Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3338

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
C/10/569596 / KG ZA 19-206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen ex-echtgenoten. Artikel 474bb Rv. De BV van de man heeft executoriaal beslag gelegd op vorderingsrechten die de vrouw op de man heeft. Misbruik van bevoegdheid. Beslag opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/569596 / KG ZA 19-206

Vonnis in kort geding van 19 april 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. T.A. Vermeulen te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SIC B.V.,

statutair gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te Nieuwerkerk aan den IJssel,

gedaagden,

advocaat mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagde] en Sic genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk ook geduid met Sic c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 april 2019, met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de producties 1 tot en met 14 van Sic c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 april 2019;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van Sic c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn met elkaar gehuwd geweest.

2.2.

[gedaagde] is (enig) bestuurder van Sic. Daarnaast houdt hij 90 procent van de aandelen in Sic.

2.3.

Op 30 januari 2015 en 3 maart 2016 heeft deze rechtbank beschikkingen gegeven in het kader van de echtscheiding van [eiseres] en [gedaagde] . In de beschikking van 30 januari 2015 staat onder meer:

De man betaalt aan hypotheekrente voor de echtelijke woning een bedrag van in totaal € 3.464,= per maand. (…) De andere helft die voor rekening van de vrouw komt wordt eveneens betaald door de man. Hij doet dit in het kader van zijn onderhoudsverplichting zijdens de vrouw (…).

2.4.

In de eindbeschikking van 3 maart 2016 oordeelde de rechtbank onder meer:

De man heeft de gehele opbrengst van de verkoop van de woning aan de [adres 1] , ook het aan de vrouw toekomende deel, overgemaakt aan Josephine Beleggingen B.V. De vrouw had vanaf dat moment een vordering op de man ter grootte van de helft van de netto verkoopopbrengst van de verkoop. Deze vordering van de vrouw op de man heeft zij nog steeds. Tussen partijen staat vast dat de netto verkoopopbrengst NLG 845.219,-- heeft bedragen, zodat haar vordering op de man uit dien hoofde een bedrag van NLG 422.609,50 (€ 191.711,74) beloopt.

2.13.

Afwikkeling eenvoudige gemeenschap

2.13.1.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning aan de [adres 2] . (…)

2.13.2.

De rechtbank zal de voormalige echtelijke woning toedelen aan de man. (…)

(…)

2.14.6.

Het voorgaande betekent dat de voormalige echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 1.900.000,= onder gehoudenheid om geheel voor zijn rekening te nemen de hiervoor genoemde drie hypothecaire geldleningen van in totaal € 1.703.321,=. De toedeling vindt plaats onder de voorwaarde dat de vrouw ter zake deze leningen zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. De man wordt hiermee overbedeeld voor een bedrag van € 196.679,= en dient aan de vrouw de helft van dit bedrag te vergoeden, zijnde € 98.339,50.

2.14.7.

De man stelt dat hij daarnaast een vordering op de vrouw heeft, aangezien hij privégeld heeft geïnvesteerd in de woning. Uiteindelijk begroot hij deze vordering op een bedrag van € 304.704,=. De onderbouwing van dit bedrag is te vinden in bijlage C bij voormelde brief van [adviesbureau] van 13 februari 2014. De vrouw heeft betwist dat de man een vordering op haar heeft.

2.14.9. (…),

zodat niet is komen vast te staan dat de man een vordering heeft op de vrouw. (…) Onderhavig verzoek van de man zal worden afgewezen.

2.5.

[gedaagde] is bij de onder 2.4 bedoelde beschikking van 3 maart 2016 veroordeeld om, binnen twee weken na betekening van de beschikking, aan [eiseres] een bedrag van € 191.711,74 te betalen, ter zake van de verkoop van de woning gelegen aan de [adres 1] . [gedaagde] heeft niet aan deze veroordeling voldaan.

2.6.

Tegen de hiervoor bedoelde beschikkingen is geen hoger beroep ingesteld.

2.7.

Op 22 februari 2017 heeft [gedaagde] een door hem en Sic ondertekende verklaring, gedateerd 18 februari 2017, aan [eiseres] laten betekenen. In deze verklaring staat onder meer:

De Rechtbank te Rotterdam heeft op 3 maart 2016 de man veroordeeld te betalen aan de vrouw:

a. een bedrag groot € 191.711,74 (dit bedrag hierna ook te noemen “Hoofdsom A”), omdat de netto-opbrengst van de aan de man en de vrouw (gezamenlijk aan te duiden met “Partijen”) toebehorende woning aan de [adres 1] in november 2000 is verkocht en de gehele netto-opbrengst groot € 383.423,48 (hierna ook “Overwaarde A”) alleen aan de man is uitbetaald, zodat de vrouw de Hoofdsom A niet rechtstreeks zelf heeft ontvangen. (…) De man heeft de Overwaarde A daarna in zijn geheel aan Josephine Beleggingen BV doorbetaald aldus de Rechtbank. Bij die doorbetaling heeft de man met Josephine Beleggingen vastgesteld dat hij voor ieder van Partijen het bedrag van € 191.711,74 in rekening-courant overmaakte aan Josephine Beleggingen. Josephine Beleggingen heeft dat aanvaard. Door de beslissing van de Rechtbank van 3 maart 2016 moet daarom de man aan de vrouw nog steeds de Hoofdsom A voldoen. (…) Als gevolg daarvan heeft de man van rechtswege een vordering gekregen op de vrouw wegens onverschuldigde dubbele betaling aan haar in rekening-courant met Josephine Beleggingen van het bedrag van € 191.711,74. (…) Enerzijds heeft de vrouw het bedrag van € 191.711,74 van de man te vorderen omdat de rechtbank dat heeft vastgesteld, en anderzijds heeft de man daardoor van rechtswege gelijktijdig het bedrag van € 191.711,74 van de vrouw te vorderen, omdat de man dat in handen van Josephine Beleggingen B.V. ten onrechte reeds aan haar in 2000 heeft betaald.

Daarom betekent bij deurwaardersexploit de man hierbij de verrekeningsverklaring aan de vrouw en verklaart hij daarbij dat de verrekeningsvorderingen beide reeds bestaan vanaf november 2000, de bedragen beide opeisbaar zijn en de verrekening terugwerkt tot november 2000. (…) Voor het geval deze verrekening desondanks onvoldoende zou worden geacht heeft de man in ieder geval nog een vordering groot van € 258.346,-- (maar in oorsprong berekend door [adviesbureau] op 13 februari 2014 op € 304.704,--). Ook deze vordering is opeisbaar en is

ontstaan in 2014 en kan zo nodig ook in de verrekening worden betrokken.

b. een bedrag groot € 98.339,50 (hierna ook te noemen “Hoofdsom B”) (…)

Teneinde de pijn voor de vrouw te verzachten kiest de man ervoor om uitsluitend de door hem aan de vrouw voorgeschoten hypotheekrente vanaf 1‑1-2014 tot 1-1-2017 te verrekenen met haar vordering groot € 98.339,50 op de man.

Het bedrag dat de man aan de vrouw heeft voorgeschoten aan hypotheekrente is € 108.900,-- over die periode. (…) De vrouw krijgt enerzijds van de man € 98.339,50 en anderzijds verrekent de man daarmee het gehele door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 108.900,-- dat hij aan de vrouw heeft voorgeschoten aan hypotheekrente in 2014, 2015 en 2016 zonder dat de man op het verschil van € 9.660,50 nog aanspraak maakt.

Ten uitvoering hiervan betekent de man aan de vrouw deze verrekeningsverklaring bij deurwaardersexploit zodat ook de verrekening van Hoofdsom B geheel is voltooid.

Hiermee staat vast dat zowel de Hoofdsom A als de Hoofdsom B beide onvoorwaardelijk en volledig door de man aan de vrouw zijn voldaan aangezien deze vorderingen verrekend zijn met schulden van de vrouw aan de man .

2.8.

De onder 2.4 bedoelde beschikking van 3 maart 2016 is op 21 december 2017 aan [gedaagde] betekend.

2.9.

In 2018 heeft [gedaagde] een kort geding aangespannen tegen [eiseres] , die toen nog de voormalige echtelijke woning bewoonde. Hij vorderde in die procedure – kort gezegd – [eiseres] te veroordelen om de woning te ontruimen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vordering bij vonnis van 18 april 2018 afgewezen.

2.10.

[eiseres] heeft in de onder 2.9 bedoelde procedure reconventionele vorderingen ingesteld. Zij vorderde primair haar te machtigen om de woning te gelde te maken, en subsidiair om [gedaagde] te veroordelen om opdracht te verlenen aan een notaris tot het opmaken van een akte van verdeling en levering van de woning, een en ander conform de voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van 3 maart 2016. Zij vorderde daarnaast [gedaagde] te veroordelen om € 191.711,74 en € 98.339,50 te storten op de (derdengelden)rekening van de notaris. De voorzieningenrechter heeft de subsidiaire vordering van [eiseres] toegewezen en bepaald dat als de overdracht niet uiterlijk 1 juli 2018 heeft plaatsgevonden, omdat [gedaagde] niet aan de daaraan verbonden voorwaarden heeft voldaan, de woning verkocht dient te worden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ten aanzien van de vordering tot storting van voornoemde bedragen op de (derdengelden)rekening van de notaris overwoog de voorzieningenrechter:

6.4. (…)

De overdracht van de woning aan de man dient op korte termijn geregeld te worden. Zoals de vrouw terecht stelt, zijn aan deze overdracht als voorwaarden verbonden dat de vrouw (uiterlijk ten tijde van de overdracht) wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en dat de man aan haar ter zake de overbedeling (uiterlijk ten tijde van de overdracht) een bedrag van € 98.339,50 voldoet. De man dient een en ander in gang te zetten. (…) De man stelt dat de overbedelingsvordering door verrekening teniet is gegaan. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij omdat de vrouw deze verrekeningsvordering betwist en onderhavige procedure zich niet leent voor een nader onderzoek naar deze vordering.

De vrouw stelt voorts als voorwaarde voor medewerking aan de overdracht dat de man bij de notaris een bedrag van € 191.711,74 vermeerderd met wettelijke rente dient te storten. Betaling van dit bedrag is in de beschikking van 3 maart 2016 echter niet als voorwaarde gesteld voor toedeling van de woning aan de man, zodat de voorzieningenrechter hieraan eveneens voorbij gaat.

2.11.

Op 25 juli 2018 heeft [gedaagde] de in overweging 2.14.7 van de beschikking van 3 maart 2016 (al) genoemde brief van registeraccountant [accountant] van 13 februari 2014 aan [eiseres] laten betekenen. De deurwaarder heeft [eiseres] daarbij aangezegd dat uit een onderzoek van [accountant] blijkt dat [eiseres] in ieder geval een schuld van € 304.704,- heeft aan [gedaagde] , dat [eiseres] , ondanks een eerdere verrekeningsverklaring, uit hoofde van de beschikking van de rechtbank van 3 maart 2016 betaling heeft gevorderd van € 191.711,74 en € 98.339,50, dat door middel van een deurwaardersexploot van 22 februari 2017 een verrekenings-verklaring is uitgebracht waardoor die vorderingen door verrekening tot hun gezamenlijke beloop teniet zijn gegaan, en aan de zijde van [eiseres] zelfs geheel, en dat uitsluitend voor het (theoretische) geval dat door die verrekeningsverklaring de vordering niet of niet volledig teniet is gegaan, [gedaagde] verklaart zijn vordering van € 304.704,- alsnog te verrekenen met de vorderingen van [eiseres] , als gevolg waarvan de over en weer bestaande vorderingen (en aan de zijde van [eiseres] zelfs geheel) teniet zijn gegaan tot hun gezamenlijke beloop.

2.12.

Op 9 augustus 2018 heeft een door [gedaagde] ingeschakelde kandidaat-notaris, in opdracht van [gedaagde] , een akte ‘constatering toedeling en vervulling van de opschortende voorwaarde’ ingeschreven in het Kadaster. Het eigendomsaandeel van [eiseres] in de voormalige echtelijke woning was daarmee overgedragen aan [gedaagde] , terwijl [eiseres] niet het bedrag van € 98.339,50 had ontvangen dat [gedaagde] op grond van de beschikking van 3 maart 2016 wegens overbedeling aan haar moest betalen.

2.13.

[eiseres] heeft daarop een kort geding tegen [gedaagde] en de betreffende kandidaat-notaris aangespannen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaard – vonnis van 25 september 2018 bepaald dat de kandidaat-notaris de inschrijving van de akte ongedaan moet maken.

2.14.

[gedaagde] heeft in de onder 2.13 bedoelde procedure reconventionele vorderingen ingesteld. [eiseres] is in reconventie veroordeeld om, binnen veertien dagen nadat de kandidaat-notaris aan haar heeft bericht dat [gedaagde] een bedrag van € 98.339,50 heeft gestort op de derdengeldenrekening van de notaris, haar medewerking te verlenen aan het opmaken van een akte tot overdracht van de woning aan de [adres 2] aan [gedaagde] , met bepaling dat, indien [eiseres] niet aan de veroordeling heeft voldaan, het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [eiseres] aan het opmaken van de akte. De voorzieningenrechter heeft verder bepaald dat [eiseres] ten tijde van het opmaken van de akte tot overdracht van de woning de woning moet hebben ontruimd.

2.15.

[gedaagde] heeft daarop een bedrag van € 98.339,50 gestort op de derdengeldenrekening van een notaris en die notaris opdracht gegeven tot het opmaken van een leveringsakte. [gedaagde] heeft de opdracht vervolgens ingetrokken. Het eigendomsaandeel van [eiseres] in de voormalige echtelijke woning is tot op heden niet aan [gedaagde] overgedragen.

2.16.

[gedaagde] is van het onder 2.9 bedoelde kort gedingvonnis van 18 april 2018 in hoger beroep gekomen. Hij vorderde vernietiging van het vonnis, toewijzing van zijn vorderingen en afwijzing van de reconventionele vorderingen. Bij arrest van 18 december 2018 zijn de vorderingen van [gedaagde] door het gerechtshof Den Haag afgewezen, op de grond dat [gedaagde] geen belang meer heeft bij zijn hoger beroep. Het hof overwoog daartoe dat het vonnis van 18 april 2018, door het hiervoor onder 2.13 bedoelde kort gedingvonnis van 25 september 2018, zijn betekenis heeft verloren.

2.17.

Op 12 december 2018 heeft de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in een door [eiseres] tegen Sic, en [gedaagde] , aangespannen bodemprocedure. Zij vorderde in die procedure onder meer veroordeling van Sic tot betaling aan haar van € 150.500,- aan nog uit te keren dividend. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en overwoog daartoe dat de vordering van [eiseres] op Sic is verrekend met een rekening-courant schuld van [eiseres] aan Sic.

2.18.

Sic en [gedaagde] hebben in de onder 2.17 bedoelde procedure reconventionele vorderingen ingesteld. Zij vorderden onder meer veroordeling van [eiseres] tot betaling aan Sic van in totaal € 111.213,60, vermeerderd met wettelijke rente en kosten, ter zake van de rekening-courant schuld van [eiseres] aan Sic. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 110.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2018. Het vonnis is ten aanzien van deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.19.

Het onder 2.17 bedoelde vonnis van 12 december 2018 is op 9 januari 2019 door de deurwaarder aan [eiseres] betekend. Aan haar is bevel gedaan om binnen twee dagen ten behoeve van Sic en [gedaagde] te betalen een bedrag van € 110.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2018, op dat moment bedragende € 12.407,67, en de kosten van het exploot. Haar is aangezegd dat bij niet of niet tijdige voldoening aan het bevel tot betaling zal worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis door alle middelen rechtens.

2.20.

[eiseres] heeft niet voldaan aan het onder 2.19 bedoelde bevel tot betaling.

2.21.

Op 16 januari 2019 heeft de deurwaarder, op verzoek van Sic, executoriaal beslag gelegd op de hiervoor onder 2.4 bedoelde vorderingen van [eiseres] op [gedaagde] ad € 191.711,74 en € 98.339,50, ter zekerheid tot verhaal van de hiervoor onder 2.18 bedoelde vordering van Sic op [eiseres] . Daarbij is aangegeven dat deze vorderingen bij het uitblijven van voldoening van de hoofdsom, rente en kosten in het openbaar en bij executie zullen worden verkocht aan de meestbiedende. Het proces-verbaal van 16 januari 2019 is op 22 januari 2019 aan [eiseres] betekend.

2.22.

De onder 2.21 bedoelde veiling staat gepland op 26 april 2019. In artikel 4 van de veilingvoorwaarden staat dat het nog bestaan van de vorderingen tot het nominaal beloop ervan is betwist. Daarbij is aangegeven dat er verrekeningsverklaringen zijn uitgebracht door de schuldenaar van de vorderingen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na vermindering van eis op de zitting, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het hiervoor onder 2.21 bedoelde beslag op te heffen;

  2. Sic c.s. te verbieden om het vonnis van 12 december 2018 (verder) ten uitvoer te (doen) leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  3. Sic c.s. te verbieden om de hiervoor onder 2.21 bedoelde beslaglegging te effectueren, dan wel anderszins daarvan gebruik te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  4. [gedaagde] te veroordelen om, binnen een week na betekening van dit vonnis, aan Sic te betalen de somma van € 112.534,61, althans € 112.371,34, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  5. Sic te veroordelen om te accepteren dat de hiervoor onder 4 bedoelde betaling in mindering strekt op de vordering van Sic op [eiseres] ,

een en ander met veroordeling van Sic c.s. in de proceskosten.

3.2.

Sic c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3.

Op de voor beoordeling van de vorderingen van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4.1.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht.

4.2.

De veiling waarop de vorderingsrechten van [eiseres] executoriaal zullen worden verkocht is gepland op 26 april 2019. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

Ten aanzien van de eerste vordering

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat Sic, op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 december 2018, beschikt over een executoriale titel voor het, ten laste van [eiseres] , innen van een bedrag van € 110.000 plus wettelijke rente. Dat Sic beschikt over een executoriale titel, is door [eiseres] erkend. Dat zij een bedrag van € 110.000,- aan Sic is verschuldigd, wordt door haar betwist. Zij heeft daarom hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 december 2018.

4.4.

Vooropgesteld wordt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak aangevoerd kunnen worden, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag in het vonnis. Dat daarvan sprake is, is niet door [eiseres] gesteld. Overwogen wordt verder dat de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, zijn vonnis in beginsel moet afstemmen op het oordeel van de bodemrechter (HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5870, NJ 2001, 407, r.o. 3.2).

4.5.

In deze zaak is, op de voet van artikel 474bb Rv, executoriaal beslag gelegd op vorderingsrechten. [eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat het beslag niet rechtsgeldig is gelegd, omdat Sic de mogelijkheid heeft om executoriaal derdenbeslag te leggen. Beslag op een vorderingsrecht kan daardoor niet aan de orde zijn, aldus [eiseres] . Subsidiair stelt zij dat Sic en [gedaagde] met het beslag op de twee vorderingen misbruik van bevoegdheid maken.

4.6.

Sic c.s. stelt zich op het standpunt dat het beslag rechtsgeldig is gelegd. De vorderingen die [eiseres] op [gedaagde] had, groot € 191.711,74 en € 98.339,50, zijn door verrekening teniet gegaan. Er is dus sprake van gepretendeerde vorderingen. Doordat gepretendeerde vorderingen deel uitmaken van het vermogen van een schuldenaar, kan Sic zich daarop verhalen, aldus Sic c.s.

4.7.

Artikel 474bb Rv bepaalt dat rechten waarvan de executie niet elders is geregeld kunnen worden geëxecuteerd, tenzij uit de wet of de aard van het recht anders volgt. [eiseres] wijst er terecht op dat de executie van het recht op betaling van een geldsom elders in de wet is geregeld. In het geval de geëxecuteerde recht heeft op betaling van een geldsom door een derde, en dus een vordering heeft op die derde, kan de executant onder die derde beslag leggen op grond van artikel 475 Rv. In dit geval betwist die derde, zijnde [gedaagde] , echter dat hij een schuld heeft jegens geëxecuteerde [eiseres] . [gedaagde] stelt dat de vorderingen van [eiseres] op hem door verrekening teniet zijn gegaan. Daardoor beschikt Sic, als executant, weliswaar over een verhaalsobject, maar krijgt zij haar geld niet. De regeling met betrekking tot het derdenbeslag biedt dus geen mogelijkheid om tot daadwerkelijke en spoedige inning te kunnen komen. In dat geval kan Sic als executant, op de voet van artikel 474bb Rv, beslag leggen op het vorderingsrecht dat geëxecuteerde [eiseres] op [gedaagde] pretendeert te hebben en deze vordering verkopen (HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6879). Sic c.s. wordt dus gevolgd in het standpunt dat zij zich kan verhalen op de opbrengst van de executoriale verkoop van de pretense vorderingsrechten.

4.8.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of Sic misbruik maakt van de bevoegdheid om het vonnis van 12 december 2018 op deze wijze te executeren.

4.9.

Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, die bevoegdheid niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. Van misbruik van executiebevoegdheid is volgens vaste rechtspraak sprake als de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

4.10.

[eiseres] legt – samengevat – het volgende aan haar vordering ten grondslag.

De executoriale verkoop van haar vorderingsrechten heeft slechts één doel: [gedaagde] probeert op een oneigenlijke wijze, daarbij gebruikmakend van Sic, onder de op grond van de beschikking van 3 maart 2016 op hem rustende betalingsverplichtingen uit te komen. Het ligt voor de hand dat de doelstelling van Sic en [gedaagde] is om de vorderingsrechten zelf te kopen, of door een derde te laten kopen, voor een schlemielig bedrag, en daarmee de verrekeningsdiscussie uit de weg te gaan. Sic regardeert dit niet of nauwelijks. Sic houdt haar vorderingsrecht op [eiseres] en [gedaagde] is voor een habbekrats verlost van zijn schulden aan [eiseres] . Dit wordt onderstreept door de in de conceptveilingvoorwaarden genoemde inzetbedragen, die extreem laag zijn. Een en ander levert misbruik van (executie)bevoegdheid op. Indien [gedaagde] pretendeert één of meer vorderingen op [eiseres] te hebben zal hij, nu zij deze vorderingen betwist, de daartoe voorgeschreven weg moeten volgen, te weten de kwestie voorleggen aan de rechter.

4.11.

Sic c.s. bestrijdt dat zij misbruik van (executie)bevoegdheid maakt. Zij stelt zich op het standpunt dat de tussen partijen bestaande discussie over verrekening van de vorderingen die [eiseres] op [gedaagde] heeft met de vorderingen die [gedaagde] op [eiseres] stelt te hebben buiten het bestek van deze procedure valt. De voorzieningenrechter onderschrijft dat, in die zin dat de vraag of de vorderingen van [eiseres] op [gedaagde] geheel of gedeeltelijk teniet zijn gegaan doordat [gedaagde] verrekenbare vorderingen op haar heeft in een bodemprocedure zal moeten worden beantwoord. Dat neemt echter niet weg dat Sic, door executoriaal beslag te leggen op de pretense vorderingsrechten van [eiseres] om zich te kunnen verhalen op de verkoopopbrengst daarvan, naar het oordeel van de voorzieningenrechter misbruik van (executie)bevoegdheid maakt. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.12.

Op 30 januari 2015 en 3 maart 2016 heeft deze rechtbank beschikkingen gegeven in het kader van de echtscheiding van [eiseres] en [gedaagde] . In de beschikking van 30 januari 2015 staat dat [gedaagde] , naast zijn deel, het deel van de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning dat voor rekening van [eiseres] komt betaalt, in het kader van zijn onderhoudsverplichting aan [eiseres] . [gedaagde] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het wordt er daarom voor gehouden dat het voorgaande juist is. [gedaagde] heeft desalniettemin op 22 februari 2017 een verklaring aan [eiseres] laten betekenen waarin staat dat hij de door hem aan [eiseres] voorgeschoten hypotheekrente over de periode vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2017, groot € 108.900,-, verrekent met haar vordering op hem, groot € 98.339,50, ter zake van overbedeling. In diezelfde verklaring staat dat hij een bedrag van € 191.711,74 heeft te vorderen van [eiseres] omdat hij dat bedrag in handen van Josephine Beleggingen B.V. ten onrechte reeds in 2000 aan haar heeft betaald, en ook dat hij deze vordering verrekent met de vordering, groot € 191.711,74, die [eiseres] op hem heeft in verband met de verkoop van het pand aan de Essenweg in Rotterdam. Uit de beschikking van 3 maart 2016, waarbij hij is veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 191.711,74, blijkt niet dat [gedaagde] in die procedure heeft aangevoerd dat hij het bedrag van € 191.711,74, dat, naar de rechtbank oordeelde, aan [eiseres] toekomt in verband met de verkoop van het pand aan de Essenweg, in rekening-courant heeft overgemaakt aan Josephine Beleggingen B.V. Niet gesteld is dat hij dit wel heeft aangevoerd, maar dat de rechtbank verzuimd heeft hier op in te gaan. Wel heeft [gedaagde] , in het kader van de vaststelling door de rechtbank van de vordering die [eiseres] op hem heeft ter zake van overbedeling, in die procedure gesteld dat hij een vordering van € 304.704,- op [eiseres] heeft, doordat hij privégeld heeft geïnvesteerd in de voormalige echtelijke woning. Hij heeft ter onderbouwing daarvan een brief van registeraccountant [accountant] van 13 februari 2014 in het geding gebracht. De rechtbank heeft vervolgens ten aanzien van de gestelde vordering geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een vordering heeft op [eiseres] . Ook tegen deze beschikking heeft [gedaagde] geen hoger beroep ingesteld.

In weerwil van het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] zich, buitengerechtelijk, in de verklaring van 22 februari 2017 op het standpunt gesteld dat hij een vordering heeft op [eiseres] die oorspronkelijk was berekend op € 304.704,-, maar is bijgesteld naar € 258.346,-, en dat deze vordering zo nodig ook in de verrekening kan worden betrokken. Hoewel aan Sic c.s. kan worden toegegeven dat artikel 6:132 BW bepaalt dat een wederpartij onverwijld dient te reageren op een verrekeningsverklaring, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een beroep op die bepaling – in de gegeven situatie – misbruik van recht op kan leveren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] geen antwoord heeft willen geven op de vraag waarom hij meent dat het hem, gelet op de gewezen beschikkingen waartegen geen appel is ingesteld, (nog) vrijstond om buitengerechtelijk van het bestaan van die vordering uit te gaan.

In het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 18 april 2018 vorderde [eiseres] (in reconventie) onder meer veroordeling van [gedaagde] om, ter zake van de overbedeling, € 98.339,50 te storten op de (derdengelden)rekening van de notaris. [gedaagde] stelde in die procedure (ook) dat de overbedelingsvordering van [eiseres] op hem door verrekening teniet is gegaan. De voorzieningenrechter ging daaraan voorbij, omdat [eiseres] die verrekeningsvordering had betwist en die procedure zich niet leende voor een nader onderzoek naar de gestelde vordering. Desalniettemin heeft [gedaagde] op 25 juli 2018 de brief van registeraccountant [accountant] van 13 februari 2014 aan [eiseres] laten betekenen. De deurwaarder heeft [eiseres] daarbij aangezegd dat uit een onderzoek van [accountant] blijkt dat [eiseres] in ieder geval een schuld van € 304.704,- heeft aan [gedaagde] , dat [eiseres] betaling heeft gevorderd van € 191.711,74 en € 98.339,50, maar dat door middel van een deurwaardersexploot van 22 februari 2017 een verrekeningsverklaring is uitgebracht waardoor die vorderingen door verrekening tot hun gezamenlijke beloop teniet zijn gegaan, en dat uitsluitend voor het (theoretische) geval dat door die verrekeningsverklaring de vordering niet of niet volledig teniet is gegaan, [gedaagde] verklaart zijn vordering van € 304.704,- alsnog te verrekenen met de vorderingen van [eiseres] , als gevolg waarvan de over en weer bestaande vorderingen (en aan de zijde van [eiseres] zelfs geheel) teniet zijn gegaan tot hun gezamenlijke beloop.

[gedaagde] heeft tot op heden geen gerechtelijke procedure aangespannen tegen [eiseres] om zijn (pretense) vorderingen op [eiseres] te laten vaststellen, voor zover dat nog mogelijk zou zijn.

4.13.

In het licht van de onder 4.12 geschetste omstandigheden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat Sic, door het leggen van executoriaal beslag op de pretense vorderingsrechten van [eiseres] om deze te kunnen verkopen en zich aldus te kunnen verhalen op de opbrengst daarvan, misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Daarbij wordt de kennis van [gedaagde] , als 90% aandeelhouder van Sic, aan Sic toegerekend. Aan het belang van [eiseres] dat door executieverkoop van haar vorderingsrechten wordt geschaad, wordt een zwaarder gewicht toegekend dan aan het belang van Sic bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om de vorderingsrechten van [eiseres] te kunnen verkopen. Dit betekent dat het op die vorderingsrechten gelegde executoriale beslag wordt opgeheven.

Ten aanzien van de tweede vordering

4.14.

Het voorgaande betekent niet, dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 december 2018 moet worden geschorst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uitsluitend het leggen van executoriaal beslag op de pretense vorderingsrechten van [eiseres] misbruik van bevoegdheid oplevert. Dat betekent dat de tweede vordering wordt afgewezen.

Ten aanzien van de derde vordering

4.15.

De derde vordering, die strekt tot een verbod om het op de vorderingsrechten gelegde beslag te effectueren, wordt ook afgewezen. Omdat het beslag wordt opgeheven, heeft [eiseres] geen belang bij die vordering.

Ten aanzien van de vierde en de vijfde vordering

4.16.

De vierde en de vijfde vordering, die strekken tot – kort gezegd – betaling van de vordering van Sic op [eiseres] door [gedaagde] , en de in verband daarmee gevorderde dwangsomveroordeling – waarvan de toewijsbaarheid ter beoordeling aan de rechter voorligt en die, anders dan Sic c.s. meent, toewijsbaar is in het geval veroordeling tot betaling van een geldsom aan een derde (dus een ander dan degene die veroordeling van zijn wederpartij tot die betaling vordert) wordt gevorderd (BenGH 9 juli 1981, ECLI:NL:XX:1981:AD6457, NJ 1982, 190) – worden eveneens afgewezen. Gelet op wat partijen hebben aangevoerd, kan niet worden uitgesloten dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat, zoals [gedaagde] stelt en [eiseres] betwist, de vorderingen die [eiseres] op [gedaagde] heeft door verrekening teniet zijn gegaan, dan wel dat [gedaagde] (een) verrekenbare vordering(en) op [eiseres] heeft. Op de uitkomst van een dergelijke procedure – voor zover die nog gevoerd kan worden – kan niet vooruit worden gelopen.

Ten aanzien van de proceskosten

4.17.

[eiseres] en Sic zijn over en weer deels in het ongelijk gesteld. In die relatie worden de proceskosten daarom gecompenseerd. In de verhouding [eiseres] - [gedaagde] is [eiseres] te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Dat leidt echter niet tot een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter compenseert in die relatie de proceskosten van partijen als gewezen echtgenoten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het door Sic op 16 januari 2019 ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslag op de vorderingsrechten van [eiseres] op [gedaagde] , groot € 191.711,74 en

€ 98.339,50, welke vorderingen zijn belichaamd in (dictum 3.6. en 3.7. van) de beschikking van 3 maart 2016,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten aldus dat zowel in de verhouding tussen [eiseres] en Sic als in de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] iedere partij de eigen proceskosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2019.2885/2009