Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3298

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
7595199 VZ 19-3824
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst op de h-grond van gedetacheerde werkneemster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0479
JAR 2019/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7595199 VZ 19-3824

uitspraak: 25 april 2019

beschikking ex artikel 7:671b lid 1 Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds,

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats verweerster] (gemeente [naam gemeente] ),

verweerster,

gemachtigde: mr. M.L. Egeter.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ABN AMRO’ en ‘ [verweerster] ’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met producties, ontvangen op 11 maart 2019;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig tegenverzoek, met producties;

  • -

    de brief van ABN AMRO van 29 maart 2019 met aanvullende producties.

1.2

Op 1 april 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Ter zitting heeft mr. Keulaerds pleitaantekeningen overgelegd. Voor het overige heeft de griffier aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt kort en zakelijk weergegeven uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

[verweerster] is op 18 november 1986 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van ABN AMRO, te weten Amrobank. In 2010 is [verweerster] toegetreden tot de zogeheten Management Group in de functie van [naam functie 1] . ABN AMRO kent een bedrijfs-cao, waar leden van de Management Group niet onder vallen.

2.2

In juni 2014 is de functie die [verweerster] toen bekleedde, als gevolg van een reorganisatie komen te vervallen. Per 1 juli 2014 heeft [verweerster] de door ABN AMRO aangeboden functie als [naam functie 2] bij de toen nieuwe afdeling Commercial Cliënts van ABN AMRO geaccepteerd. Deze functie viel wel onder de genoemde bedrijfs-cao en was ingeschaald in de hoogste salarisschaal, schaal 15.

2.3

Vervolgens is [verweerster] per 1 december 2014 aangesteld als [naam functie 3] bij een dochtervennootschap van ABN AMRO, ABN AMRO Lease N.V. (hierna: AAL). Omdat het salaris van [verweerster] niet binnen het salarishuis van AAL viel, is [verweerster] vanuit ABN AMRO gedetacheerd bij AAL. In de detacheringsovereenkomst staat, voor zover van belang, vermeld:

“(…)

1.1

De bank stelt de medewerker onder handhaving van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst vanaf 1 december 2014 te werk als [naam functie 3] bij ABN AMRO Lease.

1.2

De tewerkstelling en de detacheringsovereenkomst worden aangegaan voor onbepaalde tijd. De tewerkstelling en de detacheringsovereenkomst eindigen voorts van rechtswege op het moment dat voormelde arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, zonder dat daarvoor opzegging nodig is.

1.3

Zowel ABN AMRO Lease als ABN AMRO Bank hebben het recht de tewerkstelling en de detacheringsovereenkomst tussentijds op te zeggen, evenwel met inachtneming van een opzeggingstermijn van twee volle kalendermaanden.

1.4

Onverminderd het hiervoor sub 1.3 bepaalde zullen de tewerkstelling en de detacheringsovereenkomst tussentijds zonder opzegtermijn eindigen in de volgende gevallen:
- bij overlijden van de medewerker;
- in geval van disfunctioneren van de medewerker.

(…)

3.1

De bank zal de arbeidsvoorwaarden van de medewerker voortzetten op de wijze zoals is of zal worden overeengekomen.

(…).”

2.4

In mei 2017 werd bekend gemaakt dat AAL zou gaan fuseren met ABN AMRO Commercial Finance (hierna: ACF) en dat beide vennootschappen zouden opgaan in een nieuw op te richten vennootschap: ABN AMRO Asset Based Finance (hierna: ABF). Aan [verweerster] is vervolgens op 7 juli 2017 medegedeeld dat zij, vanwege het feit dat zij vanuit ABN AMRO gedetacheerd was, niet zou worden meegenomen in deze reorganisatie en dat de detachering zou worden beëindigd.

2.5

Op 29 juni 2019 heeft ABN AMRO aan [verweerster] een beëindigingsvoorstel gedaan waarbij aan haar de in haar arbeidsovereenkomst opgenomen contractuele beëindigingsvergoeding ad € 245.799,- (bruto) is aangeboden. [verweerster] heeft dit voorstel niet geaccepteerd.

2.6

Sinds 1 januari 2018 heeft [verweerster] geen werkzaamheden voor AAL of voor ABN AMRO meer verricht.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

ABN AMRO heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.

ABN AMRO heeft aan haar verzoek – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de arbeidsovereenkomst na het eindigen van de detachering bij AAL inhoudsloos is geworden. Ondanks herplaatsingsinspanningen van beide partijen, is het niet gelukt een nieuwe functie voor [verweerster] binnen ABN AMRO te vinden, zodat van ABN AMRO in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Deze situatie is niet onder te brengen onder één van de redelijke gronden van art. 7: 669 lid 3 sub a t/m g BW. Van het vervallen van de arbeidsplaats van [verweerster] is geen sprake, zij is niet boventallig geworden zodat de omstandigheden in dit geval afwijken van de in artikel 7: 669 lid 3 onder a BW genoemde omstandigheden. Haar detachering is geëindigd op verzoek van AAL waardoor zij terugvalt op haar dienstverband met ABN AMRO maar daar is voor haar geen nieuwe functie beschikbaar. Om die reden verzoekt ABN AMRO ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7: 669 lid 3 sub h BW.

4 Het verweer en (voorwaardelijk) tegenverzoek

4.1

[verweerster] heeft verzocht het verzoek van ABN AMRO af te wijzen, nu van een voldragen grond voor ontbinding geen sprake is. Daarnaast verzoekt [verweerster] voor recht te verklaren dat [verweerster] bij ABN AMRO boventallig is geworden. [verweerster] heeft hiertoe kort gezegd aangevoerd dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden behoren tot het domein van de a-grond, zodat van ontbinding op de h-grond geen sprake kan zijn.

4.2

Voor het geval het ontbindingsverzoek wordt toegewezen, verzoekt [verweerster] ABN AMRO te veroordelen in de contractuele beëindigingsvergoeding, en subsidiair tot het betalen van de transitievergoeding.

4.3

[verweerster] verzoekt tot slot ABN AMRO te veroordelen in de kosten van de procedure.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1

Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken.

5.2

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of sprake is van omstandigheden die anders zijn dan de omstandigheden genoemd in artikel 7:669 lid 3 onder a BW en die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.3

Het staat vast dat [verweerster] formeel een arbeidsovereenkomst heeft met ABN AMRO en dat zij sinds het eindigen van de detacheringswerkzaamheden bij AAL op 1 januari 2018, geen functie meer bekleedt. Ondanks diverse inspanningen, is het [verweerster] tot op heden niet gelukt om binnen het ABN AMRO concern een nieuwe functie te vinden. Zij heeft er geen vertrouwen meer in dat zij binnen het concern van ABN AMRO ooit nog in een passende functie zal worden geplaatst. In zoverre kan ABN AMRO gevolgd worden in haar standpunt dat sprake is van een – op dit moment – inhoudsloze arbeidsovereenkomst. De enkele vaststelling dat de arbeidsovereenkomst op dit moment een lege huls is, is echter niet voldoende om deze op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW te ontbinden. De omstandigheden die hebben geleid tot het inhoudsloos worden van de arbeidsovereenkomst moeten voldoende verschillen van de in artikel 7:669 lid 3 onder a (tot met g) BW genoemde omstandigheden.

5.4

ABN AMRO heeft een parallel getrokken tussen de onderhavige casus en de casus die speelde in de beschikking van de Hoge Raad van 18 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:64, hierna: de Shell-zaak). In de Shell-zaak ging het om een werknemer die in zijn hoedanigheid als expat per definitie steeds voor een aantal jaren in dienst trad bij vennootschappen binnen het Shell-concern. Nadat zijn dienstverband in Gabon was geëindigd, is hij in dienst getreden van Shell International Exploration and Production B.V. (hierna: SIEP). De overeenkomst met SIEP diende geen ander doel dan de betreffende werknemer op papier aan het werk te houden terwijl hij op zoek was naar een nieuwe functie binnen het Shell concern. Omdat dat niet lukte heeft SIEP de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer gevraagd. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de werknemer in deze zaak verworpen en daarmee de door de kantonrechter en het Hof uitgesproken oordeel dat sprake was van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder h BW, in stand gelaten.

5.5

De Shell-zaak betreft een situatie die niet te vergelijken is met de situatie van [verweerster] . [verweerster] werd, nadat zij bijna 30 jaar in verschillende functies voor ABN AMRO had gewerkt, gedetacheerd bij AAL. Hoewel de detachering bij AAL voor onbepaalde tijd was, heeft ABN AMRO benadrukt dat er sprake was van een ‘normale’ detachering. Dat is ook tot uitdrukking gekomen in de detacheringsovereenkomst waarin is opgenomen dat zowel AAL als ABN AMRO de detacheringsovereenkomst met een opzegtermijn van twee maanden konden beëindigen waarna [verweerster] weer terug zou keren naar ABN AMRO. Juist die omstandigheid maakt dat de positie van [verweerster] ten opzichte van ABN AMRO een heel andere is dan die van de werknemer ten opzichte van SIEP in de Shell-zaak.

5.6

Ook in de Shell-zaak is door de werknemer aangevoerd dat in feite sprake was van een a-grond. De Hoge Raad heeft op dit specifieke punt kort gezegd vastgesteld dat bij SIEP geen arbeidsplaatsen zijn vervallen waardoor de werknemer werd geraakt, zodat de in de a-grond genoemde omstandigheden zich in dat geval niet voordeden. In de onderhavige zaak is, anders dan ABN AMRO heeft betoogd, wel degelijk sprake van het verval van arbeidsplaatsen, zowel bij AAL als bij ABN AMRO zelf. Bij AAL heeft immers een reorganisatie plaatsgevonden waarin [verweerster] niet is meegenomen. Of dat wel of niet terecht is geweest, is een vraag die in deze procedure onbeantwoord kan blijven omdat partijen het erover eens zijn dat de detachering – als gevolg van de reorganisatie – inmiddels is geëindigd en [verweerster] is teruggevallen op haar arbeidsovereenkomst met ABN AMRO. AAL is bovendien in deze procedure geen partij.

5.7

Binnen ABN AMRO hebben in de drie jaar dat [verweerster] was gedetacheerd ook diverse reorganisaties plaatsgevonden. ABN AMRO heeft op dit punt zelf gesteld dat de laatste reorganisatie bij Commercial Banking, het onderdeel waar [verweerster] werkzaam was voordat zij bij AAL werd gedetacheerd, is aangekondigd in mei 2017. Nu deze reorganisatie vrijwel gelijktijdig is aangekondigd met de reorganisatie bij AAL, kan niet worden volgehouden dat bij ABN AMRO geen arbeidsplaatsen zijn vervallen waardoor [verweerster] wordt geraakt. Gedurende de periode van de reorganisatie bij ABN AMRO, in juli 2017, is bekend geworden dat de detachering van [verweerster] bij AAL zou eindigen. Dat [verweerster] op dat moment geen (formeel) bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat ze in de reorganisatie van het onderdeel van ABN AMRO waar zij laatstelijk werkzaam was, niet is meegenomen, doet daar niet aan af. ABN AMRO had als werkgever van [verweerster] onder deze omstandigheden rekening moeten én kunnen houden met de terugkeer van [verweerster] , ondanks het feit dat zij op dat moment geen functie bij ABN AMRO uitoefende. ABN AMRO kan zich in alle redelijkheid niet enerzijds op het standpunt stellen dat AAL terecht geen rekening heeft gehouden met [verweerster] omdat zij gedetacheerd was, en anderzijds op het standpunt dat ABN AMRO zelf geen rekening met [verweerster] hoefde te houden omdat zij bij AAL gedetacheerd was. Op die manier zou [verweerster] immers altijd tussen wal en schip vallen.

5.8

Nadat duidelijk was geworden dat de detachering van [verweerster] bij AAL zou eindigen, zijn binnen ABN AMRO en de aan haar gelieerde vennootschappen de mogelijkheden verkend om aan [verweerster] een passende functie aan te bieden. [verweerster] heeft gesprekken gevoerd met leidinggevenden van diverse afdelingen waaronder Private Banking, Commercial Banking, en Legal (klachtenmanagement). Anders dan [verweerster] meent, waren er naar het oordeel van ABN AMRO geen passende functies voor haar voorhanden. ABN AMRO stelt in dit verband dat ABN AMRO een krimpende organisatie is en dat als gevolg daarvan en van daarmee samenhangende organisatorische wijzigingen het aantal functies op het niveau van [verweerster] zeer beperkt is en bovendien sterk terug loopt. Ook dit is anders dan bij de Shell-zaak waarin de Hoge Raad overweegt: “(…) Vast staat in dit geding dat bij SIEP geen arbeidsplaatsen zijn vervallen waardoor de werknemer wordt geraakt (…)”.

5.9

De conclusie uit het voorgaande is dat het feit dat [verweerster] op dit moment geen functie heeft binnen ABN AMRO, in overwegende mate het gevolg is van bedrijfseconomische omstandigheden bij AAL en bij ABN AMRO zelf. Dat betekent dat geen sprake is van omstandigheden die voldoende afwijken van de in artikel 7:669 lid 3 onder a BW genoemde omstandigheden en dat het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onder h BW dient te worden afgewezen. ABN AMRO zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit deel van de procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op

€ 721,- aan salaris gemachtigde.

6 De beoordeling van het tegenverzoek

6.1

[verweerster] heeft verzocht voor recht te verklaren dat zij bij ABN AMRO boventallig is geworden in de zin van het sociaal plan van ABN AMRO. Dat verzoek is niet toewijsbaar, nu het (in deze fase) niet aan de kantonrechter is om daarover te oordelen. Indien ABN AMRO de arbeidsovereenkomst van [verweerster] wenst de beëindigen omdat [verweerster] boventallig is geworden, ligt het initiatief voor die beëindiging bij ABN AMRO en is het UWV de instantie die daar in eerste aanleg een oordeel over dient te geven. Alsdan zal ook nader onderzocht dienen te worden of er passende alternatieven binnen de organisatie van ABN AMRO voor [verweerster] voorhanden zijn.

6.2

De overige verzoeken van [verweerster] kunnen onbesproken blijven aangezien aan de voorwaarden die zij daaraan heeft gesteld – te weten het toewijzen van het ontbindingsverzoek – niet is voldaan.

6.3

Nu het (voorwaardelijke) tegenverzoek volledig samenhangt met het ontbindingsverzoek, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van dit deel van de procedure te compenseren in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

  • -

    wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;

  • -

    veroordeelt ABN AMRO in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 721,- aan salaris gemachtigde;

  • -

    verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In het tegenverzoek:

  • -

    wijst het verzoek af;

  • -

    compenseert de kosten van de procedure in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Willemsen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31945