Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3447

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
10-263635-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een defect vuurwapen met munitie en het dragen van een groot mes waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-263635-18

Datum uitspraak: 29 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak

tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ( [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

raadsvrouw mr. K. Hoesenie, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. M.A. van der Vlugt, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 1

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 2

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat het mes in de auto van de verdachte lag om iemand geweld mee aan te doen. Het mes betreft een Ikea keukenmes en nu de verdachte in de bouwsector werkt - waar geen faciliteiten zijn om te eten - neemt hij zelf spullen mee waaronder een keukenmes om zijn brood mee te snijden. De verdachte had niet door dat dit mes achter hem in de auto lag. Hij ging ervan uit dat dit mes - zoals altijd - bij de andere spullen in de achterbak lag.

Beoordeling en conclusie

De verdachte is op 22 december 2018 omstreeks 18:05 aangehouden op de [naam straat] in Rotterdam nadat hij rond 17.50 uur vanuit Schiedam was vertrokken. De auto is na zijn aanhouding doorzocht en tijdens deze doorzoeking is een groot keukenmes in het vak achter de bestuurdersstoel aangetroffen. Het mes was voor de bestuurder direct te pakken.

Uit onderzoek naar dit mes is gebleken dat het mes een lemmet had van 20 cm. In het dossier bevindt zich ook een foto van het mes en de rechtbank constateert dat het mes een glad lemmet heeft en niet de uiterlijke verschijningsvorm van een broodmes heeft. De verdachte heeft voorts bij de politie en op de zitting verklaard dat hij zich bedreigd voelde en om die reden een (defect) vuurwapen bij zich droeg.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het mes bestemd was om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

Het onder 2 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 22 december 2018 te Schiedam

een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een samenstel van onderdelen specifiek voor een pistool van het merk Beretta, model 70, kaliber 7,65 mm en daarvoor van wezenlijke aard, namelijk: (1) een kast met pistoolgreep en hamer- en trekkerinrichting, (2) een slede met (defecte) slagpin, (3) een loop met kamer en (4) een patroonmagazijn

en

(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 kogelpatronen (kaliber: 7,65 mm)

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 22 december 2018 te Rotterdam op de openbare weg, te weten de [naam straat] , een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie IV, onder 7º van de Wet wapens en munitie, te weten een keukenmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en de omstandigheden waaronder dit voorwerp werd aangetroffen, namelijk achter de bestuurdersstoel van een personenauto (Daihatsu Cuore, [kenteken nummer] ), redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, heeft gedragen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een defect vuurwapen met munitie en het dragen van een groot mes waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, mede gelet op het gevaar en de dreiging die van dergelijke wapens uitgaat. Dat het vuurwapen defect bleek te zijn, laat onverlet de dreiging die van een dergelijk vuurwapen uitgaat. Het aanwezig hebben van een (defect) vuurwapen en een groot mes kan ook nare consequenties hebben voor de maatschappij en de verdachte zelf, omdat een ander kan denken dat hier mee geschoten of gestoken zal worden en om die reden besluit zelf het vuur te openen of te steken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan gevorderd, omdat de rechtbank de verdachte - anders dan de officier van justitie - aanmerkt als first offender. De recidiveregeling, genoemd in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht, die de officier van justitie aanhaalt, stelt als voorwaarden dat de rechter slechts strafverhoging mag opleggen indien de recidive in de tenlastelegging is vermeld en vervolgens is bewezenverklaard. Omdat de recidive niet in de tenlastelegging is vermeld en de officier van justitie dit ook niet op de zitting aan de tenlastelegging heeft toegevoegd, past de rechtbank de wettelijke recidiveregeling niet toe.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.L. Woerdeman, voorzitter,

en mrs. F. Wegman en A.M. van der Leeden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 december 2018 te Schiedam

een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een samenstel van onderdelen specifiek voor een pistool van het merk Beretta, model 70, kaliber 7,65 mm en daarvoor van wezenlijke aard, namelijk: (1) een kast met pistoolgreep en hamer- en trekkerinrichting, (2) een slede met (defecte) slagpin, (3) een loop met kamer en (4) een patroonmagazijn

en

(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 kogelpatronen (kaliber: 7,65 mm)

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 22 december 2018 te Rotterdam op de openbare weg, te weten de [naam straat] , een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie IV, onder 7º van de Wet wapens en munitie, te weten een keukenmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden waaronder dit voorwerp werd aangetroffen, namelijk achter de bestuurdersstoel van een personenauto (Daihatsu Cuore, [kenteken nummer] ), redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, heeft gedragen.