Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3377

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
ROT 17/4598
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:739, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

voetbalkooi - verwijzing door Afdeling vanwege gestelde schade - StAB - wel overlast - bob en bip onrechtmatig - schade niet onderbouwd - beroep gegrond - schadevergoeding afgewezen - verweerder hoeft geen nieuw besluit te nemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 17/4598

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen geluidoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan de Jupiterstraat / Jeroen Boschlaan in Zwijndrecht afgewezen.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2017 heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:RBROT:2017:270).

Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

Bij besluit van 21 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2017 heeft de Afdeling het hoger beroep van eiseres gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2017 vernietigd voor zover het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard en het door eiseres ingestelde beroep tegen het besluit van 22 september 2015 alsnog gegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2017:1927). Verder heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat het beroep van eiseres op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) automatisch ook tegen het bestreden besluit is gericht. De Afdeling heeft beslist dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit moet beoordelen en het beroep naar de rechtbank verwezen.

Verweerder en eiseres hebben nadere stukken ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2018. Eiseres is verschenen. Tevens zijn verschenen mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M. Berendsen en [naam 3] . Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Op 14 mei 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd om de rechtbank in deze zaak te adviseren.

Op 20 augustus 2018 heeft de StAB verslag uitgebracht. Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om op het deskundigenbericht van de StAB te reageren. Eiseres heeft op 15 september 2018 gereageerd. Verweerder heeft niet gereageerd.

Bij brief van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank eiseres verzocht om de door haar gestelde schade nader te onderbouwen.

Eiseres heeft bij brief van 24 november 2018 een overzicht ingediend van de door haar gestelde schade.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 maart 2019. Eiseres is verschenen, onder meer vergezeld van mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] . Verweerder is, zonder voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Op 28 maart 2019 heeft mr. C.W.M. Berendsen namens verweerder de griffier telefonisch geïnformeerd dat verweerder door een interne systeemfout als gevolg van een functiewijziging van een medewerker geen stukken meer heeft ontvangen na het verslag van de StAB, waardoor hij ook niet op de hoogte was van de zitting op 20 maart 2019. Hierdoor is verweerder zonder bericht niet op de zitting verschenen, wat verweerder betreurt.

Mr. Berendsen heeft desgevraagd aangegeven dat verweerder de uitspraak van de rechtbank op het beroep afwacht. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Awb te heropenen. Verweerder heeft daar ook niet om gevraagd.

Overwegingen

Inleiding

1. Op de hoek van de Jupiterstraat en de Jeroen Boschlaan in Zwijndrecht is in november 2014 door de gemeente Zwijndrecht (gemeente) een nieuwe voetbalkooi geplaatst. Op deze locatie bevond zich al jarenlang een voetbalkooi. De oude voetbalkooi gaf overlast en is verwijderd. De huidige voetbalkooi bestaat uit een speelterrein dat is omgeven door een hekwerk dat voor 92 procent is voorzien van staalkabels die om de circa 10 centimeter verticaal zijn gespannen. De overige 8 procent van het hekwerk bestaat uit stalen roestvrije buizen van circa 9 centimeter breed.

2. Eiseres stelt overlast te hebben ervaren door het gebruik van de voetbalkooi. Zij heeft verweerder op 22 mei 2015 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de voetbalkooi. Toen woonde eiseres nog aan [adres 1] in Zwijndrecht. Deze woning bevindt zich op circa 22 meter afstand van de voetbalkooi. Per 5 september 2016 is zij uitgeschreven op dit adres en ingeschreven op het adres [adres 2] in Heerjansdam. Eiseres stelt, ook voor de gezondheid van haar zoon, te zijn verhuisd vanwege de overlast van de voetbalkooi. Zij woont nu nog steeds met haar zoon aan de [adres 2] in Heerjansdam.

3. Verweerder heeft het verzoek om handhaving afgewezen, omdat er toereikende maatregelen zijn getroffen om mogelijke hinder van de voetbalkooi te beperken. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een memo van 2 juli 2015 van de omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid (omgevingsdienst).

4. In de uitspraak van 12 januari 2017 was het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat zij was verhuisd. In het in die zaak gezamenlijk behandelde beroep van een andere eiseres heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de memo van 2 juli 2015 voor het stemgeluid duidelijk blijkt dat vooral in de avond- en nachtperiode het verschil tussen de optredende maximale geluidniveaus en grenswaarden zodanig is dat verwacht kan worden dat dit niet aanvaardbare hinder oplevert (punt 9 van de uitspraak). De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het besluit van 22 september 2015 niet deugdelijk is gemotiveerd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank verweerder in overweging gegeven opnieuw een meting uit te voeren, eenmaal op vrijdagavond dan wel zaterdagavond en een keer door de week ’s avonds bij gewone omstandigheden.

5. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Daarvoor heeft verweerder een tweetal geluidsonderzoeken laten uitvoeren door de omgevingsdienst. De resultaten van de geluidsonderzoeken zijn neergelegd in een memo van de omgevingsdienst van 9 februari 2017 (akoestisch onderzoek 2017). Het gebruik van de voetbalkooi is voor de nieuwe metingen in scene gezet. Deze metingen, en een eerdere meting van 3 november 2015, laten volgens verweerder zien dat het meest harde geluid uit de voetbalkooi het stemgeluid van spelende kinderen is. Het geluidniveau van het voetballen in de kooi, het trappen tegen de bal en het trappen van de bal tegen de palen of de kooidraden, ligt volgens verweerder onder de normen van het maximaal geluidniveau uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Ook is niet gebleken dat de voetbalkooi tot in de late avonduren wordt gebruikt. Verder zijn er maatregelen, controles door jongerenwerk en spelregels gegeven om overlast in welke vorm dan ook te beperken. Er is daarom geen sprake van ontoelaatbare geluidhinder afkomstig van de voetbalkooi bij omwonenden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Zwijndrecht (APV), aldus verweerder in het bestreden besluit.

6. De Afdeling heeft daarna bij de uitspraak van 19 juli 2017 overwogen dat eiseres heeft betoogd dat zij schade heeft geleden doordat verweerder niet heeft opgetreden tegen de overlast. Naar het oordeel van de Afdeling heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat er een nauw verband tussen de overlast en de verhuizing bestaat en dat zij kosten heeft gemaakt. Het belang van eiseres in het beroep tegen het bestreden besluit is dus gelegen in de vraag of dat besluit onrechtmatig is en zo ja, of eiseres daar schade van heeft geleden die moet worden vergoed.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank stelt vast dat zij twee vragen moet beantwoorden om tot een beslissing in deze zaak te komen. De eerste vraag is of het bestreden besluit onrechtmatig is. Dat is de vraag of verweerder terecht heeft besloten dat er geen reden is om handhavend op te treden tegen het gebruik van de voetbalkooi. De tweede vraag is of verweerder de schade moet vergoeden die eiseres stelt te hebben geleden. Deze vragen zal de rechtbank hierna beantwoorden.

8. Daaraan voorafgaand merkt de rechtbank op dat eiseres bij brief van 25 maart 2018 heeft aangevoerd dat woningcorporatie Woonkracht10 haar niet correct heeft behandeld. De rechtbank zal dit standpunt niet beoordelen. Deze beroepsprocedure beperkt zich namelijk tot twee partijen, te weten: eiseres en verweerder, en tot het besluit van verweerder om niet handhavend op te treden tegen het gebruik en de gestelde overlast van de voetbalkooi. Om dezelfde reden zal de rechtbank ook niet oordelen over de klacht over het handelen van de heer [naam 4] van de gemeente. Verder zal de rechtbank, omdat het in deze zaak gaat om een bestuursrechtelijke procedure, niet voldoen aan het verzoek van eiseres om dit dossier te overhandigen aan het openbaar ministerie voor een strafrechtelijk onderzoek.

Het bestreden besluit

9. Eiseres voert aan dat voetbalkooien in heel Nederland overlast veroorzaken. Hiervoor verwijst zij bijvoorbeeld naar de uitspraak van 19 april 2007 van de rechtbank Dordrecht (sector civiel, ECLI:NL:RBDOR:2007:BA3381). In deze uitspraak wordt een akoestisch onderzoek besproken dat in opdracht van de gemeente is uitgevoerd door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. naar de geluidbelasting van een voetbalkooi. De uitkomsten van de geluidmeting in die zaak liggen aanzienlijk hoger (25-30 dB(A)) dan de laatste metingen van de omgevingsdienst. Een bal die tegen een hekwerk werd geschoten, heeft 85 dB(A) opgeleverd. Basketballen levert nog meer geluidoverlast op. Dit betekent dat het akoestisch onderzoek 2017 van de omgevingsdienst onjuist is. Ook blijkt uit dit onderzoek niet dat er jongeren of jongvolwassenen aan het onderzoek hebben deelgenomen. Jongeren en jongvolwassenen kunnen aanzienlijk harder schreeuwen en schieten dan de kinderen die, ook nog eens onder begeleiding van een jongerenwerker, aan het akoestisch onderzoek 2017 hebben meegewerkt. Bovendien geeft het in scene zetten van het gebruik van de voetbalkooi een onjuist beeld van de werkelijkheid. Verder wijken de resultaten van de tweede meting enorm af van de cijfers die in de eerdere procedure bij deze rechtbank zijn genoemd (zie ECLI:NL:RBROT:2017:270). Een piepende schoen is al 73 dB(A). Daarnaast zijn er in de meetperiodes van 31 januari 2017 en 4 februari 2017 geen treinen of scooters gesignaleerd. Dat is onmogelijk. De enorme piekgeluiden van de treinen worden zelfs genoemd. Verder blijkt uit de foto in het akoestisch onderzoek 2017 dat de geluidmeter meer dan 10 meter van de aangrenzende gevel staat. Ondanks het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 november 2015 (civiel) heeft de gemeente geen enkele actie ondernomen tegen de overlast van de voetbalkooi. De voetbalkooi geeft nog steeds dagelijks overlast voor de bewoners en wordt in het zomerseizoen zelfs ’s nachts gebruikt. De voetbalkooi wordt voornamelijk gebruikt door schreeuwende en overlastgevende jongeren en volwassenen met scooters, motoren en auto’s. Ook wordt er met auto’s met zeer hoge snelheid door de wijk gereden. Uit de stukken die zijn overgelegd over Woonkracht10 komt de ernstige overlast in de wijk rond de voetbalkooi duidelijk naar voren. Kortom, het akoestisch onderzoek 2017 dat verweerder heeft overgelegd, dient de rechtbank niet te volgen. Er is wel degelijk sprake van ontoelaatbare geluidhinder afkomstig van de voetbalkooi, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de APV. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiseres een getuigenverklaring naar aanleiding van een buurtonderzoek van 28 maart 2018 overgelegd. Eiseres was genoodzaakt om vanwege de geluidshinder afkomstig van de voetbalkooi te verhuizen. Er waren geen spelregels en geen toezicht en begeleiding. De rapporten zijn onjuist, aldus eiseres.

9.1.

De rechtbank overweegt dat artikel 4:6, eerste lid, van de APV ten tijde van belang als volgt luidde: “Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt."

9.2.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om de StAB als onafhankelijke deskundige in te schakelen. De rechtbank heeft de StAB, verkort weergegeven, de volgende vragen gesteld:

1. Wat is het maximale geluidniveau (piekgeluiden) (Lmax) ter plaatse van de

[adres 1] in Zwijndrecht als gevolg van het gebruik van de voetbalkooi?

2. Wat is het gemeten achtergrondgeluidniveau ter plekke? Hoe moet deze woonwijk

worden gekwalificeerd in de zin van tabel 2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (de Handreiking)? Leidt het gebruik van de voetbalkooi tot een hoger geluidniveau dan het normale geluidniveau in een woonwijk?

3. Van welk materiaal is de vloer van de voetbalkooi gemaakt? En welk effect heeft dit

materiaal op het geluid dat afkomstig is van het gebruik van de voetbalkooi?

4. Is de toetsing door verweerder aan de Handreiking correct, dan wel aan welke

normen had het geluid door het gebruik van de voetbalkooi (nog meer) moeten worden getoetst?

5. Hoe verhoudt uw onderzoek en de uitkomst daarvan zich tot de onderzoeken van

verweerder van 3 november 2015 en van 9 februari 2017? Wijken uw onderzoeksresultaten af van de resultaten van het onderzoek van verweerder? Als uw onderzoeksresultaten afwijken, kunt u dan aangeven wat daarvan de reden is?

9.3.

De StAB heeft kennisgenomen van het volledige dossier en heeft de situatie ter plaatse bekeken. In het verslag van 20 augustus 2018 is de StAB, samengevat weergegeven, tot de volgende bevindingen gekomen:

Ad 1) Uit de geluidsmetingen van de StAB op 11 en 13 juli 2018 volgt dat vanwege stemgeluid waarden boven de 65 dB(A) kunnen optreden. Het balgeluid was in alle gevallen lager dan 65 dB(A), meestal ook lager dan 60 dB(A). Ook het geluid van het piepen van de schoenen op de vloer van de voetbalkooi kwam niet boven de 65 dB(A) uit. De hoogst gemeten waarde vanwege stemgeluid in de avond bedroeg 76,3 dB(A), waarmee de grenswaarde uit de Handreiking met ruim 10 dB werd overschreden. Het aantal overschrijdingen varieerde van dertien in ruim een uur (op 11 juli) tot twintig in een half uur (op 13 juli). Op beide avonden werd de voetbalkooi normaal gebruikt en was sprake van stemgeluidniveaus die inherent zijn aan het gebruik van de voetbalkooi.

Ad 2) De StAB is uitgegaan van L95 als maat voor het achtergrondgeluidniveau. Het L95 is het geluidniveau dat gedurende 95% van de tijd wordt overschreden en is daarmee feitelijk een maat voor de stilste periode van de dag, avond of nacht. De resultaten voor het L95 in de avond op 11 juli 2018 zijn 49,4 dB(A), 44 dB(A) op 13 juli 2018 en 40,3 dB(A) op

16 augustus 2018. De omgeving van de Sterrenbuurt waarin (onder meer) de woning aan de [adres 1] is gelegen, is te typeren als een gebied dat ligt tussen een ‘rustige woonwijk in stad’ en een ‘woonwijk nabij een drukke verkeersweg (auto en rail)’ als bedoeld in tabel 2 van de Handreiking. De bij een gebiedstypering ‘rustige woonwijk in stad’ dan wel ‘woonwijk nabij een drukke verkeersweg (auto en rail)’ behorende grenswaarden voor het equivalente geluidniveau (Laeq) variëren van 50 tot 55 dB(A) voor de dagperiode, 45 tot 50 dB(A) voor de avondperiode en 40 tot 45 dB(A) voor de nachtperiode. Een beoordeling van de geluidhinder van het gebruik van een voetbalkooi op basis van het equivalente geluidniveau heeft weinig toegevoegde waarde. De mate van hinder wordt bij een voetbalkooi in hoofdzaak bepaald door de piekgeluiden (bal- en stemgeluid) en niet zozeer door het equivalente (gemiddelde) geluidniveau.

Ad 3) De vloer van de voetbalkooi bestaat uit een aaneengesloten bestrating van (vierkante) gladde betontegels. De gemeten maximale geluidniveaus (Lamax waarden) vanwege het stuiteren en het piepen van schoenen op de vloer waren niet hoger dan 65 dB(A). De betonnen vloer heeft tot gevolg dat het stemgeluid via de vloer kan worden gereflecteerd. Daardoor zal het geluidniveau een paar decibel hoger kunnen zijn dan in een situatie met bijvoorbeeld een vloer van kunstgras.

Ad 4) In de praktijk wordt voor de beoordeling van het geluid van een voetbalkooi bij gebrek aan een specifiek beoordelingskader vrijwel altijd aangesloten bij een van de twee beoordelingskaders die voor inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer van toepassing zijn, te weten de Handreiking of het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). De Handreiking is in dit geval het meest geschikte beoordelingskader voor de beoordeling van de piekgeluiden. Het Activiteitenbesluit is vanwege de uitzonderingen voor stem- en sportgeluid niet geschikt als kader voor de beoordeling van geluidhinder van een voetbalkooi. Zowel in de Handreiking als in het Activiteitenbesluit ontbreekt een specifiek beoordelingskader voor stemgeluid. Gelet op de rechtspraak van de Afdeling zou als grenswaarde voor de maximale geluidniveaus in de avondperiode uitgegaan kunnen worden van een waarde van 65 dB(A). Een overschrijding van deze waarde impliceert dat er sprake zal kunnen zijn van geluidhinder. Met name het aantal keer dat de piekgeluiden tijdens het gebruik van de voetbalkooi boven de grenswaarde uitkomt en de periode waarover de hinder optreedt spelen een belangrijke rol bij de vraag of er sprake is van geluidhinder.

Ad 5) Uit de vergelijking van de meetresultaten volgt dat de Lamax waarden van stemgeluid zoals door de omgevingsdienst in 2017 gemeten 10 tot 15 dB lager liggen dan de waarden die door de StAB zijn gemeten. De waarden die de omgevingsdienst in 2015 heeft gemeten sluiten wel aan bij de door de StAB gemeten waarden. In beide gevallen bedroeg de hoogst gemeten waarde voor het Lamax 76 dB(A). Gelet op de grote verschillen met de metingen van de StAB en met de eerdere metingen van de omgevingsdienst in 2015, zou geconcludeerd kunnen worden dat de metingen van de omgevingsdienst in 2017 voor het stemgeluid niet representatief zijn geweest. De metingen van zowel verweerder als de metingen van de StAB laten zien dat de piekgeluiden van het voetballen lager zijn dan van het stemgeluid. De omgevingsdienst heeft voor de meetdagen in 2015 en 2017 een beperkt aantal overschrijdingen vastgesteld. De StAB heeft geen verklaring voor het aanzienlijk lager aantal overschrijdingen dat de omgevingsdienst heeft vastgesteld, anders dan dat de intensiteit van het gebruik van de voetbalkooi kan variëren en dat de metingen in 2017 niet representatief lijken te zijn geweest.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat het StAB-rapport begrijpelijk en consistent gemotiveerd is. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het door de StAB opgestelde verslag onjuistheden bevat dan wel dat de conclusies inhoudelijk niet concludent zijn. Het door de StAB verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig. De rechtbank volgt daarom de beoordeling van de StAB. De reactie van eiseres van 15 september 2018 op het StAB-rapport leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van de grenswaarden uit de Handreiking moet worden bepaald of er sprake is van geluidhinder zoals bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de APV. Volgens de Handreiking zijn de grenswaarden voor de maximale geluidniveaus 70 dB(A) in de dagperiode (07.00 tot 19.00 uur), 65 dB(A) in de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur) en 60 dB(A) in de nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur). De rechtbank stelt op basis van het StAB-rapport vast dat de hoogst gemeten waarde bij het gebruik van de voetbalkooi in de avond vanwege het stemgeluid (76,3 dB(A)) de grenswaarde uit de Handreiking voor de avondperiode (65 dB(A)) met ruim 10 dB overschrijdt. Ook stelt de rechtbank vast dat het aantal piekgeluiden als gevolg van het gebruik van de voetbalkooi kan variëren van dertien in ruim een uur tot twintig in een half uur. Gelet op deze mate van overschrijding van de grenswaarde en de frequentie daarvan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de voetbalkooi geen ontoelaatbare geluidhinder veroorzaakt zoals bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de APV. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

9.5.

Het betoog van eiseres slaagt. Het bestreden besluit is onrechtmatig en zal moeten worden vernietigd. Ook het primaire besluit van 30 juni 2015 kan niet in stand blijven.

Schade

10. Eiseres heeft bij brief van 22 november 2016 in de eerdere beroepsprocedure aangevoerd dat zij schade lijdt. Als kostenposten heeft zij genoemd: verhuiskosten, ontwijkkosten, beveiligingskosten, medische kosten, gerechtskosten, verlies aan arbeid en dat haar zoon speciaal onderwijs volgt. Een voorlopige inventarisatie van deze kosten komt ruim boven de € 20.000,-, aldus eiseres. Verder voert eiseres in de brief van 25 maart 2018 aan dat zij om medische redenen genoodzaakt was om haar voormalige woning aan de [adres 1] in Zwijndrecht te verlaten. Het verzoek aan de rechtbank is om de gemeente te veroordelen tot het betalen van een voorschot van € 5.000,- op de totale door eiseres te vorderen schade, immateriële schade daaronder begrepen. Bij brief van

24 november 2018 heeft eiseres een overzicht gegeven van de geleden en nog te lijden schade. De schade voor verhuiskosten bedraagt volgens eiseres in totaal € 14.210,-, voor ontwijkkosten in totaal € 25.080,-, voor medische kosten in totaal € 1.085,-, voor gerechtskosten in totaal € 2.144,77 en voor verlies aan arbeid in totaal € 13.204,80. De beveiligingskosten zullen in een strafprocedure aan de orde komen en de kosten voor het feit dat haar zoon naar het speciaal onderwijs moet zijn niet in geld uit te drukken, aldus eiseres.

10.1.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond moet worden opgevat als een verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 8:88 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:91 van de Awb. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb vormvrij is. Omdat de besluiten (zowel het primaire besluit als het bestreden besluit) waarbij is geweigerd handhavend op te treden onrechtmatig zijn, zal de rechtbank beoordelen of eiseres vanwege die weigering schade heeft geleden die moet worden vergoed.

10.2.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bevoegd is om over een verzoek om schadevergoeding te oordelen als de gevraagde vergoeding niet meer dan € 25.000,- (inclusief rente) bedraagt. De door eiseres gevorderde schadevergoeding overstijgt dit bedrag. Ter zitting heeft eiseres haar verzoek om schadevergoeding beperkt tot de verhuiskosten van € 14.210,-, de medische kosten van

€ 1.085,- en de gerechtskosten van € 2.144,77. Het totale bedrag van de gevorderde schadevergoeding bedraagt daardoor € 17.439,77. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om over het gewijzigde verzoek om schadevergoeding te oordelen.

10.3.

De rechtbank stelt voorop dat eiseres moet bewijzen dat zij schade heeft geleden en wat de omvang daarvan is (vergelijk punt 7.1. van de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017, te vinden via www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2017:1367). Het is dus aan eiseres om de gestelde kosten op een objectieve en voor de rechtbank te controleren wijze aannemelijk te maken.

De rechtbank zal eerst de door eiseres gevorderde verhuiskosten beoordelen. In het door eiseres opgestelde kostenoverzicht is hierover opgenomen dat de extra kosten van een huis in de vrije sector € 335,- bedragen. Omdat het in totaal om 26 maanden gaat, komt dat neer op een schadebedrag van € 8.710,-. Verder voert eiseres aan dat het schadebedrag voor dubbele huur en herinrichtingskosten in totaal € 5.500,- bedraagt. De rechtbank stelt vast dat eiseres deze verhuiskosten heeft gebaseerd op de volgende stukken: een brief van Rhiant van 6 juli 2016 over het niet toewijzen van een woning aan [adres 3] , een verhuurdersverklaring voor de [adres 1] in Zwijndrecht, een overzicht van een afboeking op 7 maart 2017 van € 870,23 met omschrijving “huur september 2016 – [eiseres] [adres 2] ” voor WBV Heerjansdam, een afboeking op 5 augustus 2016 van € 535,65 met omschrijving “periode: 01-08-2016 t/m 31-08-2016 [adres 1] Te betalen voor: 2016-08-05” voor Woonkracht10, en een bericht op www.aedes.nl dat de minimale verhuiskostenvergoeding met ingang van 16 februari 2018 is verhoogd naar € 5.993,-. Volgens dit bericht ontvangen huurders deze vergoeding als ze moeten verhuizen vanwege sloop of ingrijpende renovatie.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar gestelde verhuiskosten hiermee niet heeft onderbouwd.

Het opgevoerde bedrag van € 8.710,- is gebaseerd op het verschil tussen het huurbedrag van de oude woning en dat van de nieuwe woning. Eiseres heeft geen huurovereenkomst of ander stuk overgelegd waaruit op objectieve wijze kan worden afgeleid wat het huurbedrag van de nieuwe woning is. Het enkele afschrift van een afboeking op 7 maart 2017 is daartoe onvoldoende, nu de daarin vermelde omschrijving van eiseres zelf afkomstig is. Reeds hierom heeft eiseres het opgevoerde bedrag van € 8.710,- niet deugdelijk onderbouwd. Verder is van belang dat niet is komen vast te staan dat eiseres genoodzaakt was te verhuizen naar een woning in de vrije sector. Omdat dat niet is onderbouwd, kunnen de kosten daarvan niet als schade van de onrechtmatige besluitvorming worden aangemerkt.

Verder geldt dat de twee afboekingen over twee verschillende maanden, namelijk augustus en september 2016, gaan en daarom niet aantonen dat eiseres dubbele huur heeft betaald. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het bericht over een verhuiskostenvergoeding overweegt de rechtbank dat, zoals hiervoor onder 10.3. is overwogen, het aan eiseres is om de omvang van de geleden schade te onderbouwen. Dat een verhuizing in het algemeen kosten met zich brengt, ontslaat eiseres niet van die verplichting. Eiseres heeft echter geen stukken overgelegd ter onderbouwing van kosten die zij heeft gemaakt in verband met de verhuizing.

De medische kosten heeft eiseres gebaseerd op een verlies van eigen risico in 2013, 2014 en 2015 van respectievelijk € 350,-, € 360,- en € 375, wat neerkomt op een schadebedrag van

€ 1.085,-. Eiseres heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij haar eigen risico heeft moeten dragen en ook niet dat dat is geweest als gevolg van medische behandelingen waarvan de noodzaak voor het ondergaan daarvan in verband kan worden gebracht met de overlast van de voetbalkooi. Deze gestelde kosten zijn niet onderbouwd.

De gerechtskosten bestaan volgens eiseres uit de volgende kosten: een aanvraag medische urgentie van € 60,-, een afboeking op 2 juli 2015 van € 196,- ten gunste van

mr. R.J.G. Ensink met omschrijving “Bok/Gemeente Zwijndrecht declaratienummer 21570034”, kosten voor de Raad van State van € 167,-, kosten voor een verloren beroep van € 731,77 en een bedrag van € 990,- dat de gemeente aan eiseres verschuldigd zou zijn. Deze kosten komen niet op grond van artikel 8:88 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft geen document overgelegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk kosten voor de aanvraag om een medische urgentie heeft gemaakt. De eventuele vergoeding van de kosten in een bezwaar- en beroepsprocedure kan slechts op grond van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht plaatsvinden. Over de proceskosten van

€ 990,- is in beroep reeds geoordeeld door de rechtbank in de uitspraak van 12 januari 2017 en daarbij gaat het om proceskosten die op grond van de uitspraak moeten worden betaald aan de andere eiseres in die zaak. Verder is niet aangetoond dat de betaling aan mr. Ensink als gevolg van de onrechtmatige besluiten is gedaan, dan wel niet al is verdisconteerd in de genoemde proceskosten van € 990,-. Over de kosten van € 167,- voor de Raad van State heeft de Afdeling in de eerder genoemde uitspraak van 19 juli 2017 een beslissing genomen. De kosten van € 731,77 gaan over proceskosten van de gemeente Zwijndrecht in zaak ZW561003. De rechtbank kan verweerder niet in de kosten van eiseres in een civiele procedure tegen de gemeente veroordelen, omdat deze kosten geen gevolg zijn van het bestreden besluit (vergelijk punt 3.1. van de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3518).

10.4.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

Conclusie

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 30 juni 2015 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Eiseres is in september 2016 verhuisd zodat handhavend optreden haar niet meer kan baten. Onder deze omstandigheden hoeft verweerder niet opnieuw op het verzoek om handhaving te beslissen. De rechtbank zal daarom volstaan met de herroeping van het primaire besluit

Deze uitspraak betekent dat eiseres gelijk had met haar stelling dat de voetbalkooi overlast voor haar veroorzaakte. De besluiten om niet handhavend op te treden tegen die overlast heeft verweerder onzorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. Daarom kunnen die besluiten niet in stand blijven. De gestelde schade van het niet optreden door verweerder heeft eiseres niet kunnen bewijzen. Er hoeft dan ook geen schade te worden vergoed.

12. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege is ontstaan, is er geen griffierecht geheven.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 30 juni 2015 (het primaire besluit) en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en

mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van

mr. J.G. Bos, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 april 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.