Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:3173

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
10/750115-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, verdachte heeft samen met anderen ongeveer 6 kilogram heroïne aanwezig gehad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750115-12

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] , Turkije op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , is niet verschenen

gemachtigd raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte de heroïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet wist dat er in de ruimte waar hij zich bevond een grote hoeveelheid heroïne aanwezig was, dat hij de heroïne niet opzettelijk aanwezig heeft gehad, en daarom moet vrijspraak volgen.

4.1.3.

Beoordeling

Vaststaat dat de verdachte zich ten tijde van zijn aanhouding op 19 juni 2015 samen met drie andere personen in een woonruimte bevond van circa 15m2 te Rotterdam. In die kleine open ruimte bevond zich een plastic zak met daarin meerdere pakketjes met heroïne. Ook bevonden zich in deze kamer - open en bloot - een aantal rode plastic bakken met daarin heroïne, alsmede een zeef en een stoffer en blik waarop heroïne is aangetroffen. In totaal is in die ruimte ongeveer 6 kilogram heroïne aangetroffen. Deze hoeveelheid heroïne vertegenwoordigt een hoge handelswaarde. Daarnaast waren een vuurwapen en een geldbedrag van EUR 204.750 aanwezig.

Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over mogelijk dat de woonruimte werd gebruikt als opslagplaats van heroïne, bestemd om commercieel te worden verhandeld of gedistribueerd. In de rede ligt dat de personen die verantwoordelijk zijn voor die handel of distributie er belang bij hebben dat hun activiteiten verborgen blijven en zij derden die niets met die bezigheden van doen hebben niet tot die woning toelaten. Het vermoeden is dan ook gerechtvaardigd dat de personen die daar aanwezig waren op de hoogte waren van de aanwezigheid van de heroïne. Dit vermoeden is door de verdachte, die tijdens het vooronderzoek op geen enkele inhoudelijke vraag een antwoord heeft willen geven, niet ontzenuwd. Door zich in die omstandigheden niet van de aanwezige heroïne te distantiëren, is het (volle) opzet op het aanwezig hebben daarvan, samen met de andere daar aanwezige personen, gegeven.

4.1.4.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte, samen met de andere daar aanwezige personen, op 19 juni 2015 te Rotterdam opzettelijk circa 6 kilogram heroïne aanwezig heeft gehad.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

op 19 juni 2012 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 kilogram heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

In de woning waar de verdachte is aangehouden is een forse handelshoeveelheid heroïne aangetroffen. Hij heeft samen met anderen ongeveer 6 kilogram heroïne aanwezig gehad. De handel in hard- en softdrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers van verdovende middelen veelvuldig strafbare feiten plegen om aan geld voor drugs te komen. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte rechtspersoon in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 19 juni 2012 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 19 juni 2012 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim zes en een half jaar. Nu wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van ruim vier en half jaar. De rechtbank zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en L.R. Prins, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 19 juni 2012 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 kilogram heroïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art. 2 ahf/ond C Opiumwet

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 10 lid 3 Opiumwet