Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3608

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
10.251491.18 vordering TUL VV: 09-183814-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal met geweld: de rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat de verdachte in zijn rechterhand een taps toelopend puntig voorwerp heeft. Aangever heeft hierover verklaard dat dit een mes is en aangever stapt abrupt opzij als de verdachte dit toont waarna de verdachte de winkel verlaat. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal geweld door bedreiging met een mes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10.251491.18

Parketnummer vordering TUL VV: 09-183814-18

Datum uitspraak: 22 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rijnmond - HvB De IJssel, locatie Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. N.C. Reehuis, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.J.V. Pols heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest en

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 09-183814-18.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Met betrekking tot feit 1 primair is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde geweld. De verklaring van de aangever dat hij door de verdachte is bedreigd met een mes vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel.

De verdachte ontkent te hebben gedreigd met geweld. Er is evenmin gezien dat de verdachte een mes heeft weggegooid. Tijdens de fouillering is er bij de verdachte geen mes gevonden. Getuige [naam getuige] , die blijkens de beelden dichtbij stond, heeft geen mes gezien bij de verdachte.

Met betrekking tot feit 2 is aangevoerd dat er concrete aanwijzingen dienen te zijn om te kunnen vaststellen of er daadwerkelijk sprake was van gemeen gevaar voor goederen. In onderhavige zaak waren er in de cel van de verdachte, behalve zijn T-shirt, geen goederen aanwezig die vlam konden vatten. Hiernaast was er geen sprake van levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel. Dit was volgens algemene ervaringsregels in ieder geval niet voorzienbaar. De verdachte zelf had geen last van de rook, dit kan als graadmeter worden beschouwd voor de intensiteit van de rookontwikkeling.

4.1.2.

Beoordeling

Met betrekking tot feit 1:

De verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende dag in het Kruidvat aanwezig was om scheermesjes te kopen. Hij heeft scheermesjes gepakt en ook nog tandenborstels en aftershave en is hiermee richting de kassa gegaan. De verdachte heeft verklaard dat hij de scheermesjes heeft afgerekend. Dit blijkt ook uit de kassabon die bij de verdachte is aangetroffen bij zijn fouillering. Hij had de tandenborstels in de winkel in de zak van zijn jas gedaan. De verdachte is, na het afrekenen van de scheermesjes, de kassa gepasseerd zonder de tandenborstels en aftershave te betalen. De verdachte is daarop door de beveiliger tegengehouden, omdat hij niet alle goederen had betaald. Uit de verklaringen blijkt, en dit is eveneens op de camerabeelden te zien, dat dit met het nodige duw- en trekwerk gepaard gaat. Dit gebeurt zowel door de beveiliger, die de verdachte probeert tegen te houden de winkel te verlaten, als door de verdachte. Op de camerabeelden is te zien dat de beveiliger ineens opzij stapt en de verdachte laat passeren om de winkel te verlaten. De beveiliger heeft hierover verklaard dat dit het moment is dat hij het mes bij de verdachte in zijn hand ziet.

De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat de verdachte op dat moment in zijn rechterhand een taps toelopend puntig voorwerp heeft. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat dit zijn telefoon is ongeloofwaardig, nu de verdachte de bovenzijde van dit voorwerp in zijn geheel met zijn rechterhand omklemt, hetgeen niet mogelijk is als het een telefoon zou betreffen en het genoemde voorwerp ook niet de vorm heeft van een telefoon.

Daarnaast heeft de aangever verklaard dat hij een mesje heeft gezien in de rechterhand van de verdachte, wat volgens hem de reden was dat hij op dat moment opzij is gestapt om de verdachte door te laten. Dit abrupt opzij stappen valt op, nu de beveiliger daarvoor de verdachte meerdere malen had belet de winkel te verlaten, zelfs na verbale agressie van en fysiek contact met de verdachte. In dat verband merkt de rechtbank nog op dat op de beelden is te zien dat de verdachte daarbij op enig moment een snijdende beweging maakt met zijn hand langs zijn keel. Getuige [naam getuige] , die zoals op de camerabeelden te zien is kort achter aangever staat, heeft verklaard dat hij geen mesje heeft gezien bij de verdachte. Dit doet evenwel niet af aan de waarneming van de rechtbank op de camerabeelden dat de verdachte wel een taps toelopend puntig voorwerp in zijn rechterhand had, waarover de getuige evenmin heeft verklaard. Overigens heeft de getuige blijkens zijn verklaring de beveiliger wel horen zeggen dat de verdachte een mes in zijn hand had.

De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal en daarbij aangever dreigend een mes heeft getoond om de winkel te kunnen verlaten met de gestolen goederen.

Met betrekking tot feit 2

De verdachte heeft in zijn cel zijn T-shirt in brand gestoken. Er waren in de cel geen andere goederen aanwezig die mogelijk vlam konden vatten. Dit doet echter niet af aan het gevaar dat de verdachte hiermee veroorzaakt heeft. Door het in brand steken van zijn T-shirt is een behoorlijke rookontwikkeling ontstaan. De rook trok onder de deur van het verblijf van de verdachte door de gang in. In de gang waren andere cellen en verhoorkamers waarin zich op dat moment andere mensen bevonden. De gang en de andere ruimtes dienden ontruimd te worden.

De rookontwikkeling was dusdanig ernstig dat in ieder geval de arrestantenbewaarder die de brand door het luikje trachtte te blussen rook heeft ingeademd en hier last van heeft gehad.

Deze omstandigheden rechtvaardigen wel degelijk de conclusie dat door het in brand steken van het T-shirt door de verdachte er, naar algemene ervaringsregels voorzienbaar, gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten was.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

primair
hij op 8 december 2018 te Rotterdam zes tandenborstels (merk: Sensodyne) en aftershave
(merk: Nivea), die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan Kruidvat (gevestigd op de [adres delict] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door dreigend een mes aan voornoemde [naam slachtoffer] te tonen;

2.

hij op ­­­­­­­­­­­­ 8 december 2018 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een t'shirt, ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ten gevolge waarvan het t'shirt ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ is verbrand, ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­en daarvan gemeen gevaar voor (de inrichting van) ­­­­­­­meerdere voorlopig arrestantenverblijv­en­ en­­­ politiecel­len­ en­­­ politiebureau Doelwater, ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­en­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meerdere in ­­­­de voorlopige arrestantenverblijven/cellencomplex/cellengang/verhoorkamers/politiebureau Doelwater aanwezige personen, ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ te duchten was;

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

2.

Opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal met geweld en opzettelijke brandstichting in zijn cel op het politiebureau. Dit zijn ernstige feiten.

Nadat de verdachte door de beveiliger werd tegengehouden omdat hij niet alle goederen had afgerekend en toch de winkel wilde verlaten, heeft hij een mes getoond om weg te kunnen komen uit de winkel. Dit heeft ingrijpende gevolgen. Diefstallen veroorzaken schade en overlast voor de winkelbedrijven. Bovendien heeft het feit bij de aangever, die gewoon zijn werk deed, gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid. Het feit veroorzaakt hiernaast onrust in de maatschappij, nu dit plaats vond in de openbare ruimte en voorbijgangers hiervan ongewild getuige hebben moeten zijn.

Hiernaast heeft de verdachte brand gesticht in zijn cel op het politiebureau. Doordat het brandalarm afging en de arrestantenbewaarders de brand snel hebben kunnen blussen is voorkomen dat er ernstigere gevolgen zijn geweest. Het heeft echter wel veel materiële schade tot gevolg gehad en ook heeft het feit voor veel overlast gezorgd op het politiebureau. De arrestantenverblijven en verhoorkamers moesten ontruimd worden en konden hierna enige tijd niet gebruikt worden. Bovendien heeft de arrestantenbewaker die het verblijf door het cel luikje heeft geblust enkele dagen last gehad van de ingeademde rook.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

21 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Het Leger des Heils, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 september 2018. Dit rapport houdt onder andere in dat de verdachte aangeeft geen problemen te hebben en geen hulp te willen. De reclassering krijgt de indruk dat de verdachte een positiever beeld schetst van zijn situatie dan deze in werkelijkheid is.

Psycholoog O.C. van der Bent heeft een voorgeleidingsrapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 december 2018. Dit rapport houdt onder andere in dat er aanwijzingen zijn voor een gestoorde agressieregulatie. Gezien de vele inconsistenties in de verklaring van de verdachte lijkt hij niet altijd even oprecht.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van langere duur. Bij de bepaling daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , namens de Nationale Politie te Rotterdam, ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.506,02 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de vordering geheel toe te wijzen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw merkt ten aanzien van de vordering op dat de factuur van de schoonmaakkosten een conceptfactuur is en dat deze 26 maart 2018 is gedateerd. De vordering is voor het overige te onduidelijk. De raadsvrouw verzoekt de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

8.3.

Beoordeling

Nu vast is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het de onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen, met uitzondering van de schoonmaakkosten. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op deze schoonmaakkosten is niet voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. De factuur is een conceptfactuur en is bovendien gedateerd 26 maart 2018, derhalve ruim voor de datum waarop het bewezenverklaarde feit is gepleegd. De benadeelde partij zal voor dat gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 december 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.387,18 (zegge dertienhonderdzevenentachtig euro en achttien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 18 september 2018 van de politierechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 7 dagen, waarvan een gedeelte groot 4 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 3 oktober 2018.

9.2.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikelen 57, 157, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij Nationale Politie te Rotterdam, te betalen een bedrag van € 1387,18 (zegge: dertienhonderdzevenentachtig euro en achttien eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 september 2018 van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 4 (zegge vier) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. W.H.J. Stemker Köster en F. Wegman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. van der Drift-Visser, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

primair
hij op of omstreeks 8 december 2018 te Rotterdam zes, althans een aantal tandenborstel(s) (merk: Sensodyne) en/of aftershave
(merk: Nivea), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Kruidvat (gevestigd op/aan de [adres delict] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door dreigend een mes aan voornoemde [naam slachtoffer] te tonen;

subsidiair
hij op of omstreeks 8 december 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zes, althans een aantal tandenborstel(s) (merk: Sensodyne) en/of aftershave (merk: Nivea), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Kruidvat (gevestigd op/aan de [adres delict] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, zes, althans een aantal tandenborstel(s) en/of aftershave uit de schappen van het Kruidvat heeft gepakt en/of (vervolgens) die tandenborstel(s) en/of aftershave in zijn (jas)zak heeft gestopt en/of (vervolgens) de kassa is gepasseerd zonder voornoemde tandenborstel(s) en/of aftershave ter betaling aan te bieden en/of (vervolgens) dreigend een mes aan beveiliger [naam slachtoffer] heeft getoond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
primair
hij op of omstreeks 8 december 2018 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een t'shirt, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan het t'shirt geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (de inrichting van) een of meerdere voorlopig arrestantenverblijf(en) en/of politiecel(len) en/of politiebureau Doelwater, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meerdere in het/de voorlopige arrestantenverblijven/cellencomplex/cellengang/verhoorkamers/politiebureau Doelwater aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meerdere in het/de voorlopige
arrestantenverblijven/cellencomplex/cellengang/verhoorkamers/politiebureau Doelwater aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

subsidiair
hij op of omstreeks 8 december 2018 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of vloer en/of (inrichting van) een voorlopig arrestantenverblijf/politiecel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Rotterdam toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.