Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3446

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
10-001412-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft aanmerkelijk onoplettend een geladen vuurwapen (bij de trekker) vastgepakt waardoor het vuurwapen is afgegaan, de kogel door de vloer van de verdachte en het plafond van het slachtoffer is gegaan en het slachtoffer een kogel in haar arm kreeg terwijl zij in haar woning op de bank lag. De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie, een stroomstootwapen en een hoeveelheid cocaïne.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0707
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-001412-19

Datum uitspraak: 29 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak

tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsvrouw mr. S. Bosmans, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. M.A. van der Vlugt, heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit;

  • -

    bewezenverklaring van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering t.a.v. feiten 2, 3 en 4

De onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering t.a.v. feit 1

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 ten laste gelegde feit, omdat het letsel van het slachtoffer niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte niet roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig een geladen vuurwapen bij de trekker heeft vastgepakt. De verdachte was er niet van op de hoogte dat het vuurwapen doorgeladen was. Bovendien heeft de verdachte op het moment dat hij het vuurwapen pakte, zich ervan vergewist op welke manier hij dat deed. De verdachte pakte het vuurwapen bij de trekker zoals je een vuurwapen pakt en heeft deze constant naar beneden gehouden. Ook bestond er geen reële kans dat het slachtoffer onder deze omstandigheden getroffen zou worden. De kogel is immers door de vloer en het plafond langs een muur gegaan.

Bovendien is niet gebleken dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of dat zij haar werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren.

4.2.3.

Beoordeling

Onder schuld als delictsbestanddeel van artikel 308 Wetboek van Strafrecht wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630).

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. De verdachte heeft op 1 januari 2019 een vuurwapen vanaf de woning van zijn oom naar de woning van zijn vriendin gebracht. Deze laatste bevindt zich op de eerste verdieping van een portiekflat, boven de flat van het slachtoffer. Toen de verdachte dit vuurwapen wilde verstoppen voor zijn vriendin, heeft hij het vuurwapen bij de trekker beetgepakt waardoor het vuurwapen is afgegaan. Hoewel de verdachte ter zitting en bij de politie heeft verklaard dat hij niet wist dat het wapen was doorgeladen, heeft hij tijdens zijn voorgeleiding bij de politie verklaard dat hij wilde controleren of het wapen was doorgeladen. Ook had hij naar eigen zeggen de dagen daarvoor echt veel gedronken en weet hij niet meer welke handelingen hij heeft verricht. Ook ten tijde van het ten laste gelegde feit was de verdachte onder invloed van alcohol.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte er niet zonder meer van uit mocht gaan dat het vuurwapen niet doorgeladen was en heeft hij door het vuurwapen desondanks bij het uit de zak halen bij de trekker beet te pakken in ieder geval aanmerkelijk onoplettend gehandeld. Dit geldt te meer nu de verdachte heeft verklaard dat hij onder invloed van alcohol was. Bovendien is de verdachte eerder gewond geraakt toen hij een vuurwapen in zijn handen had dat per ongeluk was afgegaan, zodat van hem juist voorzichtigheid mocht worden verwacht. Uit het dossier blijkt voldoende dat het vuurwapen is afgegaan door de manier waarop de verdachte dit heeft beetgepakt. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden was de kans dat het vuurwapen af zou gaan en daarbij iemand in de nabijheid van de verdachte zou worden geraakt, ook reëel.

Later bleek dat het slachtoffer, de benedenbuurvrouw, in haar arm was geraakt nadat de kogel uit het vuurwapen door de vloer van de woning van de vriendin van de verdachte en door het plafond van de woning van het slachtoffer was gegaan. De kogel heeft nog twee weken in de arm van het slachtoffer gezeten voordat deze operatief verwijderd kon worden. Daarna zou de wondgenezing nog ongeveer twee weken duren.

Gezien de medische toestand van het slachtoffer heeft zij door toedoen van de verdachte zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte is ontstaan.

4.2.4.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 1 januari 2019 te Rotterdam in elk geval aanmerkelijk onoplettend, een geladen vuurwapen bij de trekker heeft vastgepakt, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de linker bovenarm, heeft bekomen, zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte was ontstaan;

2.

hij op 1 januari 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een pistool van het merk Zastava, model M57, kaliber 7.62x25 en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 7.62x25, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 1 januari 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht te weten een stroomstoot wapen, merk/type: Powermax, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 1 januari 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijke ziekte ontstaat.

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft aanmerkelijk onoplettend een geladen vuurwapen (bij de trekker) vastgepakt waardoor het vuurwapen is afgegaan, de kogel door de vloer van de verdachte en het plafond van het slachtoffer is gegaan en het slachtoffer een kogel in haar arm kreeg terwijl zij in haar woning op de bank lag. De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie, een stroomstootwapen en een hoeveelheid cocaïne.

Dit zijn ernstige feiten. Het slachtoffer en de verdachte mogen van geluk spreken dat het letsel beperkt is gebleven tot een schotwond in de arm. Verdachte heeft met zijn handelen een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van andere personen in het leven geroepen. De rechtbank rekent het voorgaande verdachte aan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt wat voor psychische consequenties het voor het slachtoffer heeft gehad doordat zij in haar eigen woning, waar zij zich veilig behoort te voelen is beschoten.

De rechtbank uit gezien het voorgaande haar zorgen. Ter zitting heeft de verdachte immers aangegeven het vuurwapen meermaals aan vrienden te hebben getoond en meerdere malen met het vuurwapen over straat te hebben gelopen. Bovendien stelt de verdachte niet te weten wie het wapen heeft doorgeladen en wanneer dat is doorgeladen. De combinatie van het alcohol- en drugsgebruik van de verdachte en vuurwapenbezit, levert zeer grote gevaren voor zijn omgeving (en de maatschappij) op, te meer nu de verdachte heeft aangegeven dat het de bedoeling is dat zijn kinderen bij hem komen wonen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

27 februari 2019. Dit rapport houdt onder andere het volgende in.

De verdachte geeft blijk van enig probleembesef door aan te geven dat alcohol zijn leven heeft verwoest. De verdachte heeft onvoldoende interpersoonlijke- en copingvaardigheden, waardoor hij, nadat hij werd bedreigd, geen andere mogelijkheid zag dan het aanschaffen van een wapen. Ook gebruikt hij alcohol en drugs voor het omgaan met spanning en stress.

Daarnaast ziet de reclassering alcohol, drugs en delen van zijn sociale netwerk als risicoverhogende factoren, terwijl zij zijn huidige partner evenals zijn arbeidsethos juist als beschermend zien. De verdachte is gemotiveerd om zijn leven beter op de rit te krijgen en geeft aan open te staan voor hulpverlening.

De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met nader genoemde bijzondere voorwaarden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is geadviseerd en gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte te verplichten tot het verblijven in een door de reclassering nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke zorg, omdat de verdachte al over huisvesting beschikt en hij samen met zijn vriendin een toekomst wil opbouwen.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij een baan heeft en hij gemotiveerd lijkt om zijn leven te beteren.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft mevrouw [naam benadeelde] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 644,02 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat - ondanks dat het onder 1 ten laste gelegde feit in zijn ogen niet wettig en overtuigend kan worden - de gevorderde materiële schade voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. Het onder 2 ten laste gelegde houdt namelijk voldoende verband met de door de benadeelde partij gevorderde schade. De Wet wapens en munitie beoogt immers ook mensen zoals het slachtoffer te beschermen tegen mensen zoals de verdachte.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat dit bedrag gematigd dient te worden tot een bedrag van € 1.000,-. De door de benadeelde partij aangehaalde zaak ter vergelijking, is niet helemaal vergelijkbaar.

Het bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak voor het onder 1 ten laste gelegde feit.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat omdat het onder 2 ten laste gelegde feit geen rechtstreeks verband houdt met de door de benadeelde partij gevorderde schade, de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering.

Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade gematigd dient te worden tot maximaal € 1.000,-.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, gedeeltelijk worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de huishoudelijke hulp is onvoldoende onderbouwd en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De overige materiele schadeposten zijn genoegzaam onderbouwd en komen voor vergoeding in aanmerking.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 januari 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een groot deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.462,02, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 308 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich na uitnodiging melden bij een nader aan te wijzen reclasseringsinstelling, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde zal zich houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie Leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde zal zich houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

de veroordeelde zal meewerken aan urinecontroles om zijn drugs- en alcoholgebruik te monitoren en bespreekbaar te maken;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 1.462,02 (zegge: één duizend vierhonderdentweeënzestig euro en twee cent), bestaande uit € 462,02 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen

€ 1.462,02 (hoofdsom, zegge: één duizend vierhonderdentweeënzestig euro en twee cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 1.462,02 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

24 (vierentwintig) dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.L. Woerdeman, voorzitter,

en mrs. F. Wegman en A.M. van der Leeden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Rotterdam roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een geladen vuurwapen (bij de trekker) heeft vastgepakt, althans zodanig heeft vastgepakt dat het wapen is afgegaan/afgevuurd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de (linker) bovenarm, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een pistool van het merk Zastava, model M57, kaliber 7.62x25 en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 7.62x25, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht te weten een stroomstoot wapen, merk/type: Powermax, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.