ander oordeel.

5.9

Op grond van het bovenstaande wordt het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW afgewezen. Omstandigheden die anders zijn dan de in het kader van g:grond genoemde omstandigheden heeft [verzoekster] niet aangevoerd, zodat de ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW evenmin toewijsbaar is. Als gevolg van deze beslissing behoeft het voorwaardelijke tegenverzoek geen verdere bespreking.

5.10

[verzoekster] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

  • -

    wijst het verzoek af;

  • -

    veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure, tot op heden aan zijde van [verweerster] begroot op € 721,- aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M.J. Smits en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31945