Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3464

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
7602363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kort geding, ontruiming, verblijf in woning zonder recht of titel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7602363 \ VV EXPL 19-115

uitspraak: 1 mei 2019

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Amvest RCF Custodian B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard,

tegen

[gedaagde]

woonplaats: [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R. Scheltes.

Partijen worden hierna aangeduid als “Amvest” en “ [gedaagde] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 26 maart 2019 met producties;

  • -

    het verweerschrift met producties.

  • -

    de door Amvest nagezonden productie 4;

  • -

    de door [gedaagde] in twee series overgelegde producties, behorende bij het verweerschrift.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2019. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

De heer [huurder] (hierna: “ [huurder] ”) heeft van Amvest de woning aan de [adres 1] (hierna: “de woning”) met bijbehorende parkeerplaats aan de [adres 2] te [plaats] gehuurd.

2.2

[gedaagde] verblijft vanaf februari 2018 in de woning met haar twee minderjarige kinderen van 7 en 13 jaar oud. Voor die tijd huurde [gedaagde] de woning aan de [adres 3] in hetzelfde complex en daarvoor woonde zij op nummer [nummer] .

2.3

Amvest heeft op 16 april 2018 aan [huurder] geschreven: ‘(….) U heeft de woning onderverhuurd aan, naar eigen zeggen, uw huidige partner, mevrouw [gedaagde] .(….).’

Amvest schrijft verder dat onderverhuur niet is toegestaan en dat [huurder] telefonisch heeft voorgesteld om de huurovereenkomst op te zeggen en mevrouw [gedaagde] de woning officieel te laten huren. Afgesproken is, aldus de brief van Amvest, dat [gedaagde] haar financiële stukken aan Amvest zou aanleveren om te kunnen beoordelen of Amvest kon instemmen met het voorstel van [huurder] .

2.4

[huurder] heeft op 18 april 2018 aan Amvest geschreven, voor zover relevant:

‘(…) Het klopt niet dat ik gezegd heb dat ik deze woning aan het onderverhuren ben aan mijn vriendin, want dat is absoluut niet van toepassing. Ik ben nog steeds de wettelijke hoofdbewoner en betaal altijd tijdig mijn huur. Toen ik voor een toestemmingsverklaring het kantoor belde, heb ik alles duidelijk en naar alle waarheid doorgegeven aan een van uw medewerkers voordat mijn vriendin hier kwam intrekken met haar kinderen. En daarna kreeg ik een toestemmingsverklaring.(…)’

2.5

De huurovereenkomst is door [huurder] bij schrijven van 12 december 2018 opgezegd per

1 februari 2019.

2.6

Bij schrijven van 28 januari 2019 heeft Amvest aan [gedaagde] bericht dat [huurder] de huurovereenkomst per 1 februari 2019 heeft opgezegd, alsmede dat een belangrijk - nieuw - gegeven voor Amvest in deze situatie is het feit dat er geen onderhuurovereenkomst tussen haar huurder [huurder] en [gedaagde] blijkt te bestaan. Dat impliceert, zo schrijft Amvest, dat Amvest geen enkele wettelijke verplichting jegens [gedaagde] heeft en [gedaagde] geen huurbescherming geniet. Verder schrijft Amvest dat zij de woning niet aan [gedaagde] zal aanbieden om verschillende redenen, onder andere in verband met overlastklachten als gevolg van de bedrijfsvoering vanuit de woning en in verband met het feit dat [gedaagde] niet voldoet aan de inkomenseisen die Amvest stelt aan haar huurders. In verband met de opzegging van de huurovereenkomst door [huurder] is een eindinspectie op 30 januari 2019 aangekondigd. Amvest heeft [gedaagde] erop geattendeerd dat zij de woning voor het einde van de maand moet hebben verlaten.

2.7

Bij e-mail van 11 februari om 10:15 uur heeft [huurder] aan Amvest, voor zover relevant, het volgende bericht:

‘(…) Ik heb meerdere malen mevr. [gedaagde] verzocht om de situatie met [naam bedrijf] z.s.m. op te lossen.

We zijn nu inmiddels ongv. een jaar verder en helaas zijn jullie er samen niet uitgekomen.

Ik heb zelf ook geen onderverhuur contract afgesloten met mevr. [gedaagde] .(…)’

2.8

Bij e-mail van 11 februari 2019 om 11:54 uur heeft Amvest aan [gedaagde] de onderhavige procedure aangekondigd, omdat [gedaagde] haars inziens zonder recht of titel in de woning verblijft.

2.9

In een verklaring gedateerd 9 april 2019 schrijft [huurder] dat hij uiteindelijk heeft gezegd dat het niet om onderverhuur ging en dat hij moest liegen omdat hij werd gechanteerd dat ze (toevoeging kantonrechter: Amvest) [gedaagde] (toevoeging kantonrechter: [gedaagde] ) en haar kinderen letterlijk uit huis zouden “kicken” met politie, deurwaarder, etc.

3. De vordering

3.1

Amvest heeft gevorderd om, bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis de woning aan de [adres 1] en de parkeerplaats aan de [adres 2] te Rotterdam geheel te ontruimen en te verlaten en de sleutels ter beschikking te stellen van Amvest, met machtiging van Amvest om de ontruiming zelf te doen uitvoeren door een gerechtsdeurwaarder (zo nodig met behulp van politie en/of justitie) indien [gedaagde] daarmee binnen de gestelde termijn in gebreke blijft, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2

Aan haar vordering legt Amvest - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft.

4 Het verweer

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat er sprake is van een onderhuurovereenkomst tussen haar en [huurder] .

5 De beoordeling

5.1

Amvest heeft gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Dat belang is door [gedaagde] betwist. Gelet op de aard van de zaak, in samenhang bezien met alle omstandigheden, acht de kantonrechter het spoedeisend belang aan de zijde van Amvest voldoende aanwezig, zodat zij ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering.

5.2

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vordering van Amvest in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

5.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] voor het eerst, uit het niets, gesteld dat er een schriftelijke onderverhuurovereenkomst bestaat tussen haar en [huurder] en dat zij bereid is om die binnen drie dagen af te geven. Daartoe wordt [gedaagde] echter niet toegelaten. Zij heeft voldoende gelegenheid gehad voorafgaand aan en zelfs nog tijdens deze procedure om schriftelijke (bewijs)stukken over te leggen. [gedaagde] heeft zich bovendien op geen enkel moment in een reactie op de correspondentie van Amvest op dit standpunt gesteld. Zelfs niet in haar schriftelijke verweer in deze procedure. Nimmer is er door haar met een woord gerept over het bestaan van een schriftelijke onderverhuurovereenkomst. [gedaagde] geeft aan dat de onderhuurovereenkomst ergens in haar administratie is: ‘Ik ben natuurlijk net verhuisd, dus het is een rommel.’ Het is ongeloofwaardig dat zij, voor zover zij dat heeft bedoeld te betogen, de overeenkomst door de rommel in verband met haar recente verhuizing nog niet heeft gevonden in haar administratie. Zij woont al vanaf februari 2018 in deze woning. Bovendien is de nieuwe stellingname van [gedaagde] op z’n minst opmerkelijk te noemen in samenhang bezien met het door haar gevoerde verweer dat een schriftelijke huurovereenkomst niet noodzakelijk is en een huurovereenkomst ook mondeling kan worden gesloten.

5.4

[huurder] heeft juist meerdere keren het bestaan van een onderverhuurovereenkomst tussen hem en [gedaagde] schriftelijk jegens Amvest expliciet betwist. Slechts eenmaal, na het uitbrengen door Amvest van de onderhavige dagvaarding, heeft [huurder] op 9 april 2019 verklaard dat er wél sprake was van onderhuur. Gelet op de tegenstrijdigheid van die laatste verklaring met alle eerdere door [huurder] afgelegde verklaringen, kan die laatste niet dienen als onderbouwing van het standpunt van [gedaagde] dat er een onderhuurovereenkomst tussen haar en [huurder] bestaat.

5.5

Het is geenszins aannemelijk geworden dat er sprake is van een onderverhuurovereenkomst tussen [huurder] en [gedaagde] op basis waarvan [gedaagde] recht heeft om in de woning te verblijven. [gedaagde] heeft de wens geuit om zelfstandig huurster te worden van de woning, maar er bestaat geen wettelijke verplichting voor Amvest om daaraan mee te werken. Uit de stukken blijkt dat Amvest zich wel onverplicht heeft ingespannen om die mogelijkheid te onderzoeken. In de brief van 28 januari 2019 heeft Amvest al uitgebreid gemotiveerd waarom zij niet met [gedaagde] als huurster in zee wil gaan. [gedaagde] kan dat ook niet in rechte afdwingen, zodat ook hierdoor geen recht om in de woning te verblijven bestaat of kan worden bewerkstelligd.

5.6

Ook een belangenafweging staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering tot ontruiming. [gedaagde] voert in dat verband weliswaar aan dat zij als gevolg van een ontruiming dakloos zal worden, maar [gedaagde] heeft voldoende tijd gehad om voorzorgsmaatregelen te treffen voor het geval de uitspraak in deze zaak voor haar slecht zou uitvallen. Als zij dat niet heeft gedaan, dan komt dat voor haar eigen risico. Verder speelt een rol dat in het traject om te komen tot het zelf huren van de woning door [gedaagde] door Amvest herhaaldelijk informatie van [gedaagde] is verkregen die, naar zeggen van Amvest, bij navraag niet bleek te kloppen. Daar heeft [gedaagde] geen verklaring voor gegeven. De vorige twee huurperiodes van [gedaagde] bij Amvest, in hetzelfde pand, zijn bovendien niet vlekkeloos verlopen. Ten aanzien van de huidige woning erkent [gedaagde] thans dat zij vanuit daar een kapperszaak exploiteert. Dat is in strijd met de huurvoorwaarden van Amvest.

5.7

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis, acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat de vordering van Amvest tot ontruiming van de woning in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarop zal daarom in deze procedure bij wege van voorlopige voorziening vooruit gelopen worden, zoals hierna bepaald.

5.8

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de deurwaarder, dan wel de sterke arm van politie en/of justitie zal worden afgewezen, omdat de deurwaarder daartoe op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering al zonder rechterlijke tussenkomst bevoegd is, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van [gedaagde] komen.

5.9

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

bij wege van voorlopige voorziening,

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 1] en de parkeerplaats aan de [adres 2] te Rotterdam geheel te ontruimen en te verlaten en de sleutels ter beschikking te stellen van Amvest;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan de datum van deze uitspraak vastgesteld op € 101,06 aan dagvaardingskosten, € 121,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

703