Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3306

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
10/246111-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

woninginbraak in vereniging gepleegd; toen de bewoners onverwacht thuis kwamen is door verdachte(n) geweld tegen de hoofdbewoner gebruikt om weg te komen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/246111-18

Datum uitspraak: 29 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

in het dossier genoemd,

[naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte ] (Cuba) op [geboortedatum verdachte ] ,

doch volgens zijn paspoort genaamd,

[naam] , geboren te [geboorteplaats] (Ecuador) op [geboortedatum] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

raadsvrouw mr. K. Hoesenie, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Bewijswaardering

4.1.1

Standpunt verdediging/officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, inclusief de ten laste gelegde geweldshandeling en het gebruik van het woord ‘pistola’ in bedreigende zin. Aangever [naam aangever 1] heeft gezien dat zijn vader ( [naam aangever 2] ) werd geduwd. Aangever [naam aangever 2] is daardoor ten val gekomen, wat het toegebrachte geweld oplevert. Ook het gebruik van het woord ‘pistola’ is door beide aangevers gehoord en door beiden als bedreigend ervaren.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde geweldshandeling en van het gebruik van het woord ‘pistola’ in bedreigende zin. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte fysiek contact heeft gehad met de bewoners of bedreigende woorden heeft geuit richting hen.

4.1.2

Beoordeling

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde geweldshandeling wettig en overtuigend bewezen is. Zowel aangever [naam aangever 1] (zoon) alsook aangever [naam aangever 2] (vader) hebben daarover verklaard. De zoon heeft gezien dat zijn vader van de trap werd geduwd door de eerste persoon die van de trap kwam, De vader heeft zelf verklaard over duw- en trekwerk tussen hem en de eerste persoon die van de trap kwam. Dit was de medeverdachte [naam medeverdachte] . Door de duw is de vader van de trap gevallen. Dat de verdachte zelf geen fysiek geweld heeft gebruikt, doet er niet aan af dat hij medeverantwoordelijk is voor het geweld. Hij was immers samen met de medeverdachten in de woning aanwezig om de inbraak te plegen. De verdachte heeft de mogelijkheid op de koop toe genomen dat er, toen de verdachten door de bewoners werden betrapt, geweld moest worden gebruikt om te kunnen vluchten. Daarom is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ook wat het geweld betreft als medepleger is aan te merken.

Dat ligt anders ten aanzien van het gebruik van het woord ‘pistola’ in bedreigende zin. De rechtbank kan op basis van het onderliggende dossier niet uitsluiten dat het woord ‘pistola’ is geroepen als waarschuwing naar de andere verdachten en niet als bedreiging richting de aangevers. Nu niet kan worden vastgesteld dat het woord ‘pistola’ als bedreiging is gebruikt, dient de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

4.1.3

Conclusie

Bewezen is het ten laste gelegde.

4.2

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 2 december 2018 te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [adres delict] heeft weggenomen meerdere mobiele telefoons en een herenhorloge (merk: Fossil) en een zonnebril (merk: Versace) en een (gouden) kettinkje en een (digitale) camera (merk: Canon), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn

mededader, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak ,

welk geweld hierin bestond dat zijn mededader

- die [naam slachtoffer 2] (met kracht) tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor

die [naam slachtoffer 2] ten val is gekomen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met zijn mededaders een woninginbraak gepleegd. Toen de bewoners thuis kwamen, wilden de verdachten zo snel mogelijk de woning verlaten. Hierbij heeft de medeverdachte geweld gebruikt tegen de hoofdbewoner, door hem een duw te geven. De verdachten zijn vervolgens met de gestolen goederen uit de woning gevlucht. Eén van hen kon echter nog door de bewoners worden tegengehouden.

Dat alle verdachten uiteindelijk zijn aangehouden is vooral te danken aan de actieve houding van de bewoners zelf en hun handelen na afloop van de inbraak. Door de informatie die zij aan de politie verstrekten over het voertuig van de verdachten en over de locatie van de gestolen telefoon konden – naast de in de woning aangehouden medeverdachte – ook de verdachte en de andere medeverdachte snel worden aangehouden.

De verdachten hebben de bewoners grote angst aangejaagd, wat ook blijkt uit de mondelinge toelichting die de hoofdbewoner ter terechtzitting heeft gegeven op zijn vordering tot schadevergoeding. Daaruit blijkt ook dat hij nog altijd lichamelijke klachten ervaart van het op hem uitgeoefende geweld.

Dit soort delicten veroorzaken onnodige schade en brengen gevoelens van angst, onbehagen en onveiligheid teweeg bij de slachtoffers. Door woninginbraken wordt bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van bewoners. Ook leiden dergelijke misdrijven in de samenleving tot onrust en gevoelens van onveiligheid. De verdachte heeft daarvoor op geen enkele manier oog gehad.

7.3

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht een (gevangenis)straf op te leggen die gelijk is aan duur van het voorarrest. Een dergelijke straf doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit. Alle drie de verdachten zijn afkomstig uit het buitenland en hebben geen aantoonbare band met Nederland. Gezien de inhoud van het dossier en het handelen van de verdachten, waarbij zij in samenwerkingsverband en - naar alle waarschijnlijk op internationale rooftocht - doelgericht te werk zijn gegaan, heeft de rechtbank de sterke indruk dat zij met geen ander doel naar Nederland zijn gekomen dan om hier diefstallen dan wel woninginbraken te plegen. Dit maakt dat een flinke gevangenisstraf op zijn plaats is. Deze gevangenisstraf zal wel korter zijn dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de bedreiging.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag terug te geven aan de verdachte.

8.2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen omtrent het in beslag genomen geldbedrag.

8.3

Beoordeling

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

9.1

De benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.009,17 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.900,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor wat betreft de immaterieel gevorderde schade, nu deze onvoldoende is onderbouwd. Voor wat betreft de materieel gevorderde schade heeft de verdediging verzocht enkel de kostenpost ‘schuifpui en ruit’ toe te wijzen. Ten aanzien van de kostenposten ‘reiskosten’ en ‘taxikosten’ heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De benadeelde partij dient voor het overige deel niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu dit deel onvoldoende is onderbouwd en niet blijkt dat sprake is van een rechtstreeks verband. Daarbij levert het deel van de vordering dat ziet op het verlies van arbeidsvermogen een onevenredige belasting van het strafgeding op indien deze in de strafprocedure zou worden behandeld.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering ten aanzien van de kostenposten ‘schuifpui en ruit’, ‘reiskosten’ en ‘taxikosten’ worden toegewezen.

Ten aanzien van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kostenpost ‘alarmsysteem’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rechtstreeks verband gebleken, zodat de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kostenpost ‘verlies arbeidsvermogen’ levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voort is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 december 2018.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.288,22, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.2

De benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.800,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 december 2018.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 500,--, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van:

€ 140 EURO (omschrijving: [naam omschrijving] )

€ 0,85 EURO (omschrijving: [naam omschrijving] )

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, in die zin dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 1.288,22 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro en tweeëntwintig eurocent), bestaande uit € 288,22 aan materiële schade en € 1.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.288,22 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.288,22 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 (tweeëntwintig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, in die zin dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 500,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 maart 2019.
De oudste en jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 02 december 2018 te Heerjansdam, gemeente

Zwijndrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning,

gelegen aan de [adres delict] heeft weggenomen een of meerdere

mobiele telefoon(s) en/of een (heren)horloge (merk: Fossil) en/of een

zonnebril (merk: Versace) en/of een (gouden) kettinkje en/of een

(digitale) camera (merk: Canon), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] , gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

(een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van

braak en/of inklimming, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- de (ruit van de) schuifpui van die woning heeft/hebben vernield en/of

(vervolgens) zich (wederrechtelijk) de toegang tot die woning

heeft/hebben

verschaft en/of

- die [naam slachtoffer 2] (met kracht) tegen het lichaam heeft/hebben

geduwd, waardoor

die [naam slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of

- in het voorbijgaan ‘pistola’ heeft/hebben geroepen, althans een woord

van

gelijke (dreigende) aard of strekking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht,

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )