Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3308

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
10/260411-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal in vereniging gepleegd, vrijspraak voor het ten laste gelegde geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/260411-18

Datum uitspraak: 15 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsvrouw mr. L.A. Sjadijeva, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging/officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, ook wat betreft het medeplegen van het geweld. De verdachte is zowel vooraf als tijdens en na afloop betrokken geweest bij de diefstal met geweld. Hij heeft het contact gelegd met de aangever en de afspraak gemaakt om de camera met toebehoren te kopen. Na de diefstal heeft hij gezorgd voor de verkoop van de gestolen spullen. De verdachte heeft weliswaar niet zelf het geweld gepleegd, maar door zijn medepleger op de aangever af te sturen om de diefstal te plegen, heeft hij geweld dat de medepleger gebruikte om de diefstal te voltooien, op de koop toe genomen. Hiermee is de verdachte voor het primair ten laste gelegde in zijn geheel verantwoordelijk te houden.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en meer in bijzonder wat betreft het ten laste gelegde medeplegen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Ook blijkt niet dat hij het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad gericht op het plegen van diefstal met geweld. De verdachte heeft daaraan geen wezenlijke bijdrage geleverd, ook niet in de zin van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de verdachte als medepleger betrokken was bij de diefstal.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte de afspraak met de aangever heeft gemaakt voor de verkoop van de goederen. Het daarvoor gebruikte telefoonnummer is onderzocht en is gekoppeld aan de verdachte. De aangever heeft vervolgens de verdachte op een foto herkend als de persoon die hem heeft benaderd en meermalen heeft gebeld. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze verklaring.
Ook leidt de rechtbank uit het dossier af dat de verdachte de persoon is geweest die na de diefstal de camera met toebehoren heeft verkocht voor 30 euro. De rechtbank wijst in dit verband op het gesprek op Facebook Messenger tussen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] over de verkoop en de verdeling van de buit en de verklaring van getuige [naam getuige] , die verklaart dat hij de camera met toebehoren voor 30 euro heeft gekocht van een kleine Turkse jongen. Toen [naam getuige] een foto van de verdachte werd getoond, herkende hij de verdachte als de verkoper. Dat de verkoop geen camera, maar een mobiele telefoon betrof, is in strijd met de verklaring van [naam getuige] en ook overigens door de verdediging niet aannemelijk gemaakt.

Deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien maken dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken was bij de ten laste gelegde diefstal in vereniging.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte enige rol heeft gespeeld bij het ten laste gelegde geweld. Hoewel het dossier wel wat aanwijzingen biedt in die richting, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de medeverdachte zoveel geweld zou gebruiken om de diefstal te voltooien. De verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is het primair ten laste gelegde, met uitzondering van het ten laste gelegde geweld.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 16 september 2018 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fotocamera (merk Fuji) en fotolenzen, toebehorend aan [naam slachtoffer] ,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een camera met toebehoren. Door zijn handelen hebben de verdachte en zijn mededader inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de aangever. De verdachte en zijn mededader hebben slechts uit financieel gewin gehandeld en geen enkele rekening gehouden met de gevolgen daarvan voor de aangever. Daarbij komt nog dat de diefstal heeft plaatsgevonden in de woning van de aangever; bij uitstek een plek waar de aangever zich veilig moet kunnen voelen. Dit soort misdrijven draagt ook bij tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Het Leger des Heils Reclassering & Jeugdbescherming (hierna: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 maart 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering heeft geadviseerd om aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de reclassering in overweging gegeven om bij een veroordeling – voor zover haalbaar – een contactverbod met de mededader en de aangever als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. De reclassering heeft geen aanwijzingen dat een pedagogische aanpak of nadere begeleiding vanuit de reclassering is geïndiceerd. De verdachte vertoont leeftijdsadequaat gedrag en is ontvankelijk voor de praktische steun van zijn directe familie. Hij wordt door zijn familie in staat geacht zelfstandig te functioneren. Er lijkt daarnaast geen sprake te zijn van problematiek op één van de leefgebieden.

Betrokkene spreekt tegen dat hij antecedenten heeft m.b.t. verdovende middelen (zoals in het proces-verbaal wordt aangestipt) en dat hij aan de aangever drugs heeft verkocht (zoals de aangever beweert).

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht een (gevangenis)straf op te leggen, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.

Dit zou naar het oordeel van de rechtbank geen recht doen aan de ernst van het feit.

Ook omdat de reclassering begeleiding niet nodig vindt, zal de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel achterwege laten. Een contactverbod en / of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals door de reclassering geadviseerd, voert te ver.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.550,-- aan materiële schade en een vergoeding van € 500,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor wat betreft de immaterieel gevorderde schade. Ten aanzien van de materieel gevorderde schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,--.

De benadeelde partij zal ten aanzien van de materieel gevorderde schade niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontbreken dan wel ontoereikend zijn.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 september 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250,--, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 250,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank 15 maart 2019.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 16 september 2018 te Schiedam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een fotocamera (merk Fuji) en/of een of meer fotolens/fotolenzen,

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehoorde aan [naam slachtoffer] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken, en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het met een hard voorwerp slaan op het hoofd van die

[naam slachtoffer] tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] ten val kwam en/of tijdelijk het

bewustzijn heeft verloren,

welk geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad te weten

een breuk van de rechter oogkas en/of een breuk van het rechter

jukbeen en/of meerdere breuken rond de bovenkaakholte en/of een

bloeding tussen het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een tot op heden onbekend gebleven verdachte

op of omstreeks 16 september 2018 te Schiedam,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een fotocamera (merk Fuji) en/of een of meer fotolens/fotolenzen,

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehoorde aan [naam slachtoffer] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken, en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het met een hard voorwerp slaan op het hoofd van die

[naam slachtoffer] tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] ten val kwam en/of tijdelijk het

bewustzijn heeft verloren,

welk geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad te weten

een breuk van de rechter oogkas en/of een breuk van het rechter

jukbeen en/of meerdere breuken rond de bovenkaakholte en/of een

bloeding tussen het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte,

op of omstreeks 16 september 2018 te Schiedam

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

- zijn mobiele telefoon ter beschikking te stellen aan bovengenoemde

onbekende verdachte en/of

- een afspraak te maken met die [naam slachtoffer] en/of

- een of meermalen te bellen naar die [naam slachtoffer] met de mededeling dat er

een koper/geïnteresseerde voor/in de fotocamera en/of de

fotolens/lenzen voor zijn deur stond;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 16 september 2018 tot en met

14 november 2018 te Schiedam, althans in Nederland

een goed te weten een fotocamera (merk Fuji) en/of een of meer

fotolens/lenzen heeft verworven, voorhanden gehad, en/of

overgedragen aan [naam medeverdachte 2] ,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit

goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )